Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2025-12-23
ECLI:NL:RBOVE:2025:7575
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,757 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11821264 \ CV EXPL 25-1313
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: M.V. Hazekamp,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: B. Vreke.
Procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding (met producties 1 t/m 3);- de conclusie van antwoord.
1.2.
Op 27 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de heer [eiser], bijgestaan door de heer M.V. Hazekamp en de heer [gedaagde], bijgestaan door de heer B. Vreke. Aan de zijde van [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[bedrijf 2] en [eiser] zijn in november 2023 met elkaar in contact gekomen. Zij hebben toen afgesproken om te gaan samenwerken. Begin 2024 renoveerde [bedrijf 2] in opdracht de woning van [gedaagde]. [bedrijf 2] heeft in die periode contact opgenomen met [eiser] en zij hebben met elkaar afgesproken dat [eiser] voor een bedrag van € 12.000,00 een kozijn zou leveren voor een uitbouw van de woning van [gedaagde]. De betaling zou plaatsvinden in twee delen; een betaling van € 6.000,00 na acceptatie van de offerte en een betaling van € 6.000,00 bij aflevering van het kozijn.
2.2.
Het eerste bedrag van € 6.000,00 werd na acceptatie van de offerte tijdig door [bedrijf 2] betaald. Bij aflevering van het kozijn op 20 april 2024 werd het tweede bedrag van € 6.000,00 niet betaald. [eiser] heeft daarover als eerste [bedrijf 2] (onder meer via WhatsAppberichten tussen 16 en 22 april 2024) en daarna [gedaagde] aangesproken. Beiden zijn niet tot betaling overgegaan. [bedrijf 2] is op 4 december 2024 failliet verklaard.
2.3.
[eiser] vraagt in deze procedure om een veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van het tweede bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met rente. [eiser] zegt daarover dat [gedaagde] moet betalen omdat [bedrijf 2] als gevolmachtigde voor [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] heeft gesloten dan wel omdat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door [bedrijf 2] niet te betalen.
[gedaagde] vindt dat sprake is van onderaanneming van [eiser] door [bedrijf 2]. Ook zegt [gedaagde] dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser]. Kortom, volgens [gedaagde] hoeft hij niet aan [eiser] te betalen en moet de vordering van [eiser] daarom worden afgewezen.
De vordering van [eiser] wordt afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is geen overeenkomst tot stand gekomen
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat tussen [eiser] en [gedaagde] geen overeenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben niet rechtstreeks met elkaar afspraken gemaakt over het tegen betaling leveren van het kozijn. [eiser] heeft daarover wel met [bedrijf 2] afspraken gemaakt. Die afspraken heeft [bedrijf 2] alleen niet gemaakt als gevolmachtigde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft namelijk niet uitdrukkelijk of stilzwijgend een volmacht afgegeven aan [bedrijf 2] om namens hem een kozijn af te nemen van [eiser].
2.5.
Ook is geen sprake van ‘schijn-volmachtverlening’ door [gedaagde]. Van ‘schijn-volmachtverlening’ kan sprake zijn als [gedaagde] voor, tijdens en/of na het afsluiten van de overeenkomst tussen [bedrijf 2] en [eiser] zich zodanig heeft gedragen dat [eiser] daaruit het gerechtvaardigd vertrouwen mocht krijgen dat hij eigenlijk met [gedaagde] een overeenkomst aanging. [gedaagde] heeft zich niet op zo’n manier gedragen.
2.6.
[eiser] en [gedaagde] hadden in de periode rond het afsluiten van de overeenkomst geen contact met elkaar. Toen kon [eiser] dus niet – uit rechtstreeks contact met [gedaagde] – de indruk hebben gekregen dat hij eigenlijk zaken deed met [gedaagde] en [gedaagde] daarom moest betalen. [eiser] en [gedaagde] hebben pas voor het eerst met elkaar gesproken nadat [eiser] niet werd betaald tijdens het afleveren van het kozijn. [bedrijf 2] zou bij de levering de rekening betalen en helpen met het plaatsen van het kozijn. Omdat [bedrijf 2] niet aanwezig was, heeft [eiser] eerst geprobeerd om met [bedrijf 2] in contact te komen. Toen dat niet lukte, heeft [eiser] [gedaagde] aangesproken en gevraagd of hij ervoor kon zorgen dat [bedrijf 2] zou betalen. Uit die vraag blijkt dat [eiser] vond dat [bedrijf 2] moest betalen. Dat [eiser] dit vond, blijkt verder uit de facturen die hij op naam van [bedrijf 2] heeft gezet en uit een whatsapp-bericht dat hij op 6 mei 2024 naar [bedrijf 2] stuurde over de betalingsachterstand: “Beste nick eerder heb ik ook geschreven ik ken jou ik ken jou klant niet wij hebben samen een bestelling gedaan en ik heb nog geen geld hoe wil jij verder met zaken”.
