Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-11-18
ECLI:NL:RBNNE:2025:4751
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,462 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:4751 text/xml public 2026-03-24T16:43:52 2025-11-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-11-18 LEE 24/2618 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021903 V-N Vandaag 2026/325 FutD 2026-0329 NDFR Nieuws 2026/371 V-N 2026/12.23 met annotatie van Redactie NTFR 2026/528 met annotatie van mr. J. Hollander http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:4751 text/html public 2026-02-19T09:48:29 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:4751 Rechtbank Noord-Nederland , 18-11-2025 / LEE 24/2618 In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over een schending van de opbrengstlimiet bij de rioolheffing. De rechtbank oordeelt dat - anders dan eiseres stelt - geen sprake is van het achteraf toerekenen van kosten die elders reeds gedekt waren in de begroting. De heffingsambtenaar maakt met hetgeen hij heeft overgelegd, en zijn toelichting ter zitting, aannemelijk dat de betreffende kosten in de begroting reeds aan de rioolheffing waren toegerekend. Tussen is partijen niet (meer) in geschil dat bij de raming van de afschrijvingslasten op investeringen gedaan in de periode 2003-2012 ten onrechte is gerekend met 21% btw. Deze omissie heeft tot gevolg dat de opbrengstlimiet met € 3.681, ofwel 0,25%, wordt overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank geldt nog steeds het uitgangspunt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999 dat een overschrijding met een verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein bedrag (een marginale overschrijding) niet maakt dat de verordening ‘onverbindend’ is. Aan de overschrijding van de opbrengstlimiet met 0,25% verbindt de rechtbank daarom geen gevolgen. Omdat de bezwaarprocedure veel te lang heeft geduurd heeft eiseres wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.500. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2618 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 november 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P.F. van der Muur), en de heffingsambtenaar van de gemeente Eemsdelta, de heffingsambtenaar, (gemachtigde: mr. [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 mei 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het jaar 2015 middels één aanslagbiljet 675 aanslagen in de rioolheffing opgelegd ter hoogte van in totaal € 215.223,75. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door mr. R. Froentjes, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . Feiten 2.1. Eiseres is eigenaar van een meerdere woningen in de gemeente Eemsdelta. 2.2. De aanslag rioolheffing is gebaseerd op de Verordening rioolheffing 2015 van de gemeente Loppersum (de verordening). De gemeente Loppersum is per 1 januari 2021 opgegaan in de gemeente Eemsdelta. 2.3. In de Begroting van de gemeente Loppersum 2015 (de begroting) is voor wat betreft het programma Milieu het volgende overzicht opgenomen: 2.4. Van de raming van het in de begroting opgenomen product ‘Riolen en rioolgemalen’ heeft de heffingsambtenaar de volgende specificatie overgelegd: 2.5. Van de raming van het in de begroting opgenomen product ‘Kosten rioolheffing’ heeft de heffingsambtenaar de volgende specificatie overgelegd: 2.6. De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarprocedure aan eiseres het volgende overzicht verstrekt: 2.7. In beroep heeft de heffingsambtenaar het volgende overzicht verstrekt: Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt het geschil dat gaat over het antwoord op de vraag of de verordening verbindende kracht mist dan wel gedeeltelijk buiten toepassing moet blijven (partieel onverbindend is) wegens overschrijding van de opbrengstlimiet. Bewijslast 4. Bij de beoordeling van een geschil inzake de opbrengstlimiet zijn de regels rond de stelplicht en bewijslast van belang zoals deze door de Hoge Raad zijn uitgewerkt in (onder andere) zijn arresten van 4 april 2014 en 18 april 2014. Die regels omtrent de bewijslastverdeling kunnen als volgt worden samengevat. Indien een belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de raming van baten en lasten die in de begroting is opgenomen of daarop is terug te voeren. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verwacht dat hij van alle in de verordeningen en de eventuele bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op belanghebbende rust, dient hij, nadat de heffingsambtenaar aldus inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Vervolgens dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van belanghebbende betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. Zijn de geraamde lasten terug te voeren op de begroting? 