Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2016-01-26
ECLI:NL:RBGEL:2016:450
Civiel recht
Wraking
1,989 tokens
Dictum
inzake het verzoek van
[verzoekster]
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. R.M. Bissumbhar te Barneveld,
hierna: verzoekster,
tot wraking van
MR. I.G.M.T. WEIJERS-VAN DER MARCK,
in haar hoedanigheid van rechter tevens kinderrechter in de zaak van verzoekster en [naam ] (zaakgegevens: 261403 FZ RK 14-701),
hierna: de rechter.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
- het wrakingsverzoek van 8 december 2015, ingekomen op 10 december 2015;
- de brief van 4 januari 2016 van de rechter, ingekomen eveneens op 4 januari 2016, waarin de rechter schrijft dat, en waarom zij niet berust in de wraking en voorts dat zij in beginsel niet ter zitting van de wrakingskamer zal verschijnen.
1.2.
De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking behandeld ter openbare terechtzitting op 12 januari 2016. Verzoekster en haar genoemde advocaat zijn ter zitting verschenen, evenals genoemde [naam ] .
1.3.
Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.
Feiten
2.1.
Verzoekster en genoemde [naam ] zijn ex-echtelieden van elkaar.
2.2.
In de zaak met zaakgegevens 261403 FZ RK 14-701 is aan de orde de zorgverdeling tussen verzoekster en haar ex-echtgenoot met betrekking tot hun twee minderjarige kinderen.
2.3.
In die zaak heeft op 7 december 2015 ter zitting van de rechter een mondelinge behandeling plaatsgehad.
3Het wrakingsverzoek
3.1.
Verzoekster stelt dat gebleken is van vooringenomenheid van de rechter jegens verzoekster, dan wel dat de schijn van vooringenomenheid jegens haar is gewekt. Desgevraagd heeft verzoekster ter zitting van de wrakingskamer verklaard dat zij in de kern haar wrakingsverzoek baseert op opmerkingen van de rechter ter zitting van 7 december 2015, onder meer over en aan de hand van stukken die door de ex-echtgenoot van verzoekster te laat waren ingediend waardoor verzoekster niet was voorbereid op de behandeling van die stukken.
3.2.
De rechter heeft niet berust in het wrakingsverzoek en verweer gevoerd.
3.3.
Voor zover nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen van verzoekster en het verweer van de rechter.
Beoordeling
4.1.
Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling hiervan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0257). Uit de artikelen 36 en 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat verzoekster concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief kan worden afgeleid dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of dat een partij hiervoor bevreesd kan zijn. Met inachtneming van de dit toetsingskader zal het wrakingsverzoek verder worden beoordeeld.
4.2.
Verzoekster legt aan haar wrakingsverzoek - naar de wrakingskamer begrijpt – de volgende opmerkingen/suggesties ten grondslag:
1. Moeder is verhuisd en daardoor heeft geen omgang plaatsgevonden.
2. De hulpverlening wordt heel veel door de vrouw gestuurd.
3. Uit deze stukken blijkt dat de man niet heeft geweigerd deel te nemen aan het
Evaluatiegesprek (in verband met de planning van nieuwe omgangscontacten).
4. Ik vind de stukken wel relevant (refererend aan de stukken die de man te laat heeft ingediend).
5. De man is gezaghebbend ouder (waarmee de rechter hem carte blanche heeft gegeven om zijn toestemming te onthouden voor belangwekkende zaken).
6. De rechter meent dat er teveel hulpverleners in het gezin zijn ingezet en dat deze langs elkaar heen werken.
4.3.
De rechter betwist dat zij heeft opgemerkt of gesuggereerd hetgeen sub 1 en 6 is verwoord. De rechter stelt dat zij in plaats van de opmerking onder 3 heeft gezegd dat – in elk geval uit de overgelegde correspondentie – niet blijkt dat de man het gesprek niet meer wilde aangaan en dat zij op dat punt behoefte heeft aan verheldering van de Raad en/of de gezinsvoogd. De rechter deelt niet de conclusie die verzoekster aan de opmerking onder 5 verbindt.
4.4.
De wrakingskamer overweegt dat uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting op 7 december 2015 niet volgt dat de rechter heeft opgemerkt of gesuggereerd hetgeen hierboven onder 1 en 6 is vermeld, of dat zij soortgelijke uitlatingen heeft gedaan. Dit brengt mee dat de opmerkingen/suggesties sub 1 en 6 niet ertoe kunnen leiden dat het wrakingsverzoek gegrond is.
4.5.
De hiervoor vermelde opmerkingen sub 3, 4 en 5, dan wel soortgelijke opmerkingen, zijn blijkens het genoemde proces-verbaal en het verweer wel gemaakt door de rechter. Uit het proces-verbaal van de zitting van 7 december 2015 volgt dat de rechter die uitlatingen heeft gedaan in relatie tot stukken waarvan verzoekster ter zitting op 7 december 2015 heeft verklaard dat die stukken te laat zijn ingediend door haar ex-echtgenoot en dat zij zich niet op behandeling ervan heeft kunnen voorbereiden.
Mogelijk was het voor verzoekster ter zitting op 7 december 2015, waarop deze stukken wel – langdurig – aan de orde zijn geweest, niet aanstonds duidelijk dat er opnieuw een mondelinge behandeling zou komen, maar blijkens het proces-verbaal is dit verzoekster gaandeweg de behandeling wel duidelijk geworden. De rechter heeft de mondelinge behandeling aangehouden ook om nadere informatie in te winnen en ook om verzoekster in de gelegenheid nader te reageren op de desbetreffende stukken en derhalve ook op de opmerkingen die de rechter in verband met of over die stukken heeft gemaakt. Aldus kan verzoekster nog invloed uitoefenen op de oordeelsvorming van de rechter voordat het komt tot een eindbeslissing in deze zaak. Uitlatingen van de rechter ter zitting op 7 december 2015 aan de hand van of over de door de ex-echtgenoot van verzoekster ingediende stukken vormen derhalve evenmin grond voor toewijzing van het wrakingsverzoek.
4.6.
Daarmee blijft over de opmerking sub 2. Uit het genoemde proces-verbaal van de zitting van 7 december 2015 blijkt dat de rechter zich in bewoordingen met eenzelfde strekking heeft uitgelaten. Dat is echter op zichzelf een onvoldoende zwaarwegende aanwijzing dat verzoekster, zoals zij heeft verklaard, moet vrezen voor een jegens haar negatieve eindbeslissing met betrekking tot de zorgverdeling aangaande haar kinderen. Zoals hiervoor is overwogen heeft verzoekster nog gelegenheid de oordeelsvorming van de rechter te beïnvloeden. Daarbij mag van de rechter, uit hoofde van haar aanstelling, verwacht worden dat zij daarvoor ook open staat.
4.7.
De slotsom is dan ook dat het wrakingsverzoek zal worden afgewezen.
Dictum
De rechtbank (wrakingskamer),
wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. van Lee, voorzitter, mrs. R.J. Jue en C.M.J. Peters, rechters, en in tegenwoordigheid van mr. M.J. Daggenvoorde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2016.