Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2017-11-14
ECLI:NL:RBNNE:2017:4281
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Afdeling Privaatrecht Locatie Assen zaak-/rolnummer: 5420633 \ CV EXPL 16-8000 vonnis van de kantonrechter van 14 november 2017 in de zaak van [eiser] hierna te noemen: [eiser] , wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, gemachtigde: Nederlands Online-Incasso Instituut, tegen De besloten vennootschap [gedaagde 1.] gevestigd te 5171 PN Kaatsheuvel, Belgiestraat 12, [gedaagde 2.] , enige alleen bevoegde (indirecte) bestuurder van gedaagde subI, wonende te [adres] hierna te noemen: NSE, gedaagden in conventie, eisers in reconventie, gemachtigde: mr. R.V. van den Wildenberg. De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 21 februari 2017, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd. 1.2 Ter uitvoering van dit tussenvonnis is op 7 juni 2017 een comparitie na antwoord gehouden. Ter voorbereiding op deze comparitie heeft NSE een akte van 7 juni 2017 ingediend. Tevens heeft NSE pleitaantekeningen overgelegd. De kantonrechter heeft - voor zoveel nodig - toegestaan dat [eiser] ter comparitie de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis in conventie van 28 februari 2017 indient. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat ter comparitie is besproken. 1.3 Vervolgens hebben partijen nog de volgende stukken ingediend: - een conclusie van repliek in conventie van 20 juni 2017 van de zijde van [eiser] ; - een conclusie van dupliek van 18 juli 2017 van de zijde van NSE; - een akte na producties van 29 augustus 2017 van de zijde van [eiser] . 1.3 Ten slotte is bepaald dat de kantonrechter vonnis zal wijzen waarvan de datum nader is vastgesteld op vandaag. De vaststaande feiten 2.1 De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten, die vaststaan omdat ze niet of niet voldoende zijn betwist en/of blijken uit de in zoverre onweersproken gelaten inhoud van de overgelegde producties. 2.2 [eiser] heeft met ingang van 1 maart 2006 aan NSE verhuurd een bedrijfsruimte ex art. 7:290 BW aan de [straatnaam en woonplaats] voor een huurprijs van oorspronkelijk € 750,00 excl. btw, thans (in 2016) € 1.054,01 excl. btw per maand bij vooruitbetaling te voldoen. Aanvankelijk gold de huur voor de duur van twee jaar. Deze is vervolgens met drie jaar verlengd, waarna de huur telkens met vijf jaar wordt verlengd, laatstelijk tot 1 maart 2016. Er geldt een opzegtermijn van zes maanden bij aangetekende brief of deurwaarders-exploot. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Winkelruimte van juli 2003 van toepassing verklaard. NSE heeft een waarborgsom van € 2.677,50 betaald. 2.3 In een e-mail van 18 juli 2013 schrijft NSE aan [eiser] , voor zover hier van belang: " (…) Ik wil bij deze dan ook de huur per 31 augustus 2013 opzeggen. Ik begrijp dat dit niet volgens de huurovereenkomst is, maar deze maatregel is me, zoals ik al eerder zei, opgedrongen door de bank. (…) ". [eiser] heeft niet met de opzegging ingestemd. 2.4 In een e-mail van 13 januari 2014 schrijft NSE aan [eiser] , voor zover hier van belang: " (…) Derhalve wordt ik tot rigoreuzere maatregelen gedwongen door de bank om personeel te ontslaan (ook hier in Kaatsheuvel) en de huur op te moeten zeggen met ingang van 1 maart. Anders zal het helaas toch tot een faillissement gaan leiden en daar schieten we beiden niets mee op. Ik kan je de cijfers eventueel ter inzage sturen. (…) ". [eiser] antwoordt op 14 januari 2014 als volgt, voor zover hier van belang: " Best [gedaagde 2.] , Ik begrijp de problematiek maar kan hier niet mee akkoord gaan. Wij hebben afspraken gemaakt over 1 jaar lang halve huur en inlopen van de achterstand. Deze afspraken worden met de onderhavige "oplossing" verbroken zodat ze dan niet meer kracht zijn. Ik heb - bij het verbreken van de afspraken - het recht om met terugwerkende kracht alsnog de gehele huur op te eisen. (…) Het huurcontract dient gerespecteerd te worden en vervalt alleen bij een fail Daarvan valt hem een ernstig verwijt te maken. 