5. Eiseres stelt - samengevat - het volgende. In de begroting staat in totaal € 1.367.000 exclusief btw aan geraamde lasten (producten ‘Riolen en rioolgemalen’ van € 1.352.000 en ‘Kosten rioolheffing’ van € 15.000, zie 2.3.). De baten zijn in de begroting geraamd op € 1.371.000. Deze baten en lasten sluiten aan op de specificaties van de ramingen van die producten (zie 2.4. en 2.5.). Op de nadere specificatie die de heffingsambtenaar heeft overgelegd, staat een aantal extra posten, namelijk: watertaken, vegen 50%, afvoer veegafval 50%, kolkenzuigen 100%, afvoer slib 100% en kosten baggeren (zie 2.7.). Deze posten tellen op tot € 64.057 inclusief btw. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2021 is het niet toegestaan achteraf nog bepaalde kosten toe te rekenen die al elders in de begroting zijn gedekt. Daarom moeten deze kosten buiten beschouwing gelaten worden, aldus eiseres. 6. De heffingsambtenaar stelt - samengevat - het volgende. De posten die eiseres noemt, waren onderdeel van de begroting én waren ook in de begroting al aangemerkt als lasten die samenhangen met en toegerekend zijn aan de kosten ter zake waarvan de rioolheffing wordt geheven. Ze waren op de producten ramingen van de producten ‘Riolen en rioolgemalen’ en ‘Kosten rioolheffing’ echter niet zichtbaar omdat ze opgenomen zijn onder het product ‘Milieu’. In het later overgelegde overzicht staan alle lasten die toegerekend zijn aan de rioolheffing onder elkaar (zie 2.6. en 2.7.). Aan de onttrekking van € 80.500 uit de egalisatiereserve is te zien dat alle posten in het overzicht reeds onderdeel uitmaakten van de raming in het kader van de rioolheffing. Waren die posten niet al eerder toegerekend aan de rioolheffing, dan was de onttrekking lager geweest. 7. De rechtbank overweegt als volgt.
Volledig
ECLI:NL:RBNNE:2025:4751 text/xml public 2026-04-29T10:06:51 2025-11-20 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2025-11-18 LEE 24/2618 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Groningen Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021903 V-N Vandaag 2026/325 FutD 2026-0329 NDFR Nieuws 2026/371 V-N 2026/12.23 met annotatie van Redactie NTFR 2026/528 met annotatie van mr. J. Hollander Belastingblad 2026/170 met annotatie van J.G.E. Gieskes, Redactie http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2025:4751 text/html public 2026-02-19T09:48:29 2026-02-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2025:4751 Rechtbank Noord-Nederland , 18-11-2025 / LEE 24/2618 In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over een schending van de opbrengstlimiet bij de rioolheffing. De rechtbank oordeelt dat - anders dan eiseres stelt - geen sprake is van het achteraf toerekenen van kosten die elders reeds gedekt waren in de begroting. De heffingsambtenaar maakt met hetgeen hij heeft overgelegd, en zijn toelichting ter zitting, aannemelijk dat de betreffende kosten in de begroting reeds aan de rioolheffing waren toegerekend. Tussen is partijen niet (meer) in geschil dat bij de raming van de afschrijvingslasten op investeringen gedaan in de periode 2003-2012 ten onrechte is gerekend met 21% btw. Deze omissie heeft tot gevolg dat de opbrengstlimiet met € 3.681, ofwel 0,25%, wordt overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank geldt nog steeds het uitgangspunt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999 dat een overschrijding met een verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein bedrag (een marginale overschrijding) niet maakt dat de verordening ‘onverbindend’ is. Aan de overschrijding van de opbrengstlimiet met 0,25% verbindt de rechtbank daarom geen gevolgen. Omdat de bezwaarprocedure veel te lang heeft geduurd heeft eiseres wel recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.500. RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/2618 uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 november 2025 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. P.F. van der Muur), en de heffingsambtenaar van de gemeente Eemsdelta, de heffingsambtenaar, (gemachtigde: mr. [naam 1] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 2 mei 2024. 1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres voor het jaar 2015 middels één aanslagbiljet 675 aanslagen in de rioolheffing opgelegd ter hoogte van in totaal € 215.223,75. 1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de aanslag gehandhaafd. 1.3. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4. De heffingsambtenaar heeft nadere stukken ingediend. 1.5. De rechtbank heeft het beroep op 25 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, bijgestaan door mr. R. Froentjes, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 2] en [naam 3] . Feiten 2.1. Eiseres is eigenaar van een meerdere woningen in de gemeente Eemsdelta. 