2.7.
Op een later moment hadden [gedaagde] en [eiser] nog contact met elkaar over het aanpassen/vervangen van het inmiddels geplaatste kozijn omdat het kozijn volgens [gedaagde] niet voldeed aan de regels van het Bouwbesluit. Ook uit dit contact mocht [eiser] niet afleiden dat eigenlijk [gedaagde] zijn opdrachtgever was. Uit dit contact blijkt dat [gedaagde] heeft geprobeerd om alsnog het kozijn te krijgen zoals hij dat had afgesproken met [bedrijf 2]. Daarnaast wilde [gedaagde] [eiser] helpen met de betaling door onderling tot een oplossing te komen. De conclusie is dat [eiser] op geen moment het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat eigenlijk de afspraak was dat [gedaagde] hem moest betalen.
2.8.
Op 23 april 2023 stuurde [bedrijf 2] naar [eiser] de volgende twee berichten: (1) “(…) Er is geen vooruitbetaling afgesproken volgens factuur (…). Helemaal geen enkele reden om problemen te maken. Vandaag installeren en het komt goed.” en (2) “Dit stuurt de opdrachtgever mij”. Voor zover het eerste bericht door [gedaagde] naar [bedrijf 2] is verzonden, blijkt uit dat bericht niet dat [gedaagde] heeft toegezegd om [eiser] (rechtstreeks) te zullen betalen als het kozijn alsnog zou worden gemonteerd. [eiser] kon daarom uit de berichten niet het gerechtvaardigd vertrouwen krijgen dat hij eigenlijk rechtstreeks met [gedaagde] een overeenkomst was aangegaan. Ook blijkt uit de berichten niet dat door [gedaagde] is toegezegd dat hij [eiser] (rechtstreeks) zou betalen.
2.9.
Het oordeel is dan ook dat [gedaagde] niet aan [eiser] hoeft te betalen omdat zij dat niet met elkaar hebben afgesproken en omdat [eiser] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [bedrijf 2] voor [gedaagde] optrad.
[gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd tegenover [eiser]
2.10.
[gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd tegenover [eiser]. Van een onrechtmatige daad is sprake wanneer [gedaagde] iets tegenover [eiser] doet of nalaat wat in strijd is met wat [gedaagde] volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer behoort te doen. Dat handelen of nalaten moet vervolgens bij [eiser] schade hebben veroorzaakt. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Daarover het volgende.
2.11.
[gedaagde], [bedrijf 2] en [eiser] hebben samen een keten van overeenkomsten. Dit betekent dat als [gedaagde] te weinig of geen rekening houdt met de belangen van [eiser], [gedaagde] dan onrechtmatig kan handelen tegenover [eiser]. Het handelen van [gedaagde] kan alleen pas onrechtmatig zijn als allereest een nauw verband bestaat tussen het handelen van [gedaagde] en het belang van [eiser]. In dit geval moet dus een nauw verband bestaan tussen het niet betalen van [bedrijf 2] door [gedaagde] en het belang van [eiser] om door [bedrijf 2] te worden betaald. Dat verband moet zo nauw zijn dat als [gedaagde] niet aan [bedrijf 2] betaalt, [eiser] daardoor schade lijdt.
2.12.
Van een nauw verband is geen sprake.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
Artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW) e.v.
Artikel 3:61 lid 2 BW.
Artikel 6:162 BW.
HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, r.o. 3.3.2.
Inleiding
RECHTBANK
OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11821264 \ CV EXPL 25-1313
Vonnis van 23 december 2025
in de zaak van
[eiser]
, handelend onder de naam [bedrijf 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: M.V. Hazekamp,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
gemachtigde: B. Vreke.
