Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2016-01-26
ECLI:NL:RBNNE:2016:1327
Civiel recht
Rekestprocedure
1,118 tokens
Dictum
op het verzoek van
[naam] , te [woonplaats] , verzoekster
tot wraking van
mr. C. van den Noort, rechter.
Procesverloop
Bij brief, door de rechtbank ontvangen op 29 december 2015, heeft verzoekster een verzoek ingediend tot wraking van mr. C. van den Noort, rechter in de afdeling privaatrecht van deze rechtbank, in de procedure met zaaknummer 4461533 CV EXPL 15-12361, waarbij verzoekster als partij is betrokken.
Bij brief van 12 januari 2016 heeft de rechter medegedeeld niet in de wraking te berusten.
Het verzoek is ter zitting van 19 januari 2016 door de wrakingskamer behandeld.
Verzoekster is verschenen.
De rechter is verschenen.
Hoist Kredit AB, de andere partij in hoofdprocedure, is niet verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. De rechtbank stelt voorop dat als maatstaf heeft te gelden dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt verondersteld onpartijdig te zijn en dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die een uitzondering op deze veronderstelling rechtvaardigen. De rechtbank ontleent deze maatstaf aan het arrest van de Hoge Raad van 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0257, NJ 1996, 484.
3.1.
Verzoekster heeft naar voren gebracht dat op de zitting van 23 december 2015 bleek dat de rechter geen dossierkennis had.
3.2.
Daargelaten de vraag in hoeverre de rechter op de zitting van 23 december 2015 kennis had van de inhoud van het dossier, overweegt de rechtbank het volgende.
De zitting van 23 december 2015 was een rolzitting. Op een dergelijke zitting worden partijen onder andere in de gelegenheid gesteld conclusies in te dienen. De taak van de rolrechter is om de verschenen partijen de gelegenheid te geven hun standpunten naar voren te brengen en om procedurele beslissingen te nemen. Deze taak vergt niet dat de rolrechter volledige inhoudelijke kennis heeft van het dossier. Reeds daarom kan de grond van verzoekster niet tot toewijzing van het verzoek leiden.
4.1.
Verzoekster heeft gesteld dat de rechter haar op de zitting van 23 december 2015
heeft geïntimideerd. Tegen haar is gezegd, aldus verzoekster, dat, als zij niet haar mond zou houden, de zaak behandeld zou worden als ware zij niet verschenen.
4.2.
De rechter heeft weersproken dat de zitting een verloop heeft gehad zoals verzoekster stelt. In zijn reactie van 12 januari 2016 heeft de rechter zijn beschrijving van de gang van zaken gegeven.
4.3.
De rechtbank overweegt dat niet vast is komen te staan dat de zitting is verlopen op de wijze zoals door verzoekster is geschetst. Het is daarom niet gebleken dat de rechter verzoekster tegemoet is getreden op een wijze die zich niet verdraagt met zijn taak als rolrechter. Ook de tweede grond kan daarom niet tot toewijzing van het verzoek leiden.
5. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat er zich in de procedure 4461533 CV EXPL 15-12361 feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou hebben kunnen geleden.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af;
bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met zaaknummer 4461533 CV EXPL 15-12361) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;
beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster,
aan de rechter en aan Hoist Kredit AB.
Aldus gegeven door mr. P.J. Duinkerken, voorzitter, mr. M. Griffioen en mr. R.L. Vucsán, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Hulst als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.