2.2. De aanslag rioolheffing is gebaseerd op de Verordening rioolheffing 2015 van de gemeente Loppersum (de verordening). De gemeente Loppersum is per 1 januari 2021 opgegaan in de gemeente Eemsdelta. 2.3. In de Begroting van de gemeente Loppersum 2015 (de begroting) is voor wat betreft het programma Milieu het volgende overzicht opgenomen: 2.4. Van de raming van het in de begroting opgenomen product ‘Riolen en rioolgemalen’ heeft de heffingsambtenaar de volgende specificatie overgelegd: 2.5. Van de raming van het in de begroting opgenomen product ‘Kosten rioolheffing’ heeft de heffingsambtenaar de volgende specificatie overgelegd: 2.6. De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarprocedure aan eiseres het volgende overzicht verstrekt: 2.7. In beroep heeft de heffingsambtenaar het volgende overzicht verstrekt: Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank beoordeelt het geschil dat gaat over het antwoord op de vraag of de verordening verbindende kracht mist dan wel gedeeltelijk buiten toepassing moet blijven (partieel onverbindend is) wegens overschrijding van de opbrengstlimiet. Bewijslast 4. Bij de beoordeling van een geschil inzake de opbrengstlimiet zijn de regels rond de stelplicht en bewijslast van belang zoals deze door de Hoge Raad zijn uitgewerkt in (onder andere) zijn arresten van 4 april 2014 en 18 april 2014. Die regels omtrent de bewijslastverdeling kunnen als volgt worden samengevat. Indien een belanghebbende overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van de heffingsambtenaar inzicht te geven in de raming van baten en lasten die in de begroting is opgenomen of daarop is terug te voeren. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Van de heffingsambtenaar mag niet worden verwacht dat hij van alle in de verordeningen en de eventuele bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe de kosten ter zake daarvan zijn geraamd. Omdat de bewijslast van de feiten die overschrijding van de opbrengstlimiet onderbouwen op belanghebbende rust, dient hij, nadat de heffingsambtenaar aldus inzicht heeft verschaft, voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Vervolgens dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van belanghebbende betwist en waarom dus naar zijn oordeel de door belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is. Zijn de geraamde lasten terug te voeren op de begroting? 5. Eiseres stelt - samengevat - het volgende. In de begroting staat in totaal € 1.367.000 exclusief btw aan geraamde lasten (producten ‘Riolen en rioolgemalen’ van € 1.352.000 en ‘Kosten rioolheffing’ van € 15.000, zie 2.3.). De baten zijn in de begroting geraamd op € 1.371.000. Deze baten en lasten sluiten aan op de specificaties van de ramingen van die producten (zie 2.4. en 2.5.). Op de nadere specificatie die de heffingsambtenaar heeft overgelegd, staat een aantal extra posten, namelijk: watertaken, vegen 50%, afvoer veegafval 50%, kolkenzuigen 100%, afvoer slib 100% en kosten baggeren (zie 2.7.). Deze posten tellen op tot € 64.057 inclusief btw. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2021 is het niet toegestaan achteraf nog bepaalde kosten toe te rekenen die al elders in de begroting zijn gedekt. Daarom moeten deze kosten buiten beschouwing gelaten worden, aldus eiseres. 6. De heffingsambtenaar stelt - samengevat - het volgende. De posten die eiseres noemt, waren onderdeel van de begroting én waren ook in de begroting al aangemerkt als lasten die samenhangen met en toegerekend zijn aan de kosten ter zake waarvan de rioolheffing wordt geheven. Ze waren op de producten ramingen van de producten ‘Riolen en rioolgemalen’ en ‘Kosten rioolheffing’ echter niet zichtbaar omdat ze opgenomen zijn onder het product ‘Milieu’. In het later overgelegde overzicht staan alle lasten die toegerekend zijn aan de rioolheffing onder elkaar (zie 2.6. en 2.7.). Aan de onttrekking van € 80.500 uit de egalisatiereserve is te zien dat alle posten in het overzicht reeds onderdeel uitmaakten van de raming in het kader van de rioolheffing. Waren die posten niet al eerder toegerekend aan de rioolheffing, dan was de onttrekking lager geweest. 7. De rechtbank overweegt als volgt.