Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-03-16
ECLI:NL:RBNHO:2026:2756
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,925 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2756 text/xml public 2026-05-01T11:23:17 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-16 HAA 24/3399 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2756 text/html public 2026-05-01T11:23:01 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2756 Rechtbank Noord-Holland , 16-03-2026 / HAA 24/3399 Vennootschapsbelasting. Verlaagd conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59. Overeenstemming partijen. Gegrond. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/3399 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: drs. O.G. Leurs en mr. R. Waaijer), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2018 opgelegd (de aanslag), berekend naar een belastbaar bedrag van € 14.250.011. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 251.239 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd en de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 49.681. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij beschikking van 10 februari 2024 is de rentebeschikking (ambtshalve) verminderd tot een bedrag van € 35.336. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde R. Waaijer, bijgestaan door [naam 1] (kantoorgenoot) en [naam 2] (kantoorgenoot). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en mr. [naam 4] . De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 2 oktober 2025 en partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal van de Hoge Raad inzake belastingrente (conclusie van de P-G van 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1044). Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd. Hierna heeft de rechtbank de zaak op 5 november 2025 aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure over belastingrente die bij de Hoge Raad aanhangig was (zaaknummer 24/04619). Nadat de Hoge Raad in genoemde zaak arrest had gewezen heeft de rechtbank op 28 januari 2026 aangegeven een nadere zitting niet nodig te achten en partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij ter zitting mondeling wilden worden gehoord. Partijen hebben aangegeven af te zien van een nadere zitting. Naar aanleiding van een bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 hebben partijen voorts bericht overeenstemming te hebben bereikt over de hoogte van de rentebeschikking. Het onderzoek is vervolgens gesloten op 16 februari 2026. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft op 6 oktober 2020 voor het boekjaar 2018 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan en daarin een belastbaar bedrag aangegeven van € 9.935.452. 2. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 1 april 2023 de aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 14.250.011. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft verweerder een bedrag van € 251.239 aan belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2019 tot en met 13 mei 2023 (de rentebeschikking). 3. De belastingrente is voor de periode 1 juli 2019 tot 1 oktober 2020 berekend overeenkomstig artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en voor de periode 1 oktober 2020 tot en met 13 mei 2023 berekend naar het percentage dat in die periode voor de vennootschapsbelasting gold volgens artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: het Besluit). Voor de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 gold een percentage van 4% en voor de periode 1 januari 2022 tot en met 13 mei 2023 gold een percentage van 8%. 4. Met dagtekening 25 november 2023 volgt een uitspraak op bezwaar. De aanslag wordt verminderd naar een belastbaar bedrag van € 10.788.630 en de rentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 49.681. 5. Bij beschikking van 10 februari 2024 wordt de rentebeschikking – vanwege het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1673) – verminderd tot een bedrag van € 35.336. Geschil 6. In geschil is of de rentebeschikking tot het juiste bedrag is vastgesteld. Beoordeling van het geschil 7. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, dient het beroep voor zover het is gericht tegen het door verweerder gehanteerde percentage van 8% (1 januari 2022 tot en met 13 mei 2023) gegrond te worden verklaard. 8. Partijen hebben overeenstemming bereikt dat het voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van belastingrente voor de periode 1 januari 2022 tot en met 13 mei 2023 moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van artikel 1, letter a, van het Besluit (tekst 2022 en 2023) en dat de rentebeschikking dientengevolge moet worden vastgesteld op een bedrag van € 23.627. Voor het overige is de rentebeschikking niet (meer) in geschil. 9. Gezien de bereikte overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank de rentebeschikking vaststellen op een bedrag van € 23.627. Proceskosten en griffierecht 10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1; voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat geen aanleiding nu daar voorafgaande aan de uitspraak op bezwaar niet om is verzocht). 11. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de beschikking inzake belastingrente; vermindert de beschikking inzake belastingrente tot een bedrag van € 23.627; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 371. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. M.C. van As, in aanwezigheid van mr. F. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam . Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:2756 text/xml public 2026-05-01T11:23:17 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-03-16 HAA 24/3399 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2756 text/html public 2026-05-01T11:23:01 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2756 Rechtbank Noord-Holland , 16-03-2026 / HAA 24/3399 Vennootschapsbelasting. Verlaagd conform het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59. Overeenstemming partijen. Gegrond. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 24/3399 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 maart 2026 in de zaak tussen [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres (gemachtigden: drs. O.G. Leurs en mr. R. Waaijer), en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres een aanslag vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2018 opgelegd (de aanslag), berekend naar een belastbaar bedrag van € 14.250.011. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 251.239 belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking). Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd en de rentebeschikking dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 49.681. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Bij beschikking van 10 februari 2024 is de rentebeschikking (ambtshalve) verminderd tot een bedrag van € 35.336. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2025. Namens eiseres is verschenen haar gemachtigde R. Waaijer, bijgestaan door [naam 1] (kantoorgenoot) en [naam 2] (kantoorgenoot). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 3] en mr. [naam 4] . De rechtbank heeft het onderzoek heropend op 2 oktober 2025 en partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de conclusie van de Procureur-Generaal van de Hoge Raad inzake belastingrente (conclusie van de P-G van 26 september 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1044). Partijen hebben hierop schriftelijk gereageerd. Hierna heeft de rechtbank de zaak op 5 november 2025 aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure over belastingrente die bij de Hoge Raad aanhangig was (zaaknummer 24/04619). Nadat de Hoge Raad in genoemde zaak arrest had gewezen heeft de rechtbank op 28 januari 2026 aangegeven een nadere zitting niet nodig te achten en partijen in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij ter zitting mondeling wilden worden gehoord. Partijen hebben aangegeven af te zien van een nadere zitting. Naar aanleiding van een bericht van de rechtbank van 11 februari 2026 hebben partijen voorts bericht overeenstemming te hebben bereikt over de hoogte van de rentebeschikking. Het onderzoek is vervolgens gesloten op 16 februari 2026. Overwegingen Feiten 1. Eiseres heeft op 6 oktober 2020 voor het boekjaar 2018 aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan en daarin een belastbaar bedrag aangegeven van € 9.935.452. 2. Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 1 april 2023 de aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 14.250.011. Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft verweerder een bedrag van € 251.239 aan belastingrente in rekening gebracht over de periode 1 juli 2019 tot en met 13 mei 2023 (de rentebeschikking). 3. De belastingrente is voor de periode 1 juli 2019 tot 1 oktober 2020 berekend overeenkomstig artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en voor de periode 1 oktober 2020 tot en met 13 mei 2023 berekend naar het percentage dat in die periode voor de vennootschapsbelasting gold volgens artikel 1, aanhef en letter b, van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: het Besluit). Voor de periode 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2021 gold een percentage van 4% en voor de periode 1 januari 2022 tot en met 13 mei 2023 gold een percentage van 8%. 4. Met dagtekening 25 november 2023 volgt een uitspraak op bezwaar. De aanslag wordt verminderd naar een belastbaar bedrag van € 10.788.630 en de rentebeschikking wordt dienovereenkomstig verminderd tot een bedrag van € 49.681. 5. Bij beschikking van 10 februari 2024 wordt de rentebeschikking – vanwege het arrest van de Hoge Raad van 18 november 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1673) – verminderd tot een bedrag van € 35.336. Geschil 6. In geschil is of de rentebeschikking tot het juiste bedrag is vastgesteld. Beoordeling van het geschil 7. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, dient het beroep voor zover het is gericht tegen het door verweerder gehanteerde percentage van 8% (1 januari 2022 tot en met 13 mei 2023) gegrond te worden verklaard. 8. Partijen hebben overeenstemming bereikt dat het voor de vennootschapsbelasting geldende percentage van belastingrente voor de periode 1 januari 2022 tot en met 13 mei 2023 moet worden bepaald met toepassing van de algemene regel van artikel 1, letter a, van het Besluit (tekst 2022 en 2023) en dat de rentebeschikking dientengevolge moet worden vastgesteld op een bedrag van € 23.627. Voor het overige is de rentebeschikking niet (meer) in geschil. 9. Gezien de bereikte overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank de rentebeschikking vaststellen op een bedrag van € 23.627. Proceskosten en griffierecht 10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1; voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase bestaat geen aanleiding nu daar voorafgaande aan de uitspraak op bezwaar niet om is verzocht). 11. De rechtbank zal verweerder opdragen het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt de uitspraak op bezwaar ten aanzien van de beschikking inzake belastingrente; vermindert de beschikking inzake belastingrente tot een bedrag van € 23.627; bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868, en veroordeelt verweerder tot vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht van € 371. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. A.A. Fase en mr. M.C. van As, in aanwezigheid van mr. F. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer). U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam . Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd. 2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).