Rechtspraak
Rechtbank Overijssel
2024-10-30
ECLI:NL:RBOVE:2024:7030
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
10,759 tokens
Inleiding
RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/302345 / HA ZA 23-348
Vonnis van 30 oktober 2024
in de zaak van
1ITPH ACADEMY B.V.,
te Zwolle, 2. CURRICULO B.V.,
te Zwolle,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ITPH c.s., en afzonderlijk ITPH en Curriculo,
advocaat: mr. H.H.M. Meijroos,
tegen
[gedaagde] B.V.,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudend te [kantoorplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. E.F.E. van Essen.
1Inleiding en korte samenvatting
1.1.
In deze zaak hebben partijen samengewerkt aan een non-profit project om van oorsprong uit Oekraïne afkomstige personen in Nederland om te scholen op het gebied van IT-vaardigheden en hen in staat te stellen vervolgens bij Nederlandse bedrijven aan het werk te gaan. Het project heeft plaatsgevonden, maar de verwachte inkomstenstromen vanuit subsidies en werkgeversbijdragen zijn niet gerealiseerd. Eisers spreken gedaagde aan om de door hen gemaakte kosten te vergoeden, waarbij zij zich beroepen op een toezegging met die strekking die in een e-mail zou zijn gedaan.
1.2.
De rechtbank wijst een tussenvonnis. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde inderdaad een rechtens afdwingbare toezegging heeft gedaan, maar één die haar kort gezegd enkel verplicht tot het vergoeden van daadwerkelijke kosten. De rechtbank is van oordeel dat dit niet gelijk staat aan de bedragen die eisers in het kader van hun vordering hebben becijferd. De rechtbank draagt hen daarom op bij akte over een aantal kostenposten een nadere onderbouwing te geven. Gedaagde kan daarop vervolgens nog reageren. Daarna zal de rechtbank in beginsel zonder nadere zitting eindvonnis wijzen.
1.3.
De rechtbank legt verderop in dit vonnis uit welke overwegingen tot haar oordeel hebben geleid.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 september 2023,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte wijziging productie van [gedaagde],
- producties 12-15 van ITPH c.s.,
- productie 18 van [gedaagde],
- de mondelinge behandeling van 25 januari 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en de spreekaantekeningen van de advocaten van partijen,- de akte van ITPH c.s.,
- de akte uitlaten/overlegging producties van [gedaagde],
- de antwoordakte/akte uitlaten producties van ITPH c.s.,
- de antwoordakte uitlaten van [gedaagde].
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
ITPH biedt onder meer opleidingen en trainingen aan op het gebied van IT-vaardigheden. Ook Curriculo biedt op dat terrein (aanverwante) diensten aan.
3.2.
[gedaagde] houdt zich, onder meer, bezig met het ontwikkelen van software en het leveren van diensten op dat gebied. Zij werkt voornamelijk met Oekraïense software engineers, die zij plaatst bij Nederlandse opdrachtgevers.
3.3.
Rond het einde van het jaar 2022, dan wel het begin van 2023, is [gedaagde] benaderd door ITPH met de vraag of zij wilde participeren in een non-profit project om van oorsprong Oekraïense statushouders in Nederland op te leiden op het gebied van IT-vaardigheden. Bij dit project zou ook Azure Academy, gelieerd aan zowel Microsoft Nederland als ITPH, betrokken zijn. Doel was om op korte termijn een aantal Oekraïense vluchtelingen op te leiden en te plaatsen bij Nederlandse werkgevers. In de Nederlandse pers heeft het voornemen tot dit project ook enige aandacht gekregen, bijvoorbeeld in een artikel in het Financieel Dagblad van 2 februari 2023, dat kopt “Twintig grote bedrijven beloven 500 IT-banen aan statushouders”, en waarin bedrijven als Shell Nederland, Tennet, ABN AMRO en Accenture worden genoemd als bedrijven die toezeggingen hebben gedaan om binnen twee jaar statushouders aan te nemen dan wel bij te scholen voor een IT-functie. De insteek van het project was dat de bekostiging zou komen vanuit (i) een door een toekomstige werkgever van een cursist te betalen bijdrage; (ii) subsidies vanuit (decentrale) overheden; en (iii) een (beperkte) financiële bijdrage vanuit Microsoft.
3.4.
Tussen (in ieder geval) ITPH en [gedaagde] heeft op enig moment een zogeheten Plan van Aanpak gecirculeerd. Dit Plan van Aanpak is opgesteld van de zijde van Azure Academy, en draagt als opschrift de vermelding van Azure Academy, Microsoft en ITPH. Daarin is uitwerking gegeven aan een mogelijke manier van uitvoering van het in rov. 3.3. bedoelde project. Het Plan van Aanpak vermeldt dat voor het aanbieden van een opleiding tot Power Platform Developer van 12 weken, bij 10 deelnemers, rekening moet worden gehouden met kosten van € 8.420,- per deelnemer voor de training. Daarnaast vermeldt het Plan van Aanpak dat de “Werk in het Vooruitzicht Investeringsmodule(s)”, waarbij het gaat om werkzaamheden in het kader van selectie, begeleiding en bemiddeling, per kandidaat
€ 3.260,- zouden bedragen. Vermeld wordt verder dat bij uitstroom van kandidaten aan de werkgever een “fee” van € 8.420,- ex. btw in rekening zal worden gebracht, waarbij eventuele subsidies op die fee in mindering komen.
3.5.