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het overzicht (zie 2.7.), de overgelegde productenramingen en zijn toelichting ter zitting daarop aannemelijk heeft gemaakt dat de betwiste posten die optellen tot € 64.057 terug te voeren zijn op de begroting én ook dat deze in de begroting reeds aangemerkt waren als geraamde kosten ter zake waarvan de rioolheffing wordt geheven. Dat niet in de begroting staat dat een deel van de € 408.000 van het product ‘Milieu’ wordt toegerekend aan de lasten ter zake van de rioolheffing, is niet doorslaggevend. Het is juist aan de heffingsambtenaar om, in een geval als het voorliggende waarin een schending van de opbrengstlimiet wordt gesteld, vervolgens inzichtelijk te maken hoe het zit (zie ook 4.). Dat heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank gedaan door middel van het overzicht (zie 2.7.), de productenramingen en zijn toelichting daarop. Wat betreft de productenramingen merkt de rechtbank nog op, dat de betwiste posten ook daarin voorkomen. In de raming van het product ‘Rioolheffing’, die is opgenomen na de raming van de directe lasten (2.4) en de baten (2.5), gaat de telling door met de betreffende posten (zie onderaan 2.5). Met inachtneming daarvan (en van de mutatie reserve kapitaallasten GRP) komt de lastenraming inclusief btw uit op € 1.452.043. Het verschil met de geraamde baten uit deze productenraming ad € 1.371.543 is € 80.500, welk bedrag gelijk is aan de mutatie van de egalisatiereserve waar de heffingsambtenaar op wijst (zie 6.) en welk bedrag eveneens (als zodanig) in deze productenraming is opgenomen. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat de stelling van eiseres feitelijke grondslag mist: de heffingsambtenaar heeft niet achteraf elders reeds gedekte kosten toegerekend aan de rioolheffing. De heffingsambtenaar heeft laten zien dat een deel van de van aanvang af aan de rioolheffing toegerekende lasten in de begroting een ander labeltje had (‘Milieu’) en dat is precies wat de heffingsambtenaar hier moest doen. Verkeerd btw-tarief voor investeringen 8. Eiseres heeft verder gesteld dat voor wat betreft de geraamde afschrijvingslasten op de investeringen gedaan in de periode 2003-2012 ten onrechte gerekend is met 21% btw. In deze periode (waarin de betreffende investeringen zijn gedaan) was het btw-tarief 19%. De geraamde lasten moeten daarom met € 3.681 verlaagd worden. De heffingsambtenaar heeft ter zitting erkend dat ten onrechte is gerekend met 21% btw. 9. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat in de begroting ten onrechte is gerekend met een btw-percentage van 21% voor investeringslasten die voortkomen uit investeringen in de periode 2003-2012. De lasten zijn daardoor tot een bedrag van € 3.681 te hoog geraamd. Omdat de geraamde baten en lasten precies in evenwicht waren, brengt deze correctie van de lasten een overschrijding van de opbrengstlimiet van € 3.681 met zich mee. Procentueel gaat het om een overschrijding van afgerond 0,25% (€ 1.452.043 / € 1.448.362 ≈ 100,25%). Wat zijn de gevolgen van een overschrijding van de opbrengstlimiet van 0,25%? 10. De heffingsambtenaar stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999, dat een overschrijding van de opbrengstlimiet van 0,25% zonder gevolgen voor de verordening en de aanslagen dient te blijven. 11. Eiseres stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009, dat de verordening partieel onverbindend verklaard moet worden en dat de aanslagen daarom naar rato van de overschrijding verminderd moeten worden. 12. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van 3 november 1999 overweegt de Hoge Raad dat een overschrijding met een verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein bedrag (een marginale overschrijding) niet maakt dat de verordening ‘onverbindend’ is. De Hoge Raad vult dat nader in door te zeggen dat moet worden aanvaard dat een overschrijding ‘met enkele promillen niet tot onverbindendheid van de verordening leidt’ (r.o. 3.1). In het arrest van 10 april 2009 geeft de Hoge Raad (r.o. 3.3.2) eerst aan wat de hoofdregel is bij een limietoverschrijding: dat is ‘slechts’ partiële onverbindendheid. De Hoge Raad geeft daarna de uitzondering op de regel. De tariefstelling uit de verordening kan ook algeheel onverbindend zijn, maar alleen als is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden: (1) het moet de gemeente op voorhand duidelijk zijn geweest dat er geen sprake was van (een) last(en) ter zake en (2) de overschrijding is 10% of meer. Ook een overschrijding van 30% kan zo doende betekenen dat de aanslag naar rato moet worden verminderd, namelijk als niet aan de eerste voorwaarde is voldaan. 13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009 volgt niet duidelijk hoe dat arrest zich verhoudt tot het arrest van 3 november 1999. Dat komt vooral doordat het onderscheid tussen partiële en algehele onverbindendheid dat de Hoge Raad in het arrest uit 2009 maakt, niet voorkomt in het arrest uit 1999. Uit de tekst van het arrest van 10 april 2009 kan de rechtbank vervolgens niet met zekerheid afleiden of de Hoge Raad de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 – dat een marginale overschrijding van de opbrengstlimiet zonder gevolgen voor de verbindendheid blijft – heeft gehandhaafd en alleen heeft verbijzonderd door een systeem van partiële en algehele onverbindendheid te ontwikkelen, of dat de Hoge Raad een ten dele nieuwe rechtsregel heeft geformuleerd ( partiële onverbindendheid is de norm) die losstaat van de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 (die alleen de algehele onverbindendheid betrof). 