ECLI:NL:RBOBR:2016:1290
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 15/6351
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 maart 2016 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M.T. Wigger),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: G.M.M. Diebels).
Bij besluit van 29 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toekenning van een onderwijsvoorziening in de vorm van vergoeding van de kosten van een doventolk ten behoeve van zijn HBO-opleiding ICT afgewezen.
Bij besluit van 2 november 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en K. Neckermann als (doven)tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en
mr. S.D.M. Michael, leden, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2. Eiser, geboren op [geboortedag] 1985, is prelinguaal doof en ontvangt sinds 2007 een Wajong-uitkering in verband met de uit zijn aandoening voortvloeiende communicatieve beperkingen. Eiser heeft de MBO-opleiding Middenkader Bouwkunde op 15 juli 2007 met goed gevolg afgesloten. Een in september 2007 begonnen HBO-opleiding Bouwkunde heeft eiser niet afgerond. Van 25 oktober 2011 tot 30 november 2014 is eiser werkzaam geweest bij een tweetal werkgevers in de bouwsector. Vanwege de crisis in de bouwsector is eiser werkloos geraakt en hij heeft tot 1 februari 2015 een uitkering krachtens de Werkloosheidswet genoten. Sinds februari 2015 volgt eiser de voltijdse vierjarige HBO-opleiding ICT aan de Fontys Hogeschool te Eindhoven.
3. Bij besluit van 26 maart 2015 heeft verweerder aan eiser ten behoeve van deze opleiding op grond van de Wet Overige OCW-subsidies (WOOS) over de periode van 1 februari 2015 tot en met 31 augustus 2015 een vergoeding voor de kosten van een doventolk toegekend. Tevens heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij na het studiejaar 2014-2015 geen recht meer heeft op een vergoeding op grond van de WOOS omdat hij op [geboortedag] 2015 de leeftijd van 30 jaar bereikt. Bij besluit van 25 juni 2015 is het bezwaar van eiser, gericht tegen de mededeling dat na het studiejaar 2014-2015 geen vergoeding meer mogelijk is, niet-ontvankelijk verklaard, omdat voormelde mededeling louter ter voorlichting is bedoeld en niet op rechtsgevolg is gericht.
4. Op 2 juli 2015 heeft eiser verzocht om verlenging van de aan hem toegekende vergoeding voor de kosten van een doventolk voor het studiejaar 2015/2016. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat uit artikel 19a van de WOOS volgt dat deze onderwijsvoorziening slechts kan worden toegekend aan iemand jonger dan 30 jaar. Aangezien eiser op [geboortedag] 2015 30 jaar is geworden, kan hij niet (meer) in aanmerking komen voor deze onderwijsvoorziening.
5. Artikel 19a van de WOOS luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, bedoeld in artikel 1 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft tot taak te bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die de ingezetene, bedoeld in artikel 1:2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs, indien het een persoon betreft die:
a. (…);
b. (…);
c. jonger is dan 30 jaar en uitsluitend vanwege zijn ziekte of gebrek niet kan worden aangemerkt als studerende bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
2. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan op aanvraag van degene, bedoeld in het eerste lid, toekennen:
a. voorzieningen die hem in staat stellen onderwijs te volgen, (…)
(…).
7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot dit artikel nadere regels worden gesteld.”
Het Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap (het Uitvoeringsbesluit) is de in het zevende lid bedoelde algemene maatregel van bestuur.
Artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“1. Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de wet worden uitsluitend verstaan:
(…);
b. intermediaire activiteiten ten behoeve van personen met een auditieve handicap;
(...).”
Artikel 8 van het Uitvoeringsbesluit luidt:
“De verlening van een intermediaire activiteit als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de wet, vindt plaats door vergoeding van de kosten voor bemiddeling bij het vinden van en voor het gebruik van een intermediaire activiteit.”
6. Eiser voert allereerst aan dat met artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder c van de WOOS sprake is van discriminatie op grond van handicap, omdat gehandicapte (dove) studenten van 30 jaar en ouder door de gestelde leeftijdsgrens van 30 jaar worden beperkt in hun mogelijkheden om onderwijs te volgen, terwijl deze beperking niet geldt voor niet-dove studenten.
7. De rechtbank stelt vast dat in artikel 19a van de WOOS enkel sprake is van een onderscheid naar leeftijd binnen eenzelfde homogene groep (personen met een ziekte of gebrek). De regeling maakt dus geen onderscheid naar handicap en is juist gericht op personen die wegens ziekte of gebrek belemmeringen ondervinden bij het volgen van onderwijs. Gelet hierop kan eiser niet gevolgd worden in zijn stelling dat in artikel 19a van de WOOS sprake is van een ontoelaatbaar onderscheid (discriminatie) op grond van handicap.
8. Eiser heeft daarnaast aangevoerd dat de in artikel 19a, eerste lid aanhef en onder c, van de WOOS opgenomen leeftijdsgrens van 30 jaar een verboden onderscheid naar leeftijd behelst, hetgeen (onder meer) strijdig is te achten met de Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (de Richtlijn), artikel 21 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest), artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9. Mede gelet op het verhandelde ter zitting kan en zal de rechtbank de vraag naar de toepasselijkheid van de Richtlijn en het Handvest in deze zaak in het midden laten. Zowel het recht van de Unie als de artikelen 26 van het IVBPR en 14 van het EVRM verbieden immers op in de kern vergelijkbare wijze niet ieder onderscheid naar leeftijd, maar alleen dat onderscheid dat als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Meer in het bijzonder vormen verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie indien zij objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn te achten.
10. Bij de beoordeling van de vraag of verweerder in strijd heeft gehandeld met het algemeen beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd, dient in dit geval daarom eerst te worden gekeken naar het onderliggende doel van artikel 19a van de WOOS.
11. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 19a van de WOOS leidt de rechtbank af dat de wetgever door middel van het verstrekken van voorzieningen jongeren met een handicap in staat heeft willen stellen deel te nemen aan het initieel regulier onderwijs om op die wijze een startkwalificatie te verkrijgen alvorens zij aan het arbeidsproces gaan deelnemen (zie: TK 2007-2008, 31 383, nr. 3, p. 2). Met betrekking tot de leeftijdsgrens van 30 jaar bij doventolken heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap, recent bij brief van 9 november 2015 (nummer 2015D42775) kamervragen van de leden Van Weyenberg en Van Meenen op dit punt als volgt beantwoord:
“Deze 30-jarengrens markeert de grens waarbij de verantwoordelijkheid van de overheid voor het kunnen volgen van onderwijs afneemt en de verantwoordelijkheid daarvoor meer bij de burger komt te liggen. De verantwoordelijkheid van de overheid om de arbeidsmarktkansen van haar burgers te bevorderen blijft ook ten aanzien van mensen die de leeftijd van 30 jaar zijn gepasseerd. Wanneer UWV het ter bevordering van de inschakeling in het arbeidsproces noodzakelijk vindt dat een cliënt een opleiding volgt kan het – op grond van de Wet WIA of Wet Wajong – een doventolk vergoeden ten behoeve van het kunnen volgen van die opleiding.