Procesverloop
1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding (met producties 1 t/m 3);- de conclusie van antwoord.
1.2.
Op 27 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de heer [eiser], bijgestaan door de heer M.V. Hazekamp en de heer [gedaagde], bijgestaan door de heer B. Vreke. Aan de zijde van [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[bedrijf 2] en [eiser] zijn in november 2023 met elkaar in contact gekomen. Zij hebben toen afgesproken om te gaan samenwerken. Begin 2024 renoveerde [bedrijf 2] in opdracht de woning van [gedaagde]. [bedrijf 2] heeft in die periode contact opgenomen met [eiser] en zij hebben met elkaar afgesproken dat [eiser] voor een bedrag van € 12.000,00 een kozijn zou leveren voor een uitbouw van de woning van [gedaagde]. De betaling zou plaatsvinden in twee delen; een betaling van € 6.000,00 na acceptatie van de offerte en een betaling van € 6.000,00 bij aflevering van het kozijn.
2.2.
Het eerste bedrag van € 6.000,00 werd na acceptatie van de offerte tijdig door [bedrijf 2] betaald. Bij aflevering van het kozijn op 20 april 2024 werd het tweede bedrag van € 6.000,00 niet betaald. [eiser] heeft daarover als eerste [bedrijf 2] (onder meer via WhatsAppberichten tussen 16 en 22 april 2024) en daarna [gedaagde] aangesproken. Beiden zijn niet tot betaling overgegaan. [bedrijf 2] is op 4 december 2024 failliet verklaard.
2.3.
[eiser] vraagt in deze procedure om een veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van het tweede bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met rente. [eiser] zegt daarover dat [gedaagde] moet betalen omdat [bedrijf 2] als gevolmachtigde voor [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] heeft gesloten dan wel omdat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door [bedrijf 2] niet te betalen.
[gedaagde] vindt dat sprake is van onderaanneming van [eiser] door [bedrijf 2]. Ook zegt [gedaagde] dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser]. Kortom, volgens [gedaagde] hoeft hij niet aan [eiser] te betalen en moet de vordering van [eiser] daarom worden afgewezen.
De vordering van [eiser] wordt afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom.
Tussen [eiser] en [gedaagde] is geen overeenkomst tot stand gekomen
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat tussen [eiser] en [gedaagde] geen overeenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben niet rechtstreeks met elkaar afspraken gemaakt over het tegen betaling leveren van het kozijn. [eiser] heeft daarover wel met [bedrijf 2] afspraken gemaakt. Die afspraken heeft [bedrijf 2] alleen niet gemaakt als gevolmachtigde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft namelijk niet uitdrukkelijk of stilzwijgend een volmacht afgegeven aan [bedrijf 2] om namens hem een kozijn af te nemen van [eiser].
2.5.
Ook is geen sprake van ‘schijn-volmachtverlening’ door [gedaagde]. Van ‘schijn-volmachtverlening’ kan sprake zijn als [gedaagde] voor, tijdens en/of na het afsluiten van de overeenkomst tussen [bedrijf 2] en [eiser] zich zodanig heeft gedragen dat [eiser] daaruit het gerechtvaardigd vertrouwen mocht krijgen dat hij eigenlijk met [gedaagde] een overeenkomst aanging. [gedaagde] heeft zich niet op zo’n manier gedragen.
2.6.
[eiser] en [gedaagde] hadden in de periode rond het afsluiten van de overeenkomst geen contact met elkaar. Toen kon [eiser] dus niet – uit rechtstreeks contact met [gedaagde] – de indruk hebben gekregen dat hij eigenlijk zaken deed met [gedaagde] en [gedaagde] daarom moest betalen. [eiser] en [gedaagde] hebben pas voor het eerst met elkaar gesproken nadat [eiser] niet werd betaald tijdens het afleveren van het kozijn. [bedrijf 2] zou bij de levering de rekening betalen en helpen met het plaatsen van het kozijn. Omdat [bedrijf 2] niet aanwezig was, heeft [eiser] eerst geprobeerd om met [bedrijf 2] in contact te komen. Toen dat niet lukte, heeft [eiser] [gedaagde] aangesproken en gevraagd of hij ervoor kon zorgen dat [bedrijf 2] zou betalen. Uit die vraag blijkt dat [eiser] vond dat [bedrijf 2] moest betalen. Dat [eiser] dit vond, blijkt verder uit de facturen die hij op naam van [bedrijf 2] heeft gezet en uit een whatsapp-bericht dat hij op 6 mei 2024 naar [bedrijf 2] stuurde over de betalingsachterstand: “Beste nick eerder heb ik ook geschreven ik ken jou ik ken jou klant niet wij hebben samen een bestelling gedaan en ik heb nog geen geld hoe wil jij verder met zaken”.