14. Na het wijzen van het arrest van 10 april 2009 is in de lagere rechtspraak de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 nog geregeld toegepast in gevallen van marginale overschrijding. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat er in de feitenrechtspraak van wordt uitgegaan dat het arrest van 10 april 2009 alleen gevolgen heeft voor meer dan marginale overschrijdingen. In de betreffende uitspraken wordt daarover echter niets expliciet overwogen. 15. De rechtbank acht deze huidige uitleg in de feitenrechtspraak – dus dat de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 niet in wezen is vervangen door een nieuwe rechtsregel uit het arrest van 10 april 2009 – de juiste. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 16. In de aan het arrest van 10 april 2009 voorafgaande procedure had het gerechtshof geoordeeld dat er sprake was van een overschrijding met meer dan een verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein bedrag als bedoeld in het arrest van 3 november 1999, zodat de aanslag dús moest worden vernietigd. Het gerechtshof had de verordening daarom geheel onverbindend verklaard. In cassatie voerde de heffingsambtenaar onder meer aan dat het gerechtshof de verordening niet geheel onverbindend had mogen verklaren, maar de aanslag naar rato had moeten verminderen. De Hoge Raad reageerde daarop door te overwegen dat dat iets te kort door de bocht is. De rechtbank kan daaruit niet meer afleiden dan dat de Hoge Raad heeft gezegd: ‘niet elke meer dan verwaarloosbaar kleine overschrijding levert meteen algehele onverbindendheid op’. Met het bedoelde cassatiemiddel in het achterhoofd, leest de rechtbank in het arrest van 10 april 2009 dus (1) een nieuwe hoofdregel (partiële onverbindendheid) die geldt voor elke meer dan verwaarloosbaar kleine overschrijding die hetzij geringer is dan 10%, hetzij niet is veroorzaakt door een overduidelijke misser van de gemeente en (2) een verbijzondering (extra voorwaarden) voor het rechtsgevolg van algehele onverbindendheid (de uitzondering). In wezen is de tussencategorie (partieel onverbindend) nieuw en is er meteen een ‘hard’ kantelpunt tussen het partieel of algeheel onverbindend zijn van een verordening gegeven. Het gaat om de grens van 10%: daaronder moet vermindering naar rato plaatsvinden en daarboven volgt soms algehele vernietiging. Er is, zo bezien, echter geen reden om aan te nemen dat met het (aanvullend) formuleren van die rechtsregels de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 achterhaald is.
Volledig
De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het overzicht (zie 2.7.), de overgelegde productenramingen en zijn toelichting ter zitting daarop aannemelijk heeft gemaakt dat de betwiste posten die optellen tot € 64.057 terug te voeren zijn op de begroting én ook dat deze in de begroting reeds aangemerkt waren als geraamde kosten ter zake waarvan de rioolheffing wordt geheven. Dat niet in de begroting staat dat een deel van de € 408.000 van het product ‘Milieu’ wordt toegerekend aan de lasten ter zake van de rioolheffing, is niet doorslaggevend. Het is juist aan de heffingsambtenaar om, in een geval als het voorliggende waarin een schending van de opbrengstlimiet wordt gesteld, vervolgens inzichtelijk te maken hoe het zit (zie ook 4.). Dat heeft de heffingsambtenaar naar het oordeel van de rechtbank gedaan door middel van het overzicht (zie 2.7.), de productenramingen en zijn toelichting daarop. Wat betreft de productenramingen merkt de rechtbank nog op, dat de betwiste posten ook daarin voorkomen. In de raming van het product ‘Rioolheffing’, die is opgenomen na de raming van de directe lasten (2.4) en de baten (2.5), gaat de telling door met de betreffende posten (zie onderaan 2.5). Met inachtneming daarvan (en van de mutatie reserve kapitaallasten GRP) komt de lastenraming inclusief btw uit op € 1.452.043. Het verschil met de geraamde baten uit deze productenraming ad € 1.371.543 is € 80.500, welk bedrag gelijk is aan de mutatie van de egalisatiereserve waar de heffingsambtenaar op wijst (zie 6.) en welk bedrag eveneens (als zodanig) in deze productenraming is opgenomen. De conclusie van de rechtbank is dan ook dat de stelling van eiseres feitelijke grondslag mist: de heffingsambtenaar heeft niet achteraf elders reeds gedekte kosten toegerekend aan de rioolheffing. De heffingsambtenaar heeft laten zien dat een deel van de van aanvang af aan de rioolheffing toegerekende lasten in de begroting een ander labeltje had (‘Milieu’) en dat is precies wat de heffingsambtenaar hier moest doen. Verkeerd btw-tarief voor investeringen 8. Eiseres heeft verder gesteld dat voor wat betreft de geraamde afschrijvingslasten op de investeringen gedaan in de periode 2003-2012 ten onrechte gerekend is met 21% btw. In deze periode (waarin de betreffende investeringen zijn gedaan) was het btw-tarief 19%. De geraamde lasten moeten daarom met € 3.681 verlaagd worden. De heffingsambtenaar heeft ter zitting erkend dat ten onrechte is gerekend met 21% btw. 9. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat in de begroting ten onrechte is gerekend met een btw-percentage van 21% voor investeringslasten die voortkomen uit investeringen in de periode 2003-2012. De lasten zijn daardoor tot een bedrag van € 3.681 te hoog geraamd. Omdat de geraamde baten en lasten precies in evenwicht waren, brengt deze correctie van de lasten een overschrijding van de opbrengstlimiet van € 3.681 met zich mee. Procentueel gaat het om een overschrijding van afgerond 0,25% (€ 1.452.043 / € 1.448.362 ≈ 100,25%). Wat zijn de gevolgen van een overschrijding van de opbrengstlimiet van 0,25%? 10. De heffingsambtenaar stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999, dat een overschrijding van de opbrengstlimiet van 0,25% zonder gevolgen voor de verordening en de aanslagen dient te blijven. 11. Eiseres stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009, dat de verordening partieel onverbindend verklaard moet worden en dat de aanslagen daarom naar rato van de overschrijding verminderd moeten worden. 12. De rechtbank overweegt als volgt. In het arrest van 3 november 1999 overweegt de Hoge Raad dat een overschrijding met een verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein bedrag (een marginale overschrijding) niet maakt dat de verordening ‘onverbindend’ is. De Hoge Raad vult dat nader in door te zeggen dat moet worden aanvaard dat een overschrijding ‘met enkele promillen niet tot onverbindendheid van de verordening leidt’ (r.o. 3.1). In het arrest van 10 april 2009 geeft de Hoge Raad (r.o. 3.3.2) eerst aan wat de hoofdregel is bij een limietoverschrijding: dat is ‘slechts’ partiële onverbindendheid. De Hoge Raad geeft daarna de uitzondering op de regel. De tariefstelling uit de verordening kan ook algeheel onverbindend zijn, maar alleen als is voldaan aan twee cumulatieve voorwaarden: (1) het moet de gemeente op voorhand duidelijk zijn geweest dat er geen sprake was van (een) last(en) ter zake en (2) de overschrijding is 10% of meer. Ook een overschrijding van 30% kan zo doende betekenen dat de aanslag naar rato moet worden verminderd, namelijk als niet aan de eerste voorwaarde is voldaan. 13. Uit het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009 volgt niet duidelijk hoe dat arrest zich verhoudt tot het arrest van 3 november 1999. Dat komt vooral doordat het onderscheid tussen partiële en algehele onverbindendheid dat de Hoge Raad in het arrest uit 2009 maakt, niet voorkomt in het arrest uit 1999. Uit de tekst van het arrest van 10 april 2009 kan de rechtbank vervolgens niet met zekerheid afleiden of de Hoge Raad de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 – dat een marginale overschrijding van de opbrengstlimiet zonder gevolgen voor de verbindendheid blijft – heeft gehandhaafd en alleen heeft verbijzonderd door een systeem van partiële en algehele onverbindendheid te ontwikkelen, of dat de Hoge Raad een ten dele nieuwe rechtsregel heeft geformuleerd ( partiële onverbindendheid is de norm) die losstaat van de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 (die alleen de algehele onverbindendheid betrof). 14. Na het wijzen van het arrest van 10 april 2009 is in de lagere rechtspraak de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 nog geregeld toegepast in gevallen van marginale overschrijding. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat er in de feitenrechtspraak van wordt uitgegaan dat het arrest van 10 april 2009 alleen gevolgen heeft voor meer dan marginale overschrijdingen. In de betreffende uitspraken wordt daarover echter niets expliciet overwogen. 15. De rechtbank acht deze huidige uitleg in de feitenrechtspraak – dus dat de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 niet in wezen is vervangen door een nieuwe rechtsregel uit het arrest van 10 april 2009 – de juiste. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. 