Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-02-05
ECLI:NL:RBNHO:2026:1505
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,087 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:1505 text/xml public 2026-05-01T11:15:47 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-05 AWB - 25 _ 2628 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1505 text/html public 2026-05-01T11:15:08 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1505 Rechtbank Noord-Holland , 05-02-2026 / AWB - 25 _ 2628 IB. Belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2628 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 juni 2024 voor het jaar 2022 een aanslag (aanslagnummer 1181.39.290.H.26.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.496. Bij de aanslag is bij beschikking tevens belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.751. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 te [woonplaats] . Eiseres is, met voorafgaand bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is werkzaam als [functie] en laat haar belastingaangiften indienen door [adviesbedrijf] B.V. te [woonplaats] (hierna: de adviseur). 2. Aan eiseres is met dagtekening 31 januari 2022 een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 opgelegd. Daarbij is een verzamelinkomen in aanmerking genomen van € 28.928 en is de verschuldigde IB/PVV vastgesteld op € 4.203. 3. Eiseres is uitgenodigd om vóór 1 mei 2023 haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 in te dienen. Na verleend uitstel tot 1 mei 2024 is de aangifte ingediend op 25 april 2024. 4. Met dagtekening 28 juni 2024 is de aanslag opgelegd. 5. De bij beschikking berekende belastingrente van € 1.751 is berekend over de periode 1 juli 2023 tot en met 9 augustus 2024. 6. Op de website van de Belastingdienst kan om uitstel voor het doen van aangifte worden verzocht. Op de betreffende pagina staat vermeld: “ Let op! Krijgt u uitstel? Dan betaalt u meestal wel belastingrente. Hoeveel u moet betalen, leest u bij Belastingrente betalen bij inkomstenbelasting. ” Na het klikken op de link verschijnt een pagina met uitleg over de belastingrente met een viertal voorbeelden. Op die pagina is ook een link te vinden naar een overzicht van de geldende percentages. Geschil 7. In geschil is de beschikking belastingrente. Meer in het bijzonder is in geschil of terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht. 8. Eiseres beroept zich op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4361) waarin is geoordeeld dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres betoogt dat dit eveneens voor het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting heeft te gelden. Voorts beroept eiseres zich op het zogenoemde ‘kerstarrest’ van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1963) en betoogt naar analogie hiervan dat het in rekening brengen van een fictief, veel hoger rentepercentage dan in werkelijkheid op geld wordt ontvangen, in strijd is met het recht. Tot slot stelt eiseres dat de Belastingdienst geen enkele informatie of waarschuwing heeft gegeven waaruit zij had kunnen begrijpen dat er zo’n hoog rentepercentage zou worden berekend. Deze gang van zaken is naar de mening van eiseres onzorgvuldig en nalatig. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikking belastingrente tot nihil. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Volgens verweerder is de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waar eiseres zich op beroept niet van toepassing, aangezien deze betrekking heeft op artikel 1, onderdeel b, dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting bepaalt, en niet op artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente. Ook het kerstarrest is volgens verweerder niet van toepassing aangezien dit ziet op een forfaitaire regeling die zodanig uit de pas liep met de werkelijkheid dat zij niet langer te rechtvaardigen was. Het rentepercentage voor de belastingrente is geen forfaitaire regeling en bevindt zich bovendien binnen de bandbreedte van vergelijkbare rentepercentages binnen de geldmarkt, aldus verweerder. Tot slot stelt verweerder dat met de informatie op de website voldoende informatie is gegeven ten aanzien van de belastingrente. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Wettelijk kader 11. Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt: 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 12. Artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) luidt, voor zover van belang, als volgt: 1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting (…) na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag (…) met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, (…), aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. 4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting (…) is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, (…), maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. (…) 13. Artikel 30hb van de Awr luidde van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024 als volgt: Het percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld. 14. Artikel 1 van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: Bbi) luidde, voor zover van belang, van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2023 als volgt: Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen: a. is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt; b.