In de periode van januari 2023 tot juni 2023 is er intensief e-mailcontact geweest over de invulling van het project, door personen aan de zijde van ITPH, [gedaagde], en door [naam 1] (hierna: [naam 1]), in de hoedanigheid van teamleider bij “Werk in het Vooruitzicht” (hierna ook: WIHV), en [naam 2], die evenals [naam 1] communiceerde vanuit een e-mailadres eindigend op werkinhetvooruitzicht.nl.
3.6.
In een e-mail van 19 april 2023 stuurt [naam 1], in haar hoedanigheid van teamleider bij WIHV, aan [gedaagde]:
“(…)
Yesterday we completed the participants list. (…)
We now have 10 persons from [gedaagde] and 3 persons from Werk in het Vooruitzicht. [Volgt een lijst met namen; rechtbank]
[naam 3] [verbonden aan ITPH; rechtbank] has had contact with [naam 4] [[naam 4], middellijk bestuurder van [gedaagde], hierna: [naam 4]; rechtbank] about the starting datum. Unfortunately, the start date on May 1st for now is postponed because of the availability of the trainer and the lack of funding. We hope to have taken care of these two thongs at short notice.”
3.7.
Op 26 april 2023 wordt vanuit ITPH de wens te kennen gegeven om (onder meer) met [gedaagde] in gesprek te gaan in verband met de uitgestelde start van het project. Op dat moment was de geplande startdatum van 1 mei verschoven naar medio mei.
3.8.
Op 28 april 2023 schrijft [naam 4] per e-mail aan ITPH, onder meer:
“Zowel [gedaagde] als ITPH hebben afgelopen woensdag de cursisten verteld dat 15 mei de startdatum van de cursus is. (…) Zoals je weet hebben alle cursisten hun huidige baan opgezegd, zelfs al per 1 mei. Dat is nogal wat. Ik hoop dat je dit realiseert.
De suggestie dat de cursus misschien niet kan starten per 15 mei begrijp ik dan ook niet, en het kan ook niet. (…)
Mogelijke oplossing:
Mocht het zo zijn dat jullie niet voldoende vertrouwen hebben dat jullie trainer uiteindelijk wordt betaald door de toekomstige werkgevers van de cursisten, dan is ZM bereid om de kosten daarvan voor haar rekening te nemen, en dus formeel de werkgever te worden van de cursisten.
Hoor graag of dit een oplossing is van jullie probleem, en daarmee voor jullie het risico weg neemt om de “optie” op de trainer om te zetten naar een bevestiging dat de trainer aanwezig is op 15 mei.”
3.9.
Hierop wordt door [naam 5], medewerker bij ITPH (hierna: [naam 5]), bij e-mail van diezelfde datum, als volgt gereageerd:
“Dit bericht lijkt i.i.g. tot duidelijkheid te leiden. Mijn voorstel is dan ook dat wij tot terugkomst van [naam 6] [d.i. [naam 6] , bestuurder van ITPH, hierna: [naam 6]; rechtbank] (09-05) met elkaar schakelen en niet via andere lijntjes bij ZM of ITPH.
De schoen wringt ‘m op verschillende fronten.
1.Eigenaar
Azure Academy is eigenaar van dit project, maar ZM wil dat eigenaarschap (deels) naar zich toe trekken, aldus zo komt t op mij over. Je kun maar 1 captain op t schip hebben…
Ook dat is mogelijk, maar dan moeten we overgaan tot een overeenkomst waarbij [gedaagde] Azure Academy de opdracht verstrekt om dit traject uit te voeren. (…)
2. Commercieel traject
Wij hebben in de beginfase helder naar elkaar uitgesproken dat dit project (zonder winstoogmerk) wel commercieel aangevlogen zou/zal worden. Dit project kost per deelnemer ca. € 9750,- per deelnemer.
Je snijdt terecht aan dat we het risico te groot vinden. (…)”
3.10.
Op 9 mei 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de betrokken personen van ITPH en [gedaagde], onder bemiddeling door iemand van Microsoft.
3.11.
Op 12 mei 2023 heeft [naam 6] in een e-mail aan [naam 4] onder meer het volgende geschreven:
“Zoals afgesproken zou ik de [door] ons op dinsdag 9 mei j.l. gemaakte afspraken formeel bevestigen inzake de traineeships voor Oekraïners van maandag 15 mei en vervolgens 10 aaneensluitende weken waarin we Oekrainers opleiden tot Power App Makers. Het betreft de onderlinge afspraken tussen ITPH Academy BV (inzake WerkInHetVooruizicht) en [gedaagde] BV. Wil je voor aanvang van de opleiding akkoord op geven op onderstaande afspraken? Mocht ik nog iets over het hoofd zien, dan hoor ik dat graag per omgaande!
AFSPRAKEN:
WerkInHetVooruitzicht is een initiatief van ITPH Academy BV en Microsoft.
WerkInHetVooruitzicht (WIHV) zal de bemiddelings- en opleidingskosten van dit traject bevoorschotten. Dit is begroot op ca. € 9750,- per deelnemer (zie mail [naam 5] aan jou 28-4-2023). Wijzigingen worden vanaf heden enkel nog na onderling overleg doorgevoerd zodat we niet voor verrassingen komen te staan. We zullen ons gezamenlijk inspannen om deze kosten zo laag mogelijk te houden.
Zowel WIHV als [gedaagde] zullen zich intensief inspannen om bovengenoemde kosten te verhalen bij diverse subsidie verstrekkers en scholingsfondsen.