16. In de aan het arrest van 10 april 2009 voorafgaande procedure had het gerechtshof geoordeeld dat er sprake was van een overschrijding met meer dan een verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein bedrag als bedoeld in het arrest van 3 november 1999, zodat de aanslag dús moest worden vernietigd. Het gerechtshof had de verordening daarom geheel onverbindend verklaard. In cassatie voerde de heffingsambtenaar onder meer aan dat het gerechtshof de verordening niet geheel onverbindend had mogen verklaren, maar de aanslag naar rato had moeten verminderen. De Hoge Raad reageerde daarop door te overwegen dat dat iets te kort door de bocht is. De rechtbank kan daaruit niet meer afleiden dan dat de Hoge Raad heeft gezegd: ‘niet elke meer dan verwaarloosbaar kleine overschrijding levert meteen algehele onverbindendheid op’. Met het bedoelde cassatiemiddel in het achterhoofd, leest de rechtbank in het arrest van 10 april 2009 dus (1) een nieuwe hoofdregel (partiële onverbindendheid) die geldt voor elke meer dan verwaarloosbaar kleine overschrijding die hetzij geringer is dan 10%, hetzij niet is veroorzaakt door een overduidelijke misser van de gemeente en (2) een verbijzondering (extra voorwaarden) voor het rechtsgevolg van algehele onverbindendheid (de uitzondering). In wezen is de tussencategorie (partieel onverbindend) nieuw en is er meteen een ‘hard’ kantelpunt tussen het partieel of algeheel onverbindend zijn van een verordening gegeven. Het gaat om de grens van 10%: daaronder moet vermindering naar rato plaatsvinden en daarboven volgt soms algehele vernietiging. Er is, zo bezien, echter geen reden om aan te nemen dat met het (aanvullend) formuleren van die rechtsregels de rechtsregel uit het arrest van 3 november 1999 achterhaald is.
Volledig
Elke verwaarloosbaar kleine overschrijding blijft dus (ook na 10 april 2009) zonder gevolgen. 17. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het gerechtshof (in de uitspraak die heeft geleid tot het arrest van 10 april 2009) ter onderbouwing van zijn oordeel had verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999. De Hoge Raad heeft kennelijk geen aanleiding gezien om uitdrukkelijk afstand te nemen van zijn in dat arrest gegeven oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank had dat wel voor de hand gelegen als de Hoge Raad de opvatting was toegedaan dat een marginale overschrijding wel steeds tot partiële onverbindendheid leidt. 18. De overschrijding van de opbrengstlimiet is in dit geval marginaal in de zin van de hiervoor besproken arresten van de Hoge Raad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank daarom van oordeel dat de overschrijding van de opbrengstlimiet in dit geval zonder gevolgen blijft, omdat die verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein is en (dus) ook niet leidt tot partiële onverbindendheid. Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is ongegrond. Verzoek om immateriële schadevergoeding 20. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat de lange duur van de procedure voor een aanzienlijk deel veroorzaakt lijkt te zijn door het aanhouden van het bezwaar in afwachting van de uitkomst van de procedure over het jaar 2014. Nadat de uitkomst van die procedure bekend was, heeft de behandeling van het bezwaar nog steeds te lang geduurd. De rechtbank heeft vervolgens voorgesteld om de immateriële schadevergoeding vast te stellen op € 2.500, geheel ten laste van de heffingsambtenaar. Partijen hebben aangeven daarmee akkoord te gaan. De rechtbank zal daarom de heffingsambtenaar veroordelen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres van € 2.500. Proceskosten en griffierecht 21. De rechtbank ziet vanwege de toegekende vergoeding van immateriële schade aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten. Naar analogie met het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat voor de berekening van de kosten van professionele rechtsbijstand in gevallen als deze (waarin het beroep inhoudelijk ongegrond is) i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is. Concreet betekent dat een vergoeding van 0,25 * € 907 = € 226,75. 22. Eiseres heeft haar verzoek om immateriële schade voor het eerst gedaan in haar beroepschrift. De rechtbank heeft dat beroepschrift ontvangen op 10 juni 2024. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 geeft de toekenning van de immateriële schadevergoeding dan in dit geval geen aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 2.500; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. F. Brekelmans en mr. O. Brands, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025. w.g. griffier w.g. voorzitter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:HR:2014:777 en ECLI:NL:HR:2014:938. ECLI:NL:HR:2021:360. ECLI:NL:HR:1999:AA2917. ECLI:NL:HR:2009:BC3691. Strikt genomen kan de grens van 10% pas met zekerheid worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248, r.o. 4.3.2. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3458 en Gerechtshof Den Haag 14 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:262. Voor de cassatiemiddelen zie BNB 2009/194. ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2. ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.