2.7.
Op een later moment hadden [gedaagde] en [eiser] nog contact met elkaar over het aanpassen/vervangen van het inmiddels geplaatste kozijn omdat het kozijn volgens [gedaagde] niet voldeed aan de regels van het Bouwbesluit. Ook uit dit contact mocht [eiser] niet afleiden dat eigenlijk [gedaagde] zijn opdrachtgever was. Uit dit contact blijkt dat [gedaagde] heeft geprobeerd om alsnog het kozijn te krijgen zoals hij dat had afgesproken met [bedrijf 2]. Daarnaast wilde [gedaagde] [eiser] helpen met de betaling door onderling tot een oplossing te komen. De conclusie is dat [eiser] op geen moment het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat eigenlijk de afspraak was dat [gedaagde] hem moest betalen.
2.8.
Op 23 april 2023 stuurde [bedrijf 2] naar [eiser] de volgende twee berichten: (1) “(…) Er is geen vooruitbetaling afgesproken volgens factuur (…). Helemaal geen enkele reden om problemen te maken. Vandaag installeren en het komt goed.” en (2) “Dit stuurt de opdrachtgever mij”. Voor zover het eerste bericht door [gedaagde] naar [bedrijf 2] is verzonden, blijkt uit dat bericht niet dat [gedaagde] heeft toegezegd om [eiser] (rechtstreeks) te zullen betalen als het kozijn alsnog zou worden gemonteerd. [eiser] kon daarom uit de berichten niet het gerechtvaardigd vertrouwen krijgen dat hij eigenlijk rechtstreeks met [gedaagde] een overeenkomst was aangegaan. Ook blijkt uit de berichten niet dat door [gedaagde] is toegezegd dat hij [eiser] (rechtstreeks) zou betalen.
2.9.
Het oordeel is dan ook dat [gedaagde] niet aan [eiser] hoeft te betalen omdat zij dat niet met elkaar hebben afgesproken en omdat [eiser] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [bedrijf 2] voor [gedaagde] optrad.
[gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd tegenover [eiser]
2.10.
[gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd tegenover [eiser]. Van een onrechtmatige daad is sprake wanneer [gedaagde] iets tegenover [eiser] doet of nalaat wat in strijd is met wat [gedaagde] volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer behoort te doen. Dat handelen of nalaten moet vervolgens bij [eiser] schade hebben veroorzaakt. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Daarover het volgende.
2.11.
[gedaagde], [bedrijf 2] en [eiser] hebben samen een keten van overeenkomsten. Dit betekent dat als [gedaagde] te weinig of geen rekening houdt met de belangen van [eiser], [gedaagde] dan onrechtmatig kan handelen tegenover [eiser]. Het handelen van [gedaagde] kan alleen pas onrechtmatig zijn als allereest een nauw verband bestaat tussen het handelen van [gedaagde] en het belang van [eiser]. In dit geval moet dus een nauw verband bestaan tussen het niet betalen van [bedrijf 2] door [gedaagde] en het belang van [eiser] om door [bedrijf 2] te worden betaald. Dat verband moet zo nauw zijn dat als [gedaagde] niet aan [bedrijf 2] betaalt, [eiser] daardoor schade lijdt.
2.12.
Van een nauw verband is geen sprake.
Dictum
De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 813,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. A.N. Neumann en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.
Artikel 3:60 van het Burgerlijk Wetboek (BW) e.v.
Artikel 3:61 lid 2 BW.
Artikel 6:162 BW.
HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1355, r.o. 3.3.2.