Geschil
4.1.
ITPH c.s. vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. [gedaagde] veroordeelt om aan ITPH te betalen een bedrag van € 69.272,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf de dag van de dagvaarding, en daarnaast een bedrag van € 10.930,88 (dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag) aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding;
2. [gedaagde] veroordeelt om aan Curriculo te betalen een bedrag van € 36.058,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf de dag van de dagvaarding, en een bedrag van € 5.408,70 (dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag) aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf de dag van de dagvaarding;
3. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, nakosten, en in de beslagkosten van € 2.856,87, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW vanaf veertien dagen na het wijzen van het vonnis.
4.2.
ITPH c.s. leggen hieraan ten grondslag dat partijen hebben afgesproken dat ITPH c.s. voor [gedaagde] trainingen zou verzorgen en begeleiden, en dat [gedaagde] door op 14 mei 2023 akkoord te geven op in een e-mail van 12 mei 2023 weergegeven afspraken, heeft toegezegd de kosten die voor ITPH c.s. met deze trainingen gemoeid waren, te vergoeden. Die kosten hebben ITPH c.s. bij [gedaagde] gefactureerd en [gedaagde] is verplicht die te betalen, aldus ITPH c.s.
4.3.
[gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en tot veroordeling van ITPH c.s. in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien niet binnen 14 dagen wordt betaald. [gedaagde] vraagt niet om een eventuele kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hieronder verder ingegaan, voor zover dat nodig is voor de beoordeling van de vorderingen.
Beoordeling
5.1.
IPTH c.s. hebben gesteld dat [gedaagde] zich jegens hen heeft verplicht om te betalen voor kosten die zij hebben gemaakt om in het voorjaar van 2023 een training te geven aan 10 deelnemers (in het geval van ITPH) en om begeleiding te geven vóór, tijdens en na die training (in het geval van Curriculo). ITPH c.s. stellen dat [gedaagde] bij e-mail van 14 mei 2023 tegenover hen een toezegging heeft gedaan die tot gevolg heeft dat zij deze kosten aan ITPH en Curriculo moet betalen. [gedaagde] betwist dit.
5.2.
Waar het dus om gaat is of er op 12 en 14 mei 2023 rechtens afdwingbare afspraken zijn gemaakt, met andere woorden: een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, en zo ja, wat daarvan de inhoud is. Daarbij geldt dat een overeenkomst tot stand komt door een aanbod dat wordt aanvaard. Het is dus de vraag of het aanbod van ITPH uit de e-mail van 12 mei 2023 door de e-mail van [gedaagde] van 14 mei 2023, waarin zij “akkoord” schreef, is aanvaard. In dit verband stelt de rechtbank voorop dat ook als [gedaagde] niet de wil had om met haar verklaring van “akkoord” zich in een overeenkomst te binden, het mogelijk is dat zij desalniettemin aan die overeenkomst gebonden kan zijn, indien haar wederpartij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat dat wel het geval was. En van dat laatste is naar het oordeel van de rechtbank sprake. Daarop wijzen de volgende omstandigheden.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde], door bij e-mail van 14 mei 2023 “akkoord” te antwoorden op de e-mail van ITPH c.s. van 12 mei 2023, inderdaad een rechtens afdwingbare toezegging heeft gedaan. Daartoe dient het volgende.
5.4.
Uit de stellingen van partijen, en wat daarvan over en weer niet (gemotiveerd) is weersproken, leidt de rechtbank af dat ITPH en [gedaagde], naast andere partijen, zich in de eerste maanden van 2023 serieus inspanden om tot verwezenlijking te komen van een project om, kort gezegd, vooral Oekraïense vluchtelingen in Nederland in twaalf weken op te leiden tot Microsoft Power Platform (app) ontwikkelaar, zodat deze personen vervolgens bij Nederlandse bedrijven aan het werk zouden kunnen. Idee was oorspronkelijk dat voor het opleiden en het begeleiden van de cursisten weliswaar kosten zouden worden gemaakt door ITPH en [gedaagde], maar dat deze kosten (uiteindelijk) terugverdiend zouden worden doordat werkgevers die de opgeleide cursisten in dienst zouden nemen daar een werkgeversbijdrage voor zouden betalen. Microsoft ook zou bijdragen, en bij gemeentelijke overheden zouden subsidies worden verkregen. Het Plan van Aanpak dat tussen partijen is gewisseld, en dat een redelijk uitvoerige uitwerking geeft van de plannen, geeft daarvan blijk. Waar aanvankelijk het plan was dat de trainingen op 1 mei 2023 van start zouden gaan, bleek in de loop van april – zie de e-mail van 19 april 2023, aangehaald onder 3.6. hierboven – dat die datum niet gehaald zou worden en dat de bekostiging ITPH zorgen baarde. Bij e-mail van 28 april 2023 (zie hiervoor, rechtsoverweging (hierna: rov.) 3.8.) gaf [gedaagde] aan ITPH te kennen dat wat [gedaagde] betreft de inmiddels nieuwe datum van 15 mei 2023 gehaald moest worden en dat [gedaagde] bereid was aan de zorgen van ITPH over de bekostiging van de door ITPH in te schakelen trainer tegemoet te komen, door aan te geven dat [gedaagde] die kosten voor haar rekening zou nemen. Partijen hebben vervolgens verder gecorrespondeerd en op 9 mei 2023 nader met elkaar gesproken. Zorgen over de doorgang op korte termijn (aan de kant van [gedaagde]), en over de financiële risico’s (bij ITPH) vormden een belangrijk onderwerp van dat gesprek. In een e-mail van 12 mei 2023 stuurde ITPH aan [gedaagde] een bevestiging van de op 9 mei 2023 gemaakte afspraken, met het verzoek aan [gedaagde] om te laten weten of zij akkoord is met die afspraken. ITPH heeft verder nadrukkelijk gevraagd om het aan te geven als zij iets “over het hoofd zou zien”. [gedaagde] reageert vervolgens op 14 mei 2023 op deze e-mail, met het enkele woord “akkoord”.