Volledig
ECLI:NL:RBNHO:2026:1505 text/xml public 2026-05-01T11:15:47 2026-02-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-02-05 AWB - 25 _ 2628 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Haarlem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1505 text/html public 2026-05-01T11:15:08 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:1505 Rechtbank Noord-Holland , 05-02-2026 / AWB - 25 _ 2628 IB. Belastingrente terecht en tot het juiste bedrag in rekening gebracht. Rechtbank noord-holland Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: HAA 25/2628 uitspraak van de meervoudige kamer van 5 februari 2026 in de zaak tussen [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, en de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder. Procesverloop Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 28 juni 2024 voor het jaar 2022 een aanslag (aanslagnummer 1181.39.290.H.26.01) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (hierna: de aanslag), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 87.496. Bij de aanslag is bij beschikking tevens belastingrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 1.751. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 te [woonplaats] . Eiseres is, met voorafgaand bericht aan de rechtbank, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] en mr. [naam 2] . Overwegingen Feiten 1. Eiseres is werkzaam als [functie] en laat haar belastingaangiften indienen door [adviesbedrijf] B.V. te [woonplaats] (hierna: de adviseur). 2. Aan eiseres is met dagtekening 31 januari 2022 een voorlopige aanslag IB/PVV voor het jaar 2022 opgelegd. Daarbij is een verzamelinkomen in aanmerking genomen van € 28.928 en is de verschuldigde IB/PVV vastgesteld op € 4.203. 3. Eiseres is uitgenodigd om vóór 1 mei 2023 haar aangifte IB/PVV voor het jaar 2022 in te dienen. Na verleend uitstel tot 1 mei 2024 is de aangifte ingediend op 25 april 2024. 4. Met dagtekening 28 juni 2024 is de aanslag opgelegd. 5. De bij beschikking berekende belastingrente van € 1.751 is berekend over de periode 1 juli 2023 tot en met 9 augustus 2024. 6. Op de website van de Belastingdienst kan om uitstel voor het doen van aangifte worden verzocht. Op de betreffende pagina staat vermeld: “ Let op! Krijgt u uitstel? Dan betaalt u meestal wel belastingrente. Hoeveel u moet betalen, leest u bij Belastingrente betalen bij inkomstenbelasting. ” Na het klikken op de link verschijnt een pagina met uitleg over de belastingrente met een viertal voorbeelden. Op die pagina is ook een link te vinden naar een overzicht van de geldende percentages. Geschil 7. In geschil is de beschikking belastingrente. Meer in het bijzonder is in geschil of terecht en tot het juiste bedrag belastingrente in rekening is gebracht. 8. Eiseres beroept zich op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2024 (ECLI:NL:RBNNE:2024:4361) waarin is geoordeeld dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres betoogt dat dit eveneens voor het belastingrentepercentage voor de inkomstenbelasting heeft te gelden. Voorts beroept eiseres zich op het zogenoemde ‘kerstarrest’ van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1963) en betoogt naar analogie hiervan dat het in rekening brengen van een fictief, veel hoger rentepercentage dan in werkelijkheid op geld wordt ontvangen, in strijd is met het recht. Tot slot stelt eiseres dat de Belastingdienst geen enkele informatie of waarschuwing heeft gegeven waaruit zij had kunnen begrijpen dat er zo’n hoog rentepercentage zou worden berekend. Deze gang van zaken is naar de mening van eiseres onzorgvuldig en nalatig. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de beschikking belastingrente tot nihil. 9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beschikking belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Volgens verweerder is de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland waar eiseres zich op beroept niet van toepassing, aangezien deze betrekking heeft op artikel 1, onderdeel b, dat het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting bepaalt, en niet op artikel 1, onderdeel a, van het Besluit belasting- en invorderingsrente. Ook het kerstarrest is volgens verweerder niet van toepassing aangezien dit ziet op een forfaitaire regeling die zodanig uit de pas liep met de werkelijkheid dat zij niet langer te rechtvaardigen was. Het rentepercentage voor de belastingrente is geen forfaitaire regeling en bevindt zich bovendien binnen de bandbreedte van vergelijkbare rentepercentages binnen de geldmarkt, aldus verweerder. Tot slot stelt verweerder dat met de informatie op de website voldoende informatie is gegeven ten aanzien van de belastingrente. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken. Beoordeling van het geschil Wettelijk kader 11. Artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt: 1. Het bestuursorgaan weegt de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. 2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. 12. Artikel 30fc van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) luidt, voor zover van belang, als volgt: 1. Indien met betrekking tot de inkomstenbelasting (…) na het verstrijken van een periode van 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven een aanslag (…) met een door de belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting wordt vastgesteld, wordt met betrekking tot die aanslag, (…), aan de belastingplichtige rente – belastingrente – in rekening gebracht. 