3.2 NSE betwist de vordering. Voor zover van belang wordt daarop hierna ingegaan. in reconventie 3.3 NSE vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen om aan haar te betalen een bedrag van € 2.677.05 ter zake de waarborgsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) over dit bedrag vanaf 8 maart 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure. Zij stelt daartoe dat, nu de huurovereenkomst is geëindigd en het gehuurde is opgeleverd, [eiser] gehouden is de waarborgsom terug te storten. Ter comparitie heeft NSE haar bezwaar tegen verrekening met een nota betreffende glasschade laten vallen. 3.4 [eiser] betwist die vordering. Voor zover van belang wordt daarop hierna ingegaan. De beoordeling in conventie 4. Ter afwering van de vordering van [eiser] doet NSE een beroep op conversie van de opzegging per 1 maart 2014 in een rechtsgeldige opzegging per 1 maart 2016. De kantonrechter overweegt als volgt. Voor conversie is op de voet van art. 3:42 BW nodig dat de strekking van de nietige rechtshandeling in een zodanige wijze beantwoordt aan die van een andere, als geldig aan te merken rechtshandeling, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht indien van de eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien. Naar het oordeel van de kantonrechter is dat hier niet het geval. Tussen partijen kan immers als vaststaand worden aangenomen dat de strekking van de e-mail van NSE van 13 januari 2014 was een voortijdig einde van de huurovereenkomst per 1 maart 2014 te bewerkstelligen (zie ook randnummer 2 van de conclusie van dupliek in conventie). [eiser] heeft dit ook zo opgevat, zo blijkt uit zijn reactie van 14 januari 2014; dit is door NSE niet weersproken. [eiser] heeft dus niet hoeven begrijpen dat NSE bedoelde de overeenkomst tegen 1 maart 2016 op te zeggen. Daarbij komt dat de rechtszekerheid tussen partijen vereist dat terughoudend moet worden omgegaan met conversie van een ongeldige opzegging die veel te vroeg is gedaan, zoals hier het geval is, omdat NSE nog voldoende tijd had om alsnog een rechtsgeldige opzegging tegen 1 maart 2016 te doen. Daarmee had NSE de vereiste duidelijkheid kunnen geven, maar dat heeft zij nagelaten. NSE heeft nog aangevoerd dat conversie eigenlijk niet nodig is omdat op het moment van opzeggen nog niet bekend was tegen welke datum de huurovereenkomst zou kunnen eindigen. Dit verweer treft geen doel. Uit de huurovereenkomst volgt dat deze voor bepaalde tijd was verlengd tot 1 maart 2016. Het had NSE dus bekend kunnen zijn tegen welke datum de overeenkomst opgezegd kon worden. De slotsom is dat de kantonrechter dit verweer verwerpt. 5.1 NSE voert verder als verweer dat uit de afspraken van partijen, zoals bevestigd per e-mail van 2 oktober 2014 (zie 2.5 vaststaande feiten), blijkt dat [eiser] heeft begrepen, althans redelijkerwijs heeft moeten te begrijpen dat NSE de huurovereenkomst mondeling heeft opgezegd per 1 maart 2016. Het is, aldus NSE, uitgesloten dat [eiser] in de veronderstelling verkeerde dat NSE de huurovereenkomst na 1 maart 2016 zou verlengen. NSE verwijst naar Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2013:BZ1708 (art. 81 R.O.). Daarbij heeft NSE er op gewezen dat volgens vaste jurisprudentie het niet in acht nemen van vormvoorschriften geen nietigheid van de opzegging hoeft mee te brengen. Van belang is, dat de opzegging en de tijdigheid met voldoende zekerheid zijn komen vast te staan. De e-mail van NSE van 10 september 2015 (2.6 vaststaande feiten) is hooguit een bevestiging van die afspraken, aldus NSE. De kantonrechter overweegt het volgende. 