5.5.
Tegen deze achtergrond heeft [gedaagde] redelijkerwijs moeten begrijpen dat ITPH de mededeling “akkoord” zou opvatten als blijk van instemming Van [gedaagde] met hetgeen ITPH van haar kant in de e-mail van 12 mei 2023 schreef, en dat daarmee partijen tot overeenstemming zouden komen ten aanzien van de inhoud van die e-mail van 12 mei 2023. Op het “akkoord” van [gedaagde] heeft ITPH, van haar kant, gerechtvaardigd mogen vertrouwen dat [gedaagde] zich tegenover haar heeft willen binden aan de inhoud van de afspraken die in de e-mail van 12 mei 2023 staan weergegeven.
Uitleg van de overeenkomst; wat houdt de toezegging van [gedaagde] in?
5.6.
De vraag komt daarmee in beeld hoe de afspraken uit de e-mail van 12 mei 2023 moeten worden uitgelegd. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat bij het duiden van hetgeen partijen zijn overeengekomen moet worden beoordeeld welke zin partijen aan de gemaakte afspraken mochten toekennen en wat zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten (vaste rechtspraak sinds het standaardarrest Haviltex, HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635).
5.7.
Voor zover voor de vordering van ITPH c.s. van belang, blijkt uit de e-mails van 12 en 14 mei 2023 dat [gedaagde] akkoord is gegaan met de afspraken dat:
“WerkInHetVooruitzicht” (WIHV) bemiddelings- en opleidingskosten van het project zou “bevoorschotten”;
deze kosten begroot werden op ca. € 9750,- per deelnemer;
partijen zich gezamenlijk zouden inspannen om die kosten zo laag mogelijk te houden;
Zowel “WIHV” als [gedaagde] zich intensief zouden inspannen om bovengenoemde kosten te verhalen bij diverse subsidie verstrekkers en scholingsfondsen en dat verstrekte subsidies en fondsen na ontvangst in mindering zouden worden gebracht op de bevoorschotting;
[gedaagde] zich garant heeft gesteld voor alle kosten waarvan blijkt dat deze niet verhaald kunnen worden op bovengenoemde subsidies en fondsen. Deze resterende bemiddelings- en opleidingskosten worden na afloop van het traject door WIHV in rekening gebracht aan [gedaagde].
5.8.
Deze afspraken komen er naar het oordeel van de rechtbank op neer dat kosten waarvan komt vast te staan dat deze zijn gemaakt in verband met de bemiddeling bij het begeleiden en daadwerkelijk geven van de opleiding, na afloop van het opleidingstraject bij [gedaagde] in rekening mogen worden gebracht en door haar daadwerkelijk dienen te worden voldaan, voor zover deze kosten niet uit verstrekte subsidies en fondsen kunnen worden voldaan.
5.9.
Dit betekent in beginsel dat [gedaagde] verplicht is de kosten te vergoeden die aan te merken zijn als kosten van “WIHV”, in verband met de opleiding en begeleiding van deelnemers aan het traject, met aftrek van bedragen aan subsidies of andere tegemoetkomingen die één van partijen uit andere hoek heeft ontvangen. Op de vraag wat heeft te gelden als “kosten” komt de rechtbank hieronder nog nader terug (zie rov. 5.14. en verder).
Kunnen ITPH én Curriculo hun vorderingen baseren op de toezegging van [gedaagde]?
5.10.
Zoals hiervoor bleek heeft [gedaagde] zich akkoord verklaard met de kosten van WIHV, en dat laatstgenoemde die kosten na afloop van het traject ook in rekening mag brengen bij [gedaagde]. Dit roept de vraag op wat partijen bedoeld hebben met WIHV. Deze vraag is vooral van belang, omdat ten tijde van het maken van deze afspraak – daar zijn partijen het over eens – WIHV geen bestaande, zelfstandige rechtspersoon was.
Dictum
De rechtbank
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van 27 november 2024 voor het nemen van een akte door ITPH c.s. over het bepaalde in rov. 5.23., 5.28., en 5.29., waarna [gedaagde] op een termijn van vier weken een antwoordakte kan nemen, waarbij zij tevens in kan gaan op het bepaalde in rov. 5.23.;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Essed en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2024.
De rechtbank verwijst hiervoor naar het ongedateerde stuk dat, kennelijk als bijlage bij een e-mail, bij prod. 6 van de conclusie van antwoord is ingebracht.
Beoordeling
De rechtbank brengt in herinnering dat het bij de duiding van de afspraken tussen partijen niet (de zuiver taalkundige uitleg van) het woordgebruik beslissend is, maar wat partijen over en weer met hun afspraken hebben bedoeld, en dus wat partijen redelijkerwijs hebben bedoeld en over en weer hebben moeten begrijpen van de vermelding WIHV (zie het in rov. 5.6. aangehaalde Haviltex arrest).
