Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-03-31
ECLI:NL:RBNHO:2025:5567
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
7,496 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 22/2388
uitspraak van de meervoudige douanekamer van 31 maart 2025 in de zaak tussen
[eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),
en
de inspecteur van de Douane, verweerder
Inleiding
Deze uitspraak gaat over de rechtmatigheid van een uitnodiging tot betaling voor antidumpingrechten, compenserend recht, omzetbelasting en rente na douaneaangiften die zijn gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van fotovoltaïsche modules of panelen (zonnepanelen).
Op 17 juni 2021 heeft verweerder aan eiseres een uitnodiging tot betaling (utb) uitgereikt voor een bedrag van in totaal € 183.871,24, bestaande uit € 117.475,30 aan antidumpingrechten, € 25.298,99 aan compenserend recht, € 29.982,60 aan omzetbelasting en € 11.114,35 aan rente op achterstallen.
Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2022 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift met bijlagen en daarbij voor één stuk (“bijlage 12”) een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij beslissing van 28 mei 2024 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank geoordeeld dat het beroep van verweerder op artikel 8:29 van de Awb ongegrond is. Bij brief van 11 juni 2024 heeft verweerder het betreffende stuk alsnog ongeschoond overgelegd.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2024 op zitting behandeld. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] (directeur van eiseres), vergezeld van mr. J.A. Biermasz, mr. [naam 3] en mr. [naam 4] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 5] en mr. [naam 6] .
De rechtbank heeft bij brief van 28 oktober 2024 aan partijen meegedeeld dat het onderzoek wordt heropend op grond van artikel 8:68 van de Awb om verweerder in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen.
Verweerder heeft bij brief van 25 november 2024 stukken overgelegd en daarbij voor wat betreft delen van bijlage 5 bij het verweerschrift (het OLAF Final Report van 20 november 2020 en selecties uit Annex 1 en Annex 2 bij het OLAF rapport) een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Awb.
Eiseres heeft bij brief van 14 januari 2025 een reactie ingezonden.
Bij beslissing van 27 januari 2025 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank geoordeeld dat de door verweerder gevraagde beperking van de kennisneming van voornoemde stukken gerechtvaardigd is. Eiseres heeft de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb gegeven.
De rechtbank heeft bij brief van 5 februari 2025 aan verweerder een aantal vragen gesteld. Verweerder heeft bij brief van 18 februari 2025 hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bij brief van 13 maart 2025 aan partijen gevraagd of zij opnieuw op een zitting wensen te worden gehoord, omdat de samenstelling van de meervoudige kamer is gewijzigd en/of vanwege de uitwisseling van stukken na de zitting. Partijen hebben hier niet op gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Feiten
1. Eiseres houdt zich, blijkens haar uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, onder andere bezig met ontwikkeling, productie, handel, montage, advies, certificering, integratie en financiële dienstverlening rondom nieuwe ecologisch verantwoorde energiesystemen, daarmee gekoppelde energieverbruikende systemen en verdere aanverwante werkgebieden.
2. Op 15 januari 2018, 12 april 2018 en 28 mei 2018 heeft eiseres via haar direct
vertegenwoordiger [bedrijf 1] B.V. te [gemeente] in totaal drie douaneaangiften gedaan van “fotovoltaïsche modules of panelen van monokristallijn silicium- SOLAR MODULES”, ingedeeld onder goederencode 8541 4090 49 (hierna: de zonnepanelen). Bij deze douaneaangiften werd als land van oorsprong “TH” (Thailand) vermeld. Blijkens de gegevens uit de aangiften heeft het Thaise bedrijf [bedrijf 2] Ltd. de zonnepanelen geleverd aan eiseres.
3. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is in 2018 een onderzoek gestart naar verdachte overbrengingen van zonnepanelen vanuit de Volksrepubliek China (China) via Thailand naar de Europese Unie. De bevindingen van het onderzoek heeft OLAF vastgelegd in een rapport met dagtekening 20 november 2020 (hierna: het OLAF-rapport). Het OLAF-rapport bevat drie bijlagen (annexen), te weten:
Annex 1: “ [bedrijf 2] Ltd exports to EU 2017-2018”;
Annex 2: “Consignments identified prior to Thai data with duty calculation”;
Annex 3: “Consignments identified based on the Thai data provided with duty calculation”.
Als bronmateriaal voor de annexen heeft OLAF gebruik gemaakt van Thaise overzichten met specifieke invoer- en uitvoergegevens. Verweerder heeft selecties van dit bronmateriaal van het bedrijf [bedrijf 2] Ltd. welke betrekking hebben op de namens eiseres ingevoerde goederen, overgelegd.
