Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2026-01-23
ECLI:NL:RBOBR:2026:360
RECHTBANK OOST-BRABANT Bestuursrecht zaaknummer: SHE 25/1390 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen [eiseres], uit [woonplaats], eiseres (gemachtigde: [naam]), en de heffingsambtenaar van de gemeente ‘s-Hertogenbosch, de heffingsambtenaar (gemachtigde: mr. M.T. Klaassen). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de heffingsambtenaar terecht het namens eiseres gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. 1.1. De heffingsambtenaar heeft op 30 april 2025 aan eiseres een aanmaning gezonden in verband met het niet (volledig) voldoen van gemeentelijke heffingen 2018. 1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 12 juni 2025 (de bestreden uitspraak) heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 1.3. Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak bezwaar gemaakt. 1.4. De heffingsambtenaar heeft het tegen de bestreden uitspraak gemaakte bezwaar als beroepschrift aan de rechtbank doorgezonden. 1.5. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. 1.6. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek. 1.7. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Beoordeling door de rechtbank 2. Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende wettelijke regels van belang. 2.1. Uit artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet volgt dat op de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen (onder andere) de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en de Invorderingswet 1990 van toepassing is. 2.2. In de artikelen 27quinquies tot en met 31a van de Invorderingswet 1990 staan de toepasselijke bepalingen over invorderingsrente. In artikel 30, tweede lid, van de Invorderingswet 1990 staat dat voor bezwaar en beroep hoofdstuk V van de AWR van toepassing is. 2.3. Hoofdstuk V van de AWR bestaat uit de artikelen 22j tot en met 30e. In artikel 26, eerste lid, van de AWR staat dat tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft: een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of een voor bezwaar vatbare beschikking. 2.4. In artikel 7:1, eerste lid en aanhef, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen bezwaar dient te maken. 3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de heffingsambtenaar het namens eiseres gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard. Voor dit oordeel is het volgende van belang. 3.1. In de aanmaning staat onder andere het volgende: “ Niet eens met de aanmaningskosten? U kunt binnen zes weken een bezwaar indienen bij het hoofd van het bureau Heffen en innen. Dit doet u per mail of schriftelijk. Een mail stuurt u naar belastingen@s-hertogenbosch.nl. Een brief stuurt u aan de gemeente ’s-Hertogenbosch, afdeling Belastingen, Postbus 12345, 5200 GZ, ’s-Hertogenbosch. In uw bezwaar vermeldt u waarom u het niet eens bent met de aanmaningskosten. ” 3.2. Eiseres heeft in haar bezwaarschrift het volgende ‘feitenoverzicht’ opgenomen: “Op 30 oktober 2024 werd aanslag ten bedrage van € 926,84 gegrond verklaard. Op 22 december 2024 is € 223,93 betaald, waarvan € 14 werd afgeboekt als rente. Op 7 januari 2025 is € 50 aan rente bijgeschreven. Op 30 april 2025 volgde een eindafrekening met € 39 rente en € 21 aanmaningskosten. In totaal is dus € 103 aan rente geheven .” 3.3. In de bestreden uitspraak is – voor zover van belang – het volgende overwogen: “ U tekende namens uw cliënt bezwaar aan tegen de opgelegde aanmaning d.d. 30 april 2025. Meer specifiek tegen het op de aanmaning genoemde bedrag aan invorderingsrente, betreffende de tot dusverre belopen rente (nog niet zijnde het definitieve bedrag aan rente). U maakt geen bezwaar tegen de juistheid van de opgelegde aanmaningskosten. De vermelding van de rente betreft op de aanmaning, zoals gezegd, enkel een mededeling en geen voor bezwaar vatbare beschikking. Om die reden staat ook de bezwaarmogelijkheid terzake van de aanmaning ook enkel