5.11.
In dat verband is van belang dat in de e-mail van 12 mei 2023 voorop wordt gesteld dat het daarin gaat om “onderlinge afspraken tussen ITPH Academy BV (inzake WerkInHetVooruizicht) en [gedaagde] BV”, en verder ook dat WIHV een initiatief is van ITPH Academy BV en Microsoft. Van belang is verder dat ITPH c.s. onbetwist hebben gesteld dat WIHV weliswaar initieel gelieerd was aan ITPH, maar dat het de bedoeling van partijen was dat WIHV op een zeker moment als zelfstandige rechtspersoon zou gaan opereren. ITPH c.s. hebben in dat verband gesteld dat Curriculo de rechtspersoon is waarin de activiteiten zijn ingebracht die voorheen onder de noemer WIHV plaatsvonden. [gedaagde] heeft dit weliswaar in algemene termen betwist – zij stelt dat Curriculo haar onbekend is – maar tegenover de onderbouwing van ITPH c.s. verder niet van een nadere motivering voorzien. De rechtbank zal er dus vanuit gaan dat Curriculo inderdaad gezien moet worden als de verzelfstandiging van WIHV.
5.12.
Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat met de vermelding van WIHV redelijkerwijs bedoeld is om, in de eerste plaats, ITPH een grond te geven om haar gemaakte kosten (in de zin van de e-mail van 12 mei 2023) na aftrek van subsidies e.d. bij [gedaagde] in rekening te brengen. Daarbij komt dat het naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling was om met de vermelding “WIHV” een harde afbakening aan te brengen in wie wel of niet [gedaagde] kon aanspreken op de kosten, maar om aan te geven dat de kosten van de activiteiten die al onder de noemer van WIHV plaatsvonden, maar waarvan het nog niet duidelijk was welke rechtspersoon die voor haar rekening zou nemen – ITPH, of geheel of deels een nog op te richten andere rechtspersoon – in ieder geval door [gedaagde] vergoed zouden worden, indien aan de verdere voorwaarden van de e-mail van 12 mei 2023 zou worden voldaan. Dit brengt dat onder WIHV, in de tweede plaats, redelijkerwijs moet worden verstaan de rechtspersoon waarin (een deel van) de activiteiten zijn ondergebracht die in het kader van het project onder de noemer WIHV zijn verricht, óók als die rechtspersoon van later datum is, zolang het maar om dezelfde kosten gaat. Dat betekent dat ook Curriculo op grond van de toezegging van 14 mei 2023 van [gedaagde], tegenover [gedaagde] aanspraak heeft op vergoeding van gemaakte kosten.
5.13.
Dat brengt mee dat zowel ITPH als Curriculo van [gedaagde] vergoeding kunnen vorderen van kosten als in de e-mail van 12 mei 2023 bedoeld.
Welke kosten dient [gedaagde] te vergoeden?
5.14.
De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat [gedaagde] verplicht is de kosten te vergoeden die aan te merken zijn als kosten van WIHV, in verband met de opleiding en begeleiding van deelnemers aan het traject, met aftrek van bedragen aan subsidies of andere tegemoetkomingen.
5.15.
ITPH c.s. vorderen in deze procedure van [gedaagde] de bedragen die zij in de facturen van 21 juli 2023 aan [gedaagde] in rekening hebben gebracht.
5.16.
De vraag is dus of de zojuist genoemde verplichting van [gedaagde] om bepaalde kosten te vergoeden grondslag biedt voor de vorderingen van ITPH c.s.
5.17.
De rechtbank is van oordeel dat het door ITPH c.s. gevorderde niet één op één gebaseerd kan worden op de verplichting die [gedaagde] op zich heeft genomen. In dit verband geldt het volgende.
5.18.
Voor de vraag wat partijen redelijkerwijs moesten begrijpen onder de “kosten” die [gedaagde], door haar akkoordverklaring, zou vergoeden, zijn de omstandigheden waaronder de afspraken tot stand kwamen van belang. Tussen partijen staat niet ter discussie dat het bij de samenwerking tussen ITPH en [gedaagde] ging om een non-profit project. Daaraan is inherent dat betrokkenen, óók in essentie commerciële partijen zoals de partijen in deze procedure, (minst genomen) niet streven naar het maximale financieel voordeel dat met de betreffende activiteiten zou kunnen worden behaald, maar daarvan afzien ten gunste van het maatschappelijk nut dat met de non-profit activiteiten wordt beoogd.
5.19.