2. De belastingrente wordt enkelvoudig berekend over het tijdvak dat aanvangt 6 maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag, (…), invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990 en heeft als grondslag het te betalen bedrag aan belasting. 3. Ingeval de aanslag is vastgesteld overeenkomstig de ingediende aangifte, eindigt het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend in afwijking in zoverre van het tweede lid, uiterlijk 19 weken na de datum van ontvangst van de aangifte. 4. Geen belastingrente wordt in rekening gebracht ingeval de aanslag inkomstenbelasting (…) is vastgesteld overeenkomstig een ingediende aangifte die is ontvangen voor de eerste dag van de vijfde, (…), maand na afloop van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven. (…) 13. Artikel 30hb van de Awr luidde van 1 oktober 2020 tot en met 31 december 2024 als volgt: Het percentage van de belastingrente bedraagt een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen percentage, dat voor verschillende belastingen verschillend kan worden vastgesteld. 14. Artikel 1 van het Besluit belasting- en invorderingsrente (hierna: Bbi) luidde, voor zover van belang, van 1 juli 2022 tot en met 31 december 2023 als volgt: Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen: a. is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de ingevolge artikel 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wettelijke rente, bedoeld in artikel 119 van Boek 6 van dat wetboek, met dien verstande dat het eerstgenoemde percentage ten minste 4 bedraagt; b.
Volledig
(…) en vanaf 1 januari 2024: Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor een kalenderjaar is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden vóór 1 november van het aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3 procentpunt, met dien verstande dat: a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt; b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten; c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; en d. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging. 15. Ingevolge het Besluit vaststelling wettelijke rente bedroeg de wettelijke rente met ingang van 1 juli 2023 6,00% en met ingang van 1 januari 2024 7,00%. Percentage in rekening gebrachte belastingrente 16. Het bij de aan eiseres opgelegde beschikking gehanteerde percentage voor de belastingrente was tot en met 31 december 2023 6% (wettelijke rente) en vanaf 1 januari 2024 7,5% (herfinancieringsrente Europese Centrale Bank verhoogd met 3%). Evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en artikel 1 EP bij het EVRM 17. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, geoordeeld dat de selectieve renteverhoging van de belastingrente voor vennootschapsbelastingplichtigen in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “(…) 4.11.3 Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen. 4.11.4 Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt. 4.11.5 In het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. [Voetnoot 18: Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat (i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt, (ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht, (iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en (iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft. Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. 4.11.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). (…)” 18. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan eiseres in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel en dat hiermee evenmin een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht. De hierop gerichte beroepsgronden van eiseres slagen derhalve niet. Informatievoorziening door de Belastingdienst 19. De rechtbank overweegt als volgt met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld door vooraf geen informatie te geven over het hoge rentepercentage. Voorop staat dat de belastingrente overeenkomstig de regels is berekend en dat de Awr geen ruimte laat om hiervan af te wijken. Wel kunnen onder omstandigheden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126). Hierbij is van belang welke invloed de belastingplichtige zelf heeft gehad op het tijdig voldoen aan zijn betalingsverplichting (de verzuimgedachte, zie Kamerstukken II, 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 32-33). 20. Aan eiseres is op 31 januari 2022 een voorlopige aanslag opgelegd in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Naderhand is een hogere aanslag opgelegd. Nu eiseres dan wel haar adviseur bij uitstek op de hoogte was van de inkomenssituatie van eiseres in 2022, had het op de weg van eiseres dan wel haar adviseur gelegen om (uiterlijk) bij het verzoek om uitstel van indiening van de aangifte tevens te verzoeken om herziening van de voorlopige aanslag. In dat geval zou geen of minder belastingrente in rekening zijn gebracht. Het in rekening brengen van belastingrente is dan ook niet aan verweerder te wijten. 21. Voorts heeft de Belastingdienst geen wettelijke taak om burgers proactief te informeren over de belastinggevolgen van recente wetswijzigingen en nieuw ingevoerde regelingen (vgl. Gerechtshof Den Haag 19 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:509). Dit betekent dat op verweerder niet de verplichting rustte om eiseres te informeren over het feit dat zij mogelijk belastingrente verschuldigd zou zijn. Daarbij komt dat de Belastingdienst met de informatie op de website voldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de belastingrente die verschuldigd kan worden indien om uitstel voor het doen van aangifte wordt gevraagd.