Volledig
Elke verwaarloosbaar kleine overschrijding blijft dus (ook na 10 april 2009) zonder gevolgen. 17. Hierbij acht de rechtbank van belang dat het gerechtshof (in de uitspraak die heeft geleid tot het arrest van 10 april 2009) ter onderbouwing van zijn oordeel had verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1999. De Hoge Raad heeft kennelijk geen aanleiding gezien om uitdrukkelijk afstand te nemen van zijn in dat arrest gegeven oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank had dat wel voor de hand gelegen als de Hoge Raad de opvatting was toegedaan dat een marginale overschrijding wel steeds tot partiële onverbindendheid leidt. 18. De overschrijding van de opbrengstlimiet is in dit geval marginaal in de zin van de hiervoor besproken arresten van de Hoge Raad. Gelet op het voorgaande is de rechtbank daarom van oordeel dat de overschrijding van de opbrengstlimiet in dit geval zonder gevolgen blijft, omdat die verhoudingsgewijs verwaarloosbaar klein is en (dus) ook niet leidt tot partiële onverbindendheid. Conclusie en gevolgen 19. Het beroep is ongegrond. Verzoek om immateriële schadevergoeding 20. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen voorgehouden dat de lange duur van de procedure voor een aanzienlijk deel veroorzaakt lijkt te zijn door het aanhouden van het bezwaar in afwachting van de uitkomst van de procedure over het jaar 2014. Nadat de uitkomst van die procedure bekend was, heeft de behandeling van het bezwaar nog steeds te lang geduurd. De rechtbank heeft vervolgens voorgesteld om de immateriële schadevergoeding vast te stellen op € 2.500, geheel ten laste van de heffingsambtenaar. Partijen hebben aangeven daarmee akkoord te gaan. De rechtbank zal daarom de heffingsambtenaar veroordelen tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiseres van € 2.500. Proceskosten en griffierecht 21. De rechtbank ziet vanwege de toegekende vergoeding van immateriële schade aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten. Naar analogie met het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat voor de berekening van de kosten van professionele rechtsbijstand in gevallen als deze (waarin het beroep inhoudelijk ongegrond is) i) een verzoek om schadevergoeding een proceshandeling is waaraan 1 punt wordt toegekend, en ii) op een dergelijk verzoek wegingsfactor 0,25 (zeer licht) zoals voorzien in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht van toepassing is. Concreet betekent dat een vergoeding van 0,25 * € 907 = € 226,75. 22. Eiseres heeft haar verzoek om immateriële schade voor het eerst gedaan in haar beroepschrift. De rechtbank heeft dat beroepschrift ontvangen op 10 juni 2024. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 geeft de toekenning van de immateriële schadevergoeding dan in dit geval geen aanleiding om de heffingsambtenaar op te dragen het griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; veroordeelt de heffingsambtenaar tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiseres tot een bedrag van € 2.500; veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 226,75 aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, voorzitter, en mr. F. Brekelmans en mr. O. Brands, leden, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025. w.g. griffier w.g. voorzitter Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:HR:2014:777 en ECLI:NL:HR:2014:938. ECLI:NL:HR:2021:360. ECLI:NL:HR:1999:AA2917. ECLI:NL:HR:2009:BC3691. Strikt genomen kan de grens van 10% pas met zekerheid worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7248, r.o. 4.3.2. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 april 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:3458 en Gerechtshof Den Haag 14 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:262. Voor de cassatiemiddelen zie BNB 2009/194. ECLI:NL:HR:2023:1526, r.o. 5.2. ECLI:NL:HR:2024:567, r.o. 7.1.1-7.1.2.