open tegen de aanmaningskosten. Echter, daar hebt u geen bezwaren tegen ingediend. Ik verklaar u daarom niet-ontvankelijk in uw bezwaar tegen het op de aanmaning genoemde bedrag aan invorderingskosten. ” 3.4. Eiseres vindt het onterecht dat haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard. Zij stelt in beroep dat de heffingsambtenaar inconsistent gebruikmaakt van de termen rente en aanmaningskosten (paragraaf 5.3, randnummers 42 tot en met 44). Ook is volgens eiseres de heffingsambtenaar niet duidelijk geweest over of (in bezwaar) er mogelijk toch nog andere aspecten dan de aanmaningskosten ter discussie konden staan (paragraaf 8, randnummers 57 tot en met 60). Wel erkent eiseres dat zijn geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten, maar zij vindt dat de heffingsambtenaar haar in de gelegenheid had moeten stellen om dit verzuim te herstellen (paragraaf 9, randnummers 75 tot en met 78). In haar conclusie van repliek merkt eiseres echter op dat haar bezwaar (ook) tegen de aanmaningskosten was gericht (randnummer 138). 3.5. De heffingsambtenaar blijft erbij dat hij het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. In zijn verweerschrift merkt hij op dat het belastingrecht een gesloten stelsel van rechtsmiddelen kent. Dat betekent dat alleen bezwaar en beroep kan worden ingesteld tegen beslissingen die in de belastingwetgeving zijn aanmerkt als voor bezwaar vatbaar. Gelet op artikel 28, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 30 van de lnvorderingswet 1990 is de in de aanmaning genoemde rente nog niet definitieve rente en is in zoverre geen sprake van een voor bezwaar vatbare beschikking. 3.6. De rechtbank overweegt als volgt. 3.6.1. Tegen de in de aanmaning opgenomen (voorlopig berekende) rente staat geen bezwaar (en beroep) open. Dit volgt uit de in overwegingen 2.1. tot en met 2.4. van deze uitspraak opgenomen wettelijke bepalingen. Eiseres stelt dit ook niet ter discussie. 3.6.2. Het meest vergaande standpunt van eiseres is dat zij (ook) bezwaar heeft gemaakt tegen de aanmaningskosten en dat om die reden haar bezwaar daartegen inhoudelijk had moeten worden behandeld. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Uit het bezwaarschrift van eiseres volgt dat zij heeft gezien dat in de aanmaning zowel aanmaningskosten als rente is opgenomen, wat blijkt uit het daarin opgenomen (in overweging 3.2. van deze uitspraak aangehaalde) ‘feitenoverzicht’. In het bezwaarschrift stelt eiseres vervolgens alleen de rente ter discussie. Zij verzoekt (tot slot) ook om herziening en herberekening daarvan. In het bezwaarschift bestrijdt eiseres de aanmaningskosten niet. Sterker nog: na het ‘feitenoverzicht’ noemt eiseres deze kosten in het geheel niet meer. Verder merkt eiseres in genoemd ‘feitenoverzicht’ op dat er “€ 103 aan rente [is] geheven.” Tot dit totaal wordt gekomen door de daarvoor genoemde bedragen van € 14, € 50 en € 39 bij elkaar op te tellen en de € 21 aan aanmaningskosten buiten beschouwing te laten. Dit alles betekent dat de aanmaningskosten door eiseres in bezwaar niet zijn bestreden, ook niet impliciet. 3.6.3. Eiseres voert verder aan dat de heffingsambtenaar haar in de gelegenheid had moeten stellen om het niet indienen van bezwaargronden tegen de aanmaningskosten te herstellen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In artikel 6:6 van de Awb staat dat de heffingsambtenaar een herstelmogelijkheid moet bieden, onder andere als het bezwaarschrift niet de (in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb voorgeschreven) gronden bevat. Dat gaat dus over de situatie dat in een bezwaarschrift in het geheel geen gronden staan. Van die situatie is geen sprake. Eiseres heeft uitvoerige gronden ingediend, maar tegen een onderdeel van de aanmaning waartegen geen bezwaar (en beroep) openstaat. Daarbij is ook van belang dat eiseres er in de aanmaning expliciet op is gewezen dat (alleen) bezwaar openstaat als zij het niet eens is met de aanmaningskosten. 3.6.4.