Weliswaar is van de zijde van ITPH in een e-mail van [naam 5] van 28 april 2023 (zie rov. 3.9) aangegeven dat het project “wel commercieel aangevlogen” zou worden, maar dat hebben partijen naar het oordeel van de rechtbank moeten begrijpen binnen de context dat het project succesvol zou zijn afgerond, dat wil zeggen met plaatsing van de deelnemers bij werkgevers die daarvoor een aanzienlijke financiële bijdrage zouden betalen, en met ontvangst van (enige) subsidies. Uit de stukken leidt de rechtbank immers af dat in eerdere begrotingen ervan uit werd gegaan dat weliswaar eerst genoeg inkomsten zouden moeten binnenkomen om de kostprijs te dekken, maar dat na dit “break even” punt partijen te verwachten extra inkomsten op 50/50 basis zouden verdelen, waarbij werd opgemerkt “hoe meer funding, hoe meer te verdelen”. De rechtbank is echter van oordeel dat de afspraak dat [gedaagde] zich ‘garant stelt voor kosten die niet verhaald kunnen worden’ niet ziet op de – rooskleurige – situatie waarbij het project een succes is, kosten geheel voldaan worden en partijen wellicht ook financieel beter worden van dit “non-profit” project, zoals partijen verwachtten. Het ziet op de situatie waarin het project om wat voor redenen dan ook een financiële aderlating blijkt. Om haar moverende redenen heeft ITPH ervoor gekozen om vooraf te bedingen dat de kosten die zij maakt, hoe dan ook vergoed worden: zo niet vanwege werkgeversbijdragen en subsidies (ingeval van slagen van het project), dan wel vanwege vergoeding door [gedaagde]. Uit de in april verzonden e-mails (zie rov. 3.6. en 3.9.) en de e-mail van 12 mei 2023 blijkt duidelijk dat ITPH niet met het project verder zou gaan als [gedaagde] niet bereid was dit toe te zeggen; van haar kant heeft [gedaagde] hier zelf al op gezinspeeld in de e-mail van 28 april 2023 (zie rov. 3.8.). De relevantie voor het verschil in scenario’s – slagen van het project versus niet slagen daarvan – is deze: in geval van een financieel niet succesvol project, heeft naar het oordeel van de rechtbank voor beide partijen duidelijk moeten zijn dat [gedaagde] aan ITPH c.s. nooit méér zou vergoeden dan haar daadwerkelijke kosten aan het project. Anders gezegd: de rechtbank kan niet uitsluiten dat ITPH c.s. in hun kostenramingen – bijvoorbeeld in het Plan van Aanpak en in de e-mail van 28 april 2023 – tarieven hebben gehanteerd die hoger zijn dan hun daadwerkelijke kosten, maar die in enige mate een commercieel karakter hebben. In de situatie dat partijen (meer dan) “break even” zouden spelen met het project was dat voor beide partijen akkoord, maar in het scenario dat zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, waarin het project (financieel) niet dat opleverde wat partijen daarvan verwachtten, geldt dat zij over en weer redelijkerwijs niet hebben kunnen verwachten dat [gedaagde] bóvenop de daadwerkelijke kosten van ITPH c.s. ook nog een commerciële opslag zou gaan betalen, hoe beperkt ook. Ook de vermelding in de e-mail van 12 mei 2023 dat partijen de kosten “zo laag mogelijk” zouden houden wijst hierop.
5.20.
Dit betekent dat [gedaagde] niet verplicht is om méér aan ITPH c.s. te vergoeden dan hun daadwerkelijke kosten, en dat voor het bepalen wat die kosten zijn ook niet één op één kan worden aangesloten bij de bedragen die genoemd zijn in eerdere correspondentie of stukken.
Beoordeling
5.21.
De rechtbank overweegt daarbij dat de afspraak tussen partijen uit de e-mails van 12 en 14 mei 2023 inhoudt dat die kosten enkel de bemiddelings- en opleidingskosten betreffen, en dat aan de verplichting van [gedaagde] om deze kosten te vergoeden de voorwaarden zijn verbonden (i) dat de kosten niet verhaald kunnen worden op subsidie verstrekkers en scholingsfondsen, en (ii) dat [gedaagde] ze pas na afloop van het traject hoeft te vergoeden.
5.22.
Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat er (afgezien van een bijdrage van Microsoft, waarover verderop meer) niet daadwerkelijk subsidies of andere tegemoetkomingen zijn verstrekt die op de vorderingen van ITPH c.s. in mindering moeten worden gebracht.
Daarbij gaat de rechtbank voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat ITPH c.s. subsidies hadden moeten aanvragen maar dat niet (deugdelijk) hebben gedaan. Wat er ook zij van de taakverdeling tussen partijen in dit verband, [gedaagde] heeft ter onderbouwing enkel gewezen op algemene subsidiemogelijkheden, maar uit haar stellingen volgt niet, althans niet met voldoende onderbouwing, dat het handelen van ITPH c.s. een concrete verlening van subsidie in de weg heeft gestaan. Om die reden gaat de rechtbank voorbij aan dit verweer van [gedaagde].
5.23.
Tijdens de mondelinge behandeling is nog ter sprake gekomen dat Microsoft een zeker bedrag aan tegemoetkoming heeft verstrekt. Indien dit bedrag bij ITPH, dan wel Curriculo, terecht is gekomen, brengen de afspraken tussen partijen mee dat dit in mindering komt op de vordering van de desbetreffende partij. De rechtbank heeft op dit punt behoefte aan nadere voorlichting van partijen. Hieronder zal nog worden geoordeeld dat ITPH c.s. een akte mogen nemen, waarop [gedaagde] bij antwoordakte kan reageren (zie hieronder in rov. 5.32.). De rechtbank zal bepalen dat partijen in deze aktes ook in dienen te gaan op de vraag of Microsoft in verband met het project bedragen aan tegemoetkoming heeft uitgekeerd, en zo ja, aan welke partij, voor welk bedrag.
5.24.
Voor wat betreft de afloop van het traject volgt de rechtbank [gedaagde] niet in haar stelling dat het door partijen bedoelde traject ook zou gaan om andere lichtingen dan die van de tien cursisten die in mei 2023 zijn gestart. De afspraken zien duidelijk enkel op de lichting van cursisten die in mei 2023 zijn gestart, en het staat vast dat die trainingen inmiddels zijn afgerond. Dat van een dergelijke afronding geen sprake zou zijn omdat het merendeel van de cursisten vervolgens geen certificering door Microsoft heeft verkregen, zoals [gedaagde] heeft gesteld, verwerpt de rechtbank, aangezien de afspraken tussen partijen voor het ‘inlezen’ van een dergelijke eis geen steun bieden.
