Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2026-01-13
ECLI:NL:RBNHO:2026:2715
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,034 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNHO:2026:2715 text/xml public 2026-04-02T09:35:37 2026-03-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Holland 2026-01-13 11994963 \ VV EXPL 25-181 Uitspraak Kort geding NL Haarlem Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2715 text/html public 2026-04-02T09:35:15 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNHO:2026:2715 Rechtbank Noord-Holland , 13-01-2026 / 11994963 \ VV EXPL 25-181 KG. Huur. Geen ontruiming. RECHTBANK NOORD-HOLLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Haarlem Zaaknummer: 11994963 \ VV EXPL 25-181 Vonnis in kort geding van 13 januari 2026 (bij vervroeging) in de zaak van [eiser] B.V. , te [plaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. K.R. Stephan, tegen 1. [gedaagde 1] H.O.D.N. [bedrijf] in hoedanigheid van bewindvoerder in het bewind van [betrokkene] , te [plaats 1], 2. [gedaagde 2] , te [plaats 2], gedaagde partijen, hierna te noemen: [gedaagde 2], gemachtigde: [gemachtigde] 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 24 december 2025, met 4 producties; - de conclusie van antwoord van 5 januari 2026, - de wijziging van eis van 5 januari 2026, - de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [gedaagde 2] huurt sinds 19 december 2019 van [eiser] de woonruimte gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2]. Er is sprake van sociale huur. 2.2. De huurprijs bedraagt op dit moment € 900,07 per maand. 2.3. Bij beschikking van 13 oktober 2025 zijn de goederen van [gedaagde 2] onder bewind gesteld. 2.4. [gedaagde 2] heeft vanaf april 2024 de huur niet (steeds) tijdig en/of niet volledig betaald. Op 5 december 2025 heeft de broer van [gedaagde 2] een bedrag van € 4.500,00 ingelost op de toen bestaande achterstand. Op 5 januari 2026 bedroeg de huurachterstand € 705,25. 3 Het geschil 3.1. [eiser] vordert – na wijziging van eis – ontruiming van het gehuurde en veroordeling van [gedaagde 2] tot betaling van de huurachterstand (inclusief servicekosten) tot en met januari 2026, vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente en de proceskosten. 3.2. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde 2] tekort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst door de huur vanaf april 2024 niet dan wel niet volledig en niet tijdig te betalen. Er is sprake van ernstige wanprestatie die de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt en daarop vooruitlopend, ontruiming van het gehuurde in kort geding. 3.3. [gedaagde 2] erkent de huurachterstand en voert verweer tegen de gevorderde ontruiming van het gehuurde en tegen de buitengerechtelijke incassokosten. Hij betoogt dat de huurachterstand op dit moment minder dan één maand huur bedraagt. Ontruiming van het gehuurde is alleen daarom niet gerechtvaardigd. Daar komt bij dat de lopende huur tijdig en volledig wordt voldaan en [gedaagde 2] sinds kort onder beschermingsbewind staat. Verder voert [gedaagde 2] aan dat de aanmaning van 22 september 2025 niet voldoet aan de wettelijke vereisten zoals neergelegd in artikel 6:96 BW. 4 De beoordeling De formele procespartij 4.1. De kantonrechter stelt voorop dat een vordering die een persoon betreft wiens goederen onder bewind zijn gesteld, moet worden ingesteld tegen de bewindvoerder ter zake van kwesties die de onder het bewind gestelde goederen betreffen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de uit de huurovereenkomst voortvloeiende rechten goederen zijn in de hiervoor bedoelde zin. [gedaagde 2] is bij beschikking van 13 oktober 2025 onder bewind gesteld. [eiser] wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering jegens [gedaagde 2]. Zij is wel ontvankelijk in de vordering jegens de bewindvoerder. In het vervolg zal echter over [gedaagde 2] zelf worden gesproken. De zaak leent zich voor kort geding 4.2. De vordering tot ontruiming in kort geding kan alleen worden toegewezen als [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. Dat is het geval, omdat [gedaagde 2] meerdere malen tekort is geschoten in zijn verplichting om de huur tijdig en volledig te voldoen. Het spoedeisend belang wordt ook aangenomen ten aanzien van de geldvorderingen, nu deze nauw samenhangen met de vordering tot ontruiming en de huurachterstand onbetwist is. Ambtshalve toetsing consumentenrecht 4.3. Bij de beoordeling van de vordering die ziet op de betaling van de huurachterstand (inclusief servicekosten) is het huurprijswijzigingsbeding relevant. Omdat het hier gaat om een professionele verhuurder en een consument-huurder, moet de kantonrechter ambtshalve beoordelen of in de huurovereenkomst bedingen zijn opgenomen die oneerlijk zijn ten opzichte van een consument (in de zin van artikel 3 van de Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn)). Dit kan immers gevolgen hebben voor (de hoogte van) de vordering. 4.4. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het huurprijswijzigingsbeding getoetst en dit beding is niet oneerlijk. [gedaagde 2] moet de huurachterstand en rente betalen 4.5. De gevorderde huurachterstand en rente (totaal: € 705,48) zijn toewijsbaar, omdat [gedaagde 2] deze vorderingen heeft erkend. Buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar 4.6. [eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan [gedaagde 2] een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW. [gedaagde 2] hoeft de woning niet te ontruimen 4.7. Vast staat dat de huurachterstand op de datum van de dagvaarding minder dan drie maanden bedroeg en dat deze huurachterstand na de dagvaarding niet is toegenomen, maar afgenomen. Ook staat vast dat de lopende huur tijdig wordt voldaan. Hoewel [gedaagde 2] in het verleden meerdere malen de huur niet (tijdig) heeft betaald, wordt de gevorderde ontruiming afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is dat deze vordering – gelet op de hoogte van de huurachterstand – in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Ontruiming van het gehuurde is een vergaande maatregel, mede gezien de huidige woningmarkt en de problemen die een ontruiming voor [gedaagde 2] zouden opleveren. Hierbij weegt ook mee dat [eiser] [gedaagde 2] niet bij de gemeente (in het kader van vroegsignalering) heeft aangemeld en dus niet aan haar inspanningsverplichting heeft voldaan. Niet is uitgesloten dat de huurachterstand minder ver was opgelopen als [gedaagde 2] eerder onder bewind was gesteld. Samenvattend krijgt [gedaagde 2] dus nog een kans, maar bij een nieuwe huurachterstand loopt hij het risico dat de beslissing anders uitvalt. Proceskosten 4.8. De proceskosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, vanwege het volgende. Op het moment van dagvaarden was de huurachterstand teruggebracht tot minder dan één maand, was sprake van bewind en werd de lopende huur weer betaald. Weliswaar bestond er toen nog een door [gedaagde 2] niet betwiste huurachterstand en was onduidelijk dat en hoe [gedaagde 2] die zou inlopen, maar het daarvoor nog voeren van een kort geding procedure was in de gegeven omstandigheden niet de aangewezen weg. 5 De beslissing De kantonrechter 5.1. verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde 2]; 5.2. veroordeelt [gedaagde 1], in hoedanigheid van bewindvoerder in het bewind van [betrokkene], om te betalen aan [eiser] € 705,48 aan huur tot en met januari 2026 en rente, 5.3. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, 5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.5. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026. Artikel 1:1441 lid 1 BW. HR 7 maart 2024, ECLI:NL:HR:2014:525. HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704.