Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2025-03-10
ECLI:NL:RBNNE:2025:1117
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,118 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: C/17/199117 / FA RK 25-534
Afwijzing machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel
Beschikking van 10 maart 2025 naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot voortzetting van een crisismaatregel, als bedoeld in artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene]
geboren [geboortedatum] 1967,
wonende [adres] ,
thans verblijvende bij [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. W.A. Bruinsma-Woudstra, kantoorhoudende te Leeuwarden.
1Het procesverloop
1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de officier van justitie, ingekomen bij de griffie op 6 maart 2025, en van de volgende bijlagen:
een afschrift van de beschikking van de burgemeester van de gemeente Leeuwarden d.d. 5 maart 2025;
de medische verklaring d.d. 5 maart 2025;
een verklaring van de griffie dat het curatele- en bewindregister ten aanzien van betrokkene geen gegevens bevat;
gegevens over een eerder voor betrokkene afgegeven machtiging op grond van de Wet Bopz.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 10 maart 2025, op het verblijfsadres van betrokkene. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
betrokkene, bijgestaan door mr. W.A. Bruinsma-Woudstra;
A. Jorna, verpleegkundig specialist;
[partner] , partner van betrokkene.
De officier van justitie heeft op voorhand aangegeven niet op de mondelinge behandeling te
zullen verschijnen.
Beoordeling
2.1.
Op grond van artikel 7:7 Wvggz in samenhang gelezen met artikel 7:8 Wvggz kan de rechter op verzoek van de officier met betrekking tot een betrokkene een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verlenen, indien de burgemeester ten aanzien van deze betrokkene op grond van artikel 7:1 Wvggz een crisismaatregel heeft genomen.
2.2.
Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen.
2.3.
Deze stoornis leidt tot onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, gelegen in:
- ernstige psychische schade;
- ernstige verwaarlozing;
- maatschappelijke teloorgang.
2.4.
Door en namens betrokkene is gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verlenen van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 oktober 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1466). De advocaat bepleit namens betrokkene tot afwijzing van het verzoek. Er is sprake van wilsbekwaam verzet tegen de voorgestelde verplichte zorg, nu niet uit de medische verklaring blijkt dat betrokkene wilsonbekwaam is. Het wilsbekwaam verzet moet worden gerespecteerd aangezien er geen sprake is van acuut levensgevaar voor betrokkene dan wel ernstig gevaar voor derden. Het gestelde ernstig nadeel voortkomend uit de psychische stoornis treft enkel betrokkene zelf, aldus de advocaat.
2.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2:1, lid 6, van de Wvggz bepaalt dat de wensen en voorkeuren van de betrokkene ten aanzien van de verplichte zorg worden gehonoreerd, tenzij:
"a. de betrokkene niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, of
b. acuut levensgevaar voor de betrokkene dreigt dan wel er een aanzienlijk risico voor een ander is op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ontwikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is."
Uit de toelichting op deze bepaling volgt dat zogeheten wilsbekwaam verzet moet worden gerespecteerd, indien de psychische stoornis van de patiënt alleen een aanmerkelijke kans op schade voor de betrokkene zelf veroorzaakt (niet zijnde levensgevaar). De honorering van wilsbekwaam verzet geldt voor zowel de voorbereiding, de afgifte, de uitvoering als de beëindiging van de crisismaatregel en de zorgmachtiging, en dus gedurende de gehele procedure.
2.5.
Het voorgaande betekent – eveneens ingevolge voormeld arrest - dat indien betrokkene tijdens de procedure tot het verlenen van een voortzetting crisismaatregel een voldoende toegelicht bezwaar maakt tegen de voorgestelde verplichte zorg en de situaties als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, Wvggz zich niet voordoen, de rechter dient te beoordelen of de betrokkene wilsbekwaam is.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat zich in het geval van betrokkene geen situatie als bedoeld in artikel 2:1, lid 6, aanhef en onder b, Wvggz, voordoet. De vormen van ernstig nadeel, zoals voortvloeit uit het verzoekschrift, veroorzaken alleen een aanmerkelijke kans op schade – niet zijnde acuut levensgevaar – voor betrokkene zelf. Nu geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 2:1 lid 6, aanhef en onder b, dient de rechtbank te beoordelen of sprake is van wilsbekwaam verzet van betrokkene.
2.7.
Uit de medische verklaring van 5 maart 2025 van de ter zake kundige arts, R.J. Rutgers, volgt dat betrokkene wel in staat wordt geacht tot een redelijke waardering van haar belangen ten aanzien van de voorgenomen verplichte zorg.
Hoewel de verpleegkundig specialist ter zitting heeft aangegeven dat betrokkene op dit moment niet meer wilsbekwaam wordt geacht, zou een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog een nadere verklaring dienen op te stellen waaruit blijkt of betrokkene wilsbekwaam is. Echter zou daarmee vrijwel zeker de uiterste termijn waarbinnen de rechtbank ingevolge artikel 7:8, lid 3, Wvggz dient te beslissen, zijnde drie dagen na ontvangst van een verzoekschrift, worden overschreden, waarmee ook - op grond van artikel 7:5, sub a, Wvggz - de geldigheidsduur van de crisismaatregel zelf zou komen te vervallen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat – anders dan bij een beslissing omtrent een zorgmachtiging (vide artikel 6:2, lid 4, Wvggz) – de wet geen verlengde beslistermijn kent voor het inwinnen van een deskundigenbericht in geval van een verzoek tot voortzetting crisismaatregel. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het alsnog opvragen van een aanvullende verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene vanuit juridisch oogpunt bezien geen betekenis meer zou hebben.
2.8.
Nu in rechte niet is komen vast te staan of betrokkene al dan niet tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat moet worden geacht, is de rechtbank van oordeel dat de daarmee bestaande onduidelijkheid op dit punt niet ten nadele van betrokkene mag strekken. Om die reden moet het verzet van betrokkene worden gehonoreerd. De rechtbank zal het verzoek tot het verlenen van een voortzetting van de crisismaatregel daarom afwijzen.
2.9.
Nu dit verweer reeds leidt tot afwijzing van het verzoek, behoeft het overig ter zitting behandelde geen verdere bespreking.
Dictum
De rechtbank:
3.1.
wijst het verzoek tot een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel af ten aanzien van [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1967.
Deze beschikking is mondeling gegeven op 10 maart 2025 door mr. H.J.M. Bellekom, rechter, bijgestaan door de griffier en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op 19 maart 2025.
fn. 1031
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.