5.25.
Het vorenstaande komt erop neer dat ITPH c.s. bij [gedaagde] hun daadwerkelijk gemaakte kosten in rekening kunnen brengen, voor zover die zien op de bemiddelings- en opleidingskosten voor de tien deelnemers van het project. Tussen partijen staat immers niet ter discussie dat, naast eigen deelnemers van WHIV, [gedaagde] tien deelnemers voor de op 15 mei 2023 begonnen training heeft aangemeld, en dat de afspraken tussen partijen zien op die laatstgenoemde cursisten.
5.26.
ITPH c.s. hebben een onderbouwing gegeven van de bedragen die zij onder de noemer kosten bij [gedaagde] in rekening hebben gebracht. Onder meer hebben zij een verklaring ingebracht van de heer Visser, werkzaam als Financial Business Controller bij zowel ITPH als Curriculo, waarin onder meer wordt aangegeven dat de binnen het project gehanteerde tarieven gebruikelijk zijn binnen hun sector en de tariefstelling en kostenberekening conform de markstandaarden zijn. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen gaat het er evenwel niet om of ITPH c.s. redelijke, gebruikelijke, of anderszins verdedigbare tarieven hanteren en die vervolgens bij [gedaagde] in rekening hebben gebracht. Hun kosten dienen slechts door [gedaagde] vergoed te worden voor zover het daadwerkelijk kosten zijn die ten laste van ITPH c.s. zijn gekomen, zonder wat voor opslag dan ook. Het gaat dus enkel om de kostprijs. Over de vraag of dat het geval is bij de kosten waarop ITPH c.s. aanspraak maken geven haar stellingen, ook in het licht van de onderbouwde betwisting door [gedaagde] van verschillende kostenposten, op dit moment nog onvoldoende uitsluitsel.
5.27.
De rechtbank heeft daarom op onderdelen behoefte aan nadere onderbouwing door partijen. De rechtbank zal de kostenposten waaruit de vorderingen van ITPH c.s. uiteenvallen hieronder bespreken, en per punt ofwel eindbeslissingen nemen, dan wel aangeven of behoefte bestaat aan nadere onderbouwing. De rechtbank houdt hierbij de volgorde aan van de onderbouwing door ITPH c.s. bij productie 13.
5.28.
De rechtbank overweegt als volgt voor wat betreft de kosten van ITPH:
Trainer(s)
ITPH c.s. hebben gesteld kosten te hebben gemaakt wegens het inhuren van (een) trainer(s) gedurende de opleiding. Deze kosten komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking. ITPH c.s. dienen echter wel nader te onderbouwen wat de bedragen zijn die zij aan de trainers hebben betaald. De rechtbank verlangt van hen in ieder geval afschriften van schriftelijke overeenkomsten met deze trainers, facturen van hetgeen zij aan ITPH c.s. in dat kader in rekening hebben gebracht, en bewijsstukken waaruit blijkt wat vanuit ITPH c.s. daadwerkelijk aan hen is betaald.
Coaching per kandidaat
[gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat het bij deze kostenpost gaat om activiteiten waarvan afgesproken is dat ITPH deze op zich zou nemen. Deze zijn ook niet in het Plan van Aanpak te vinden, aldus [gedaagde]. Zij wijst er daarbij op dat door WIHV/Curriculo al aanspraak wordt gemaakt op een vergoeding wegens “begeleiding tijdens opleiding”, zodat voor een afzonderlijke vergoeding voor coaching door ITPH ook om die reden geen grondslag zou bestaan.
De rechtbank overweegt dat ITPH c.s. dienen te onderbouwen op welke grond deze activiteiten zijn te herleiden tot de afspraken tussen partijen over wat de bemiddeling- en opleidingsactiviteiten van ITPH zouden zijn, en op welke grond deze te onderscheiden zijn van de begeleiding door WHIV. Verder dienen ITPH c.s. te onderbouwen waaruit deze coachingsactiviteiten concreet hebben bestaan, wat de onderbouwing is voor de kostprijs die zij daaraan toekennen, en daarnaast in hoeverre en op welke manier dit als kosten daadwerkelijk ten laste van hun bedrijfsvoering is gebracht, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd door bewijsstukken.
Huur laptop (3 maanden)
ITPH c.s. dienen in het licht van de betwisting van [gedaagde] – dat zij voor de huur van de laptops door de cursisten een exorbitant bedrag in rekening hebben gebracht gelet op de aanschafwaarde van laptops, de beperkte huurtermijn en beperkte afschrijving van de laptops afgezet tegen hun aanschafwaarde – te onderbouwen wat de reële kosten voor deze post zijn geweest.
Online Labs AZ-900 en PL-900
De bedragen van € 45,00 per deelnemer per lab die ITPH c.s. hebben opgevoerd komen de rechtbank aannemelijk voor en zijn ook niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Deze bedragen, voor een totaal van € 900,00, zijn dus toewijsbaar.
Algemene kosten
ITPH c.s. dienen te onderbouwen om wat voor kosten het hier gaat en op welke manier deze daadwerkelijk ten laste van hun bedrijfsvoering zijn gekomen, een en ander zoveel mogelijk onderbouwd door bewijsstukken.