Volledig
ECLI:NL:RBOVE:2025:7575 text/xml public 2026-01-19T16:15:04 2025-12-24 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Overijssel 2025-12-23 11821264 \ CV EXPL 25-1313 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Almelo Civiel recht Rechtspraak.nl Sdu Nieuws Insolventierecht 2026/8 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2025:7575 text/html public 2025-12-24T12:30:23 2025-12-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOVE:2025:7575 Rechtbank Overijssel , 23-12-2025 / 11821264 \ CV EXPL 25-1313 Eiser vraagt in deze procedure om een veroordeling van gedaagde tot het betalen van € 6.000,00 voor de aflevering van een kozijn. De kantonrechter is van oordeel dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen en wijst daarom de vordering van eiser af. RECHTBANK OVERIJSSEL Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almelo Zaaknummer: 11821264 \ CV EXPL 25-1313 Vonnis van 23 december 2025 in de zaak van [eiser] , handelend onder de naam [bedrijf 1] , gevestigd te [vestigingsplaats], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: M.V. Hazekamp, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: B. Vreke. 1 De procedure 1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding (met producties 1 t/m 3);- de conclusie van antwoord. 1.2. Op 27 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig de heer [eiser], bijgestaan door de heer M.V. Hazekamp en de heer [gedaagde], bijgestaan door de heer B. Vreke. Aan de zijde van [eiser] zijn spreekaantekeningen overgelegd. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [bedrijf 2] en [eiser] zijn in november 2023 met elkaar in contact gekomen. Zij hebben toen afgesproken om te gaan samenwerken. Begin 2024 renoveerde [bedrijf 2] in opdracht de woning van [gedaagde]. [bedrijf 2] heeft in die periode contact opgenomen met [eiser] en zij hebben met elkaar afgesproken dat [eiser] voor een bedrag van € 12.000,00 een kozijn zou leveren voor een uitbouw van de woning van [gedaagde]. De betaling zou plaatsvinden in twee delen; een betaling van € 6.000,00 na acceptatie van de offerte en een betaling van € 6.000,00 bij aflevering van het kozijn. 2.2. Het eerste bedrag van € 6.000,00 werd na acceptatie van de offerte tijdig door [bedrijf 2] betaald. Bij aflevering van het kozijn op 20 april 2024 werd het tweede bedrag van € 6.000,00 niet betaald. [eiser] heeft daarover als eerste [bedrijf 2] (onder meer via WhatsAppberichten tussen 16 en 22 april 2024) en daarna [gedaagde] aangesproken. Beiden zijn niet tot betaling overgegaan. [bedrijf 2] is op 4 december 2024 failliet verklaard. 2.3. [eiser] vraagt in deze procedure om een veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van het tweede bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met rente. [eiser] zegt daarover dat [gedaagde] moet betalen omdat [bedrijf 2] als gevolmachtigde voor [gedaagde] de overeenkomst met [eiser] heeft gesloten dan wel omdat [gedaagde] onrechtmatig tegenover [eiser] heeft gehandeld door [bedrijf 2] niet te betalen. [gedaagde] vindt dat sprake is van onderaanneming van [eiser] door [bedrijf 2]. Ook zegt [gedaagde] dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiser]. Kortom, volgens [gedaagde] hoeft hij niet aan [eiser] te betalen en moet de vordering van [eiser] daarom worden afgewezen. De vordering van [eiser] wordt afgewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom. Tussen [eiser] en [gedaagde] is geen overeenkomst tot stand gekomen 2.4. De kantonrechter is van oordeel dat tussen [eiser] en [gedaagde] geen overeenkomst tot stand is gekomen. Zij hebben niet rechtstreeks met elkaar afspraken gemaakt over het tegen betaling leveren van het kozijn. [eiser] heeft daarover wel met [bedrijf 2] afspraken gemaakt. Die afspraken heeft [bedrijf 2] alleen niet gemaakt als gevolmachtigde van [gedaagde]. [gedaagde] heeft namelijk niet uitdrukkelijk of stilzwijgend een volmacht afgegeven aan [bedrijf 2] om namens hem een kozijn af te nemen van [eiser]. 