Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2023-10-27
ECLI:NL:RBNNE:2023:4438
Bestuursrecht
Bodemzaak
1,877 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/1623
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekering (Uwv)
(gemachtigde: S.S. Wiltjer - Rienstra).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser op 6 april 2023 heeft ingesteld omdat het Uwv volgens hem niet op tijd heeft beslist op een aanvraag die is ingediend tijdens een telefoongesprek in oktober 2020.
1.1.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 21 september 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het Uwv.
Wat vooraf ging aan het door eiser ingediende beroepschrift op 6 april 2023
2. Op 27 oktober 2020 heeft een medewerker van het Uwv eiser teruggebeld naar aanleiding van eisers telefonisch bericht van 21 oktober 2020. In het telefoongesprek van 21 oktober 2020 heeft eiser aangegeven dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (de ZW) binnenkort eindigt en dat hij zich afvraagt of er een herbeoordeling moet komen. Tijdens het gesprek op 27 oktober 2020 is tussen partijen afgesproken dat er een herbeoordeling voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (de WIA) dient plaats te vinden en dat het Uwv deze herbeoordeling in gang zet.
3. Eiser heeft op 29 december 2020 het Uwv in gebreke gesteld. Bij besluit van 5 januari 2021 heeft het Uwv aan eiser medegedeeld dat aan hem geen vergoeding wordt betaald omdat het Uwv de herbeoordeling WIA zelf heeft opgepakt zodat geen sprake is van een beslissing op aanvraag. Tegen het besluit van 5 januari 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 12 maart 2021 heef het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat het gespreksverslag van 27 oktober 2020 als schriftelijke aanvraag zal worden aangemerkt. Omdat de beslistermijn op 22 december 2020 is verstreken en het Uwv op dat moment nog niet had beslist op de aanvraag is het Uwv aan eiser vanaf 12 januari 2021 een dwangsom verschuldigd. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat eiser recht heeft op een dwangsom ten bedrage van € 1.442,-.
4. Bij besluit van 28 mei 2021 heeft het Uwv aan eiser medegedeeld dat hij vanaf 4 februari 2020 minder arbeidsgeschikt is dan voorheen, nu hij 80 tot 100% arbeidsongeschikt is en hij geen of slechts een kleine kans op herstel heeft. Gelet hierop wordt eisers WIA-uitkering per 4 februari 2020 aangepast. Tegen het besluit van 28 mei 2021 heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 september 2021 heeft het Uwv dit bezwaar gegrond verklaard voor zover het de berekening van het dagloon betreft. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Bij uitspraak van 22 december 2022 heeft deze rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaard, het besluit van 28 mei 2021 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Beoordeling
5. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.
6. Het procesbelang is het belang dat eiser heeft bij de uitkomst van de procedure, dus wat hij met zijn beroep wil en kan bereiken. De uitkomst van het beroep moet voor eiser feitelijke betekenis hebben. Een uitsluitend formeel of principieel belang is niet voldoende voor het aannemen van procesbelang. Wel kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade is geleden.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser met de onderhavige beroepsprocedure naar eigen zeggen wil bewerkstelligen dat er een volledige herbeoordeling gaat plaatsvinden van een eerder toegekende ZW-uitkering. Eiser had recht op deze ZW-uitkering tijdens een lopende WIA-uitkering. Het Uwv heeft in het verweerschrift en ter zitting – onder meer – aangegeven dat zij niet inzien waarom zij een beslissing zouden moeten nemen over een eventueel recht op een WIA-uitkering vanuit de ziekmelding bij M&M Administratie- en Belastingadviseurs nu aan eiser al een WIA-uitkering was toegekend. Hierbij heeft het Uwv aangegeven dat op grond van artikel 43 van de WIA er geen tweede recht op een WIA-uitkering kan ontstaan. De rechtbank volgt het Uwv in dit standpunt. Hierbij betrekt de rechtbank dat – zoals tussen partijen niet in geschil is – eiser al een WIA-uitkering ontving ten tijde van zijn ZW-uitkering. Daarnaast overweegt de rechtbank dat artikel 43, eerste lid, van de WIA uitdrukkelijk uitsluit dat er een nieuw recht op een IVA- of WGA-uitkering ontstaat indien iemand al een van deze uitkeringen heeft. Ook overigens heeft eiser niets aangevoerd wat moet leiden tot het oordeel dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Gelet op het bovenstaande kan deze beroepsprocedure voor eiser feitelijk geen betekenis hebben zodat de rechtbank oordeelt dat eiser geen procesbelang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.
8. Overigens overweegt de rechtbank dat, indien wel sprake was geweest van een ontvankelijk beroep, dat beroep dan ongegrond zou zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er naar aanleiding van eisers aanvraag tijdens het telefoongesprek op 27 oktober 2020 op 28 mei 2021 een besluit is genomen over eisers WIA-uitkering. Ter zitting heeft eiser gesteld dat hij tijdens het telefoongesprek op 27 oktober 2020 niet één maar twee aanvragen heeft gedaan en dat het Uwv op de tweede aanvraag nog niet heeft beslist. Van een tweede aanvraag blijkt echter niet uit de telefoonnotities zoals deze in het dossier zijn opgenomen. Ook heeft eiser niet op een andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij nog een tweede aanvraag voor een herbeoordeling van een uitkering heeft ingediend en dat het Uwv op die aanvraag nog niet heeft beslist.
Conclusie
9. Het bovenstaande betekent dat het beroep wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.I. Havinga, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 6 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:769.