Volledig
(…) en vanaf 1 januari 2024: Het percentage van de belastingrente, bedoeld in artikel 30hb van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, voor een kalenderjaar is voor de inkomstenbelasting, (…) gelijk aan het percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor haar meest recente basisherfinancieringstransactie die heeft plaatsgevonden vóór 1 november van het aan het betreffende kalenderjaar voorafgaande kalenderjaar, vermeerderd met 3 procentpunt, met dien verstande dat: a. aanpassing van het percentage, indien nodig, jaarlijks per 1 januari geschiedt; b. afronding van het percentage plaatsvindt op halve procentpunten; c. het percentage ten minste 4,5 bedraagt; en d. aanpassing van het percentage is beperkt tot maximaal 2 procentpunt per wijziging. 15. Ingevolge het Besluit vaststelling wettelijke rente bedroeg de wettelijke rente met ingang van 1 juli 2023 6,00% en met ingang van 1 januari 2024 7,00%. Percentage in rekening gebrachte belastingrente 16. Het bij de aan eiseres opgelegde beschikking gehanteerde percentage voor de belastingrente was tot en met 31 december 2023 6% (wettelijke rente) en vanaf 1 januari 2024 7,5% (herfinancieringsrente Europese Centrale Bank verhoogd met 3%). Evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel en artikel 1 EP bij het EVRM 17. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59, geoordeeld dat de selectieve renteverhoging van de belastingrente voor vennootschapsbelastingplichtigen in strijd is met het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, het volgende overwogen: “(…) 4.11.3 Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen. 4.11.4 Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt. 4.11.5 In het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. [Voetnoot 18: Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat (i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt, (ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht, (iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en (iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft. Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. 4.11.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). (…)” 18. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen van de Hoge Raad volgt dat het percentage van de belastingrente voor de inkomstenbelasting dat aan eiseres in rekening is gebracht, niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en/of het gelijkheidsbeginsel en dat hiermee evenmin een ongeoorloofde inbreuk wordt gemaakt op het eigendomsrecht. De hierop gerichte beroepsgronden van eiseres slagen derhalve niet. Informatievoorziening door de Belastingdienst 19. De rechtbank overweegt als volgt met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld door vooraf geen informatie te geven over het hoge rentepercentage. Voorop staat dat de belastingrente overeenkomstig de regels is berekend en dat de Awr geen ruimte laat om hiervan af te wijken. Wel kunnen onder omstandigheden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (Hoge Raad 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126). Hierbij is van belang welke invloed de belastingplichtige zelf heeft gehad op het tijdig voldoen aan zijn betalingsverplichting (de verzuimgedachte, zie Kamerstukken II, 2011/12, 33 003, nr. 3, blz. 32-33). 20. Aan eiseres is op 31 januari 2022 een voorlopige aanslag opgelegd in overeenstemming met de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Naderhand is een hogere aanslag opgelegd. Nu eiseres dan wel haar adviseur bij uitstek op de hoogte was van de inkomenssituatie van eiseres in 2022, had het op de weg van eiseres dan wel haar adviseur gelegen om (uiterlijk) bij het verzoek om uitstel van indiening van de aangifte tevens te verzoeken om herziening van de voorlopige aanslag. In dat geval zou geen of minder belastingrente in rekening zijn gebracht. Het in rekening brengen van belastingrente is dan ook niet aan verweerder te wijten. 21. Voorts heeft de Belastingdienst geen wettelijke taak om burgers proactief te informeren over de belastinggevolgen van recente wetswijzigingen en nieuw ingevoerde regelingen (vgl. Gerechtshof Den Haag 19 maart 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:509). Dit betekent dat op verweerder niet de verplichting rustte om eiseres te informeren over het feit dat zij mogelijk belastingrente verschuldigd zou zijn. Daarbij komt dat de Belastingdienst met de informatie op de website voldoende informatie heeft gegeven met betrekking tot de belastingrente die verschuldigd kan worden indien om uitstel voor het doen van aangifte wordt gevraagd.