2.5. Ook is geen sprake van ‘schijn-volmachtverlening’ door [gedaagde]. Van ‘schijn-volmachtverlening’ kan sprake zijn als [gedaagde] voor, tijdens en/of na het afsluiten van de overeenkomst tussen [bedrijf 2] en [eiser] zich zodanig heeft gedragen dat [eiser] daaruit het gerechtvaardigd vertrouwen mocht krijgen dat hij eigenlijk met [gedaagde] een overeenkomst aanging. [gedaagde] heeft zich niet op zo’n manier gedragen. 2.6. [eiser] en [gedaagde] hadden in de periode rond het afsluiten van de overeenkomst geen contact met elkaar. Toen kon [eiser] dus niet – uit rechtstreeks contact met [gedaagde] – de indruk hebben gekregen dat hij eigenlijk zaken deed met [gedaagde] en [gedaagde] daarom moest betalen. [eiser] en [gedaagde] hebben pas voor het eerst met elkaar gesproken nadat [eiser] niet werd betaald tijdens het afleveren van het kozijn. [bedrijf 2] zou bij de levering de rekening betalen en helpen met het plaatsen van het kozijn. Omdat [bedrijf 2] niet aanwezig was, heeft [eiser] eerst geprobeerd om met [bedrijf 2] in contact te komen. Toen dat niet lukte, heeft [eiser] [gedaagde] aangesproken en gevraagd of hij ervoor kon zorgen dat [bedrijf 2] zou betalen. Uit die vraag blijkt dat [eiser] vond dat [bedrijf 2] moest betalen. Dat [eiser] dit vond, blijkt verder uit de facturen die hij op naam van [bedrijf 2] heeft gezet en uit een whatsapp-bericht dat hij op 6 mei 2024 naar [bedrijf 2] stuurde over de betalingsachterstand: “ Beste nick eerder heb ik ook geschreven ik ken jou ik ken jou klant niet wij hebben samen een bestelling gedaan en ik heb nog geen geld hoe wil jij verder met zaken ”. 2.7. Op een later moment hadden [gedaagde] en [eiser] nog contact met elkaar over het aanpassen/vervangen van het inmiddels geplaatste kozijn omdat het kozijn volgens [gedaagde] niet voldeed aan de regels van het Bouwbesluit. Ook uit dit contact mocht [eiser] niet afleiden dat eigenlijk [gedaagde] zijn opdrachtgever was. Uit dit contact blijkt dat [gedaagde] heeft geprobeerd om alsnog het kozijn te krijgen zoals hij dat had afgesproken met [bedrijf 2]. Daarnaast wilde [gedaagde] [eiser] helpen met de betaling door onderling tot een oplossing te komen. De conclusie is dat [eiser] op geen moment het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat eigenlijk de afspraak was dat [gedaagde] hem moest betalen. 2.8. Op 23 april 2023 stuurde [bedrijf 2] naar [eiser] de volgende twee berichten: (1) “(…) Er is geen vooruitbetaling afgesproken volgens factuur (…). Helemaal geen enkele reden om problemen te maken. Vandaag installeren en het komt goed .” en (2) “ Dit stuurt de opdrachtgever mij ”. Voor zover het eerste bericht door [gedaagde] naar [bedrijf 2] is verzonden, blijkt uit dat bericht niet dat [gedaagde] heeft toegezegd om [eiser] (rechtstreeks) te zullen betalen als het kozijn alsnog zou worden gemonteerd. [eiser] kon daarom uit de berichten niet het gerechtvaardigd vertrouwen krijgen dat hij eigenlijk rechtstreeks met [gedaagde] een overeenkomst was aangegaan. Ook blijkt uit de berichten niet dat door [gedaagde] is toegezegd dat hij [eiser] (rechtstreeks) zou betalen. 2.9. Het oordeel is dan ook dat [gedaagde] niet aan [eiser] hoeft te betalen omdat zij dat niet met elkaar hebben afgesproken en omdat [eiser] er niet gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [bedrijf 2] voor [gedaagde] optrad. [gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd tegenover [eiser] 2.10. [gedaagde] heeft geen onrechtmatige daad gepleegd tegenover [eiser]. Van een onrechtmatige daad is sprake wanneer [gedaagde] iets tegenover [eiser] doet of nalaat wat in strijd is met wat [gedaagde] volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer behoort te doen. Dat handelen of nalaten moet vervolgens bij [eiser] schade hebben veroorzaakt. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Daarover het volgende. 2.11. [gedaagde], [bedrijf 2] en [eiser] hebben samen een keten van overeenkomsten. Dit betekent dat als [gedaagde] te weinig of geen rekening houdt met de belangen van [eiser], [gedaagde] dan onrechtmatig kan handelen tegenover [eiser].