5.2 Het gaat hier om de uitleg van wat partijen hebben afgesproken. Deze uitleg kan niet worden beantwoord op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract, in dit geval de e-mail van 2 oktober 2014. Voor de b Dit terwijl NSE de huur bij een nieuwe huurder wel zou mogen beëindigen en dus zonder enige vorm van compensatie, althans daarvan blijkt dus niet. Niet valt in te zien dat NSE bij een nieuwe huurder voortijdig het gehuurde leeg mag opleveren, maar dan wel ná 1 maart 2016 nog zou moeten compenseren. Ook overigens blijkt uit niets dat [eiser] zijn aanspraak op compensatie heeft gehandhaafd. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat, mede gelet op de financiële situatie van NSE, [eiser] niet langer heeft vastgehouden aan zijn aanspraak op deze compensatie, althans dat NSE de afspraken tussen partijen zo heeft mogen begrijpen. Deze stelling van [eiser] faalt dus. 5.5 [eiser] heeft tot slot nog gesteld dat de opzegging van 10 september 2015, althans de opzegging van 23 oktober 2015 te laat is gedaan. De kantonrechter overweegt dat een opzegtermijn gold van zes maanden. NSE had dus, om de huurovereenkomst te beëindigen per 1 maart 2016, moeten opzeggen vóór 1 september 2015. Er is dus een overschrijding van tien dagen. [eiser] heeft niet weersproken dat hij de e-mail van 10 september 2015 heeft ontvangen. Gelet hierop hoeft niet te worden vastgehouden aan de vormvereisten van deurwaardersexploot of aangetekende brief. Met verwijzing naar HR 29 april 1983, NJ 1983, 627 overweegt de kantonrechter verder dat [eiser] uit de afspraken van 2 oktober 2014 wist dat NSE het gehuurde wilde verlaten en de huurovereenkomst niet wilde voortzetten. Een beroep op een overschrijding van een termijn met slechts tien dagen acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. 5.6 Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de huurovereenkomst tussen partijen door opzegging is geëindigd per 1 maart 2016. 6. Ter comparitie heeft [eiser] verklaard dat er op 1 maart 2016 geen achterstand meer was in de huurtermijnen. De vordering ziet dus enkel op huurtermijnen ná 1 maart 2016, boetes en rente. Dat betekent dat de kantonrechter de vorderingen zal afwijzen. Dit geldt dan ook voor de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. 7. Waar de kantonrechter de vordering tegen NSE afwijst, deelt de vordering tegen [gedaagde 2.] hetzelfde lot. Ten overvloede dan ook merkt de kantonrechter op, dat [eiser] in het licht van de feiten en omstandigheden zoals deze in de conventie zijn overwogen, onvoldoende heeft gesteld om bestuurdersaansprakelijkheid te kunnen aannemen. 8. De kantonrechter zal [eiser] , zijnde de in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten van de procedure, zoals hierna bij de beslissing is vermeld. De kantonrechter rekent € 250,00 per punt. Voor de akte en de pleitaantekeningen van 7 juni 2017 rekent de kantonrechter geen afzonderlijke punten. in reconventie 9. Gelet op de uitkomst van de conventie is de vordering in reconventie toewijsbaar. [eiser] mag echter € 975,80 aan kosten in verband met glasschade met de waarborgsom verrekenen, zodat per saldo toewijsbaar is € 1.701,70. De vordering betreft geen handelstransactie in zin van art. 119a BW zodat de kantonrechter toewijst de wettelijke rente op de voet van art. 119 BW, en wel met ingang van 8 maart 2016 aangezien [eiser] per die datum in verzuim is. 10. De kantonrechter zal [eiser] , als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, veroordelen in de kosten, zoals hierna bij de beslissing is vermeld. Beslissing De kantonrechter: in conventie wijst de vorderingen van [eiser] af; veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure aan de zijde van NSE gevallen, welke kosten worden begroot op € 750,00 voor het salaris van de gemachtigde van NSE; in reconventie veroordeelt [eiser] om aan NSE te betalen het bedrag van € 1.701,70, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 maart 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening; veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van NSE gevallen, welke kosten worden begroot op € 100,00; in conventie en in reconventie verklaa