5.29.
De rechtbank overweegt als volgt voor wat betreft de kosten van WHIV/Curriculo.
Beoordeling
Quick scan en voorselectie; begeleiding tijdens opleiding; bemiddeling naar werk
[gedaagde] betwist dat deze werkzaamheden door WIHV zijn uitgevoerd, ofwel omdat zij door [gedaagde] zijn uitgevoerd, of omdat de werkzaamheden geheel achterwege zijn gebleven. Gelet op deze betwisting dienen ITPH c.s. te onderbouwen dat deze werkzaamheden wel degelijk zijn verricht. Voor wat betreft de hieraan gekoppelde bedragen heeft [gedaagde] niet, althans niet met voldoende onderbouwing, betwist dat de bedragen die hieraan worden verbonden redelijkerwijs als kosten kunnen worden aangemerkt. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat áls komt vast te staan dat deze werkzaamheden zijn verricht, de daaraan in productie 13 van ITPH c.s. verbonden bedragen toewijsbaar zijn.
Advies en selectie
[gedaagde] heeft, mede gelet op haar productie 21, niet (langer) betwist dat deze kosten zijn gemaakt. Dat betekent dat het bedrag van € 13.500,00 dat Curriculo in verband daarmee vordert toewijsbaar is.
Fotoshoot; marketingcampagne
[gedaagde] heeft betwist dat partijen hebben afgesproken dat deze kosten zouden worden gemaakt, ook gelet op het gegeven dat daarover in het Plan van Aanpak niets staat vermeld. De rechtbank verlangt van ITPH c.s., in het licht van deze betwisting, dat zij aan de hand van concrete feiten en omstandigheden onderbouwen op welke grond deze werkzaamheden terug te voeren zijn op concrete afspraken tussen partijen. Daarnaast dienen ITPH c.s., zoveel mogelijk onderbouwd met bewijsstukken, aan te geven dat deze werkzaamheden inderdaad zijn verricht, welke kosten deze voor WIHV/Curriculo hebben meegebracht, en dat deze daadwerkelijk ten laste van hun bedrijfsvoering zijn gebracht.
Verweer dat ITPH c.s. is tekortgeschoten
5.30.
[gedaagde] heeft, naast haar verweren die hiervoor al besproken zijn, ten slotte nog inhoudelijk verweer gevoerd tegen de vorderingen van ITPH c.s. op de grond dat ITPH c.s. van hun kant zijn tekortgeschoten, door ondeugdelijke trainingen te hebben gegeven, hetgeen onder meer daaruit blijkt dat de cursisten weliswaar een certificaat van deelname hebben gekregen, maar – op twee na – voor het overgrote deel geen door Microsoft certificeringen hebben behaald, hetgeen volgens [gedaagde] een wezenlijk element is om bij werkgevers geplaatst te kunnen worden.
5.31.
De rechtbank overweegt dat, wat er ook waar is van de stellingen van [gedaagde] over de kwaliteit van de gegeven trainingen, dit in ieder geval niet meebrengt dat ITPH c.s. jegens haar wanprestatie hebben geleverd, of sprake is van schuldeisersverzuim, zoals [gedaagde] stelt. [gedaagde] heeft zich namelijk zelf in deze procedure op het standpunt gesteld dat ITPH c.s. geen afnemers van diensten van haar zijn, en dat zij dus geen opdrachtgever van hen is. Dat is voor [gedaagde] een van de argumenten geweest om zich te verzetten tegen de vorderingen tot betaling van ITPH c.s. jegens haar, maar de keerzijde van dat standpunt – dat ITPH c.s. ook met haar delen – is dat ITPH c.s. in de relatie tot [gedaagde] geen aanbieder van een cursus is. De betalingsverplichting van [gedaagde] tegenover ITPH c.s. is gebaseerd op de verzekering die ITPH c.s. voor aanvang van het project van [gedaagde] verlangden, en die [gedaagde] door haar akkoord te geven ook heeft gegeven, dat als de kosten niet extern gedekt zouden worden, [gedaagde] daar voor ITPH c.s. voor zou instaan. Tegenover [gedaagde] waren ITPH c.s. dan ook niet gehouden in te staan voor een bepaalde kwaliteit van de trainingen, die door ITPH c.s. ingeschakelde trainers vervolgens zouden leveren, hoezeer de insteek van het gezamenlijke project van partijen ook was om de deelnemers daadwerkelijk kwaliteit te bieden.
Tussenconclusie: nadere aktewisseling partijen
5.32.
Samengevat krijgen ITPH c.s. de gelegenheid om bij akte in te gaan op hetgeen is overwogen in rov. 5.23., 5.28. en 5.29. [gedaagde] kan daarop reageren bij een akte van haar kant, waarbij zij tevens in kan gaan op hetgeen is overwogen in rov. 5.23. Beide partijen krijgen daarvoor een termijn van vier weken. Enkel indien [gedaagde] bij haar akte producties overlegt, zullen ITPH c.s. op een termijn van twee weken mogen reageren (enkel) op die producties en hetgeen daarover is opgemerkt. De rechtbank zal na de aktewisseling door partijen vonnis wijzen. Uiteraard staat het partijen vrij om op basis van dit tussenvonnis (alsnog) een minnelijke regeling te beproeven.
5.33.
Iedere verdere beslissing wordt ondertussen aangehouden.