4. In het OLAF-rapport is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“2. Investigative activities carried out and evidence collectedThe investigation focused on collecting evidence to establish the real origin of certain consignments of solar panels imported into the EU and declared as originating in Thailand with [bedrijf 2] Ltd Thailand as named consignor.
(…)
2.2.
Replies and results of the Member States to the AM 2018/010
(…)As a result of the findings provided in response to AM2018/010, and its subsequent analysis by OLAF, it was established that 33 consignments of solar panels needed to be further clarified and checked with the Thai authorities. The documents presented to customs at import into the EU showed either that the named exporter was involved, that the exporter was found in previous similar investigations being involved in fraud or that the goods were consigned from the PRC, notwithstanding that they were declared to be originating in Thailand.(…)2.3 Request to Thailand for cooperationBy letter of 8 May 2019 (OCM(2019)15200) OLAF requested Thai Customs to provide information related to the above mentioned five companies, in particular concerning their possible imports of solar panels from China into Thailand and subsequent exports to the EU covering the period from the beginning of 2017 to the end of August 2018. Thai Customs was requested to include in their reply relevant extracts from customs databases, hard copies of any relevant documentation related to these operations like I invoices, bills of lading, packing lists, etc. and to cover also all imports and exports that eventually had been carried out by the companies concerned via the Free Zone.
2.4.
Information received from the Thai Customs
The Thai reply to OLAF's request was provided in March 2020 (OCM/2020)7731). (…) The data contained information of the imports of solar panels from the PRC into Thailand by the companies referred to in OLAF's request as well regarding the subsequent exports of the same product by these s companies to Europe. The Thai customs authorities linked the exports from the Free Zone with the related imports into the Free Zone via the import declaration numbers. Therefore the country of origin of the exported solar panels could be directly established.In addition to consignments previously identified by the Member States and forwarded to Thai authorities to support OLAF's request for cooperation, the data received from the Thai authorities contained transhipment data of an additional number of 41 containers which were declared to Thai customs as being exported to EU; this concerns, mainly the company [bedrijf 2] Ltd (…).The data received from the Thai authorities was forwarded, as received, to all Member States via AFIS by OLAF on 27 March 2020 (OCM (2020)8412). The Member States were requested to identify from their import data the specific shipments referred to in the Thai data as being of Chinese origin and to inform OLAF of the subsequent measures undertaken in this regard. As a result of a further analysis by OLAF of the details of these additional containers, provided by the Thai authorities, which had not been identified earlier by the Member States, the movement data of all containers was established based on the data in the Container Status Messages database CSM. This information was provided via AFIS to all Member States on 14 April 2020 (OCM(2020)9801).(…)
2.5.
Facts established
Based on the information received from the Member States and from the Thai Customs Administration, the origin of all the solar panels or modules concerned, supplied by the company [bedrijf 2] Ltd, is proven to be the PRC. This is valid in respect of all imports into the EU from this company. All consignments exported from Thailand to EU could be linked with Thai import numbers proving the good concerned were originated from the PRC (see details in Annex 1 to this Final Report).(…)
3. Legal evaluation(…)The evidence collected by OLAF may be used in accordance with Article 21 and 12 (in conjunction) of Council Regulation (EC) No 515/97 as amended. According to Article 45 of Regulation (EC) No 515/97 as amended, this information is covered by the obligation of professional secrecy.Reports and any relevant related documents drawn up in the framework of this investigation C) can be used for proceedings by the competent authorities of the Member States in accordance with the provisions of Regulation (EU, Euratom) No 883/2013 of 11 September 2013 in particular Articles 11(2), 11(3) and 12(1) thereof if not otherwise advised.(…)
5. Comments of the persons concernedThe fifteen companies involved, one exporting and fourteen importing companies, established as persons concerned were given opportunity to comment on the facts established by OLAF concerning the solar panels exported and imported to the EU. All of these and the responses received are contained in the case file.Following the OLAF invitations to comment OLAF has received reply emails or letters of response from the following companies: [eiseres] (…) These comments do not contain any specific or new elements on the facts established. (…) In overall terms, the comments received do not lead to changes in the conclusions of this Final Report regarding the Chinese origin of solar panels established by OLAF.”
5. Tot de stukken van het geding behoort een reactie van de Thaise douaneautoriteiten van 10 februari 2022 op vragen van OLAF:
“ (…) 3. In general which operations (e.g. processing activities) are allowed in the Free Zone concerned, according to the applicable provisions of Thai legislation in this matter?
- This particular Free Zone in this case, it is the Commercial Free Zone where industry activities are not allowed.”
6.
Geschil
7. In geschil is of verweerder de utb terecht aan eiseres heeft opgelegd.
8. Eiseres voert aan dat op basis van de stukken niet is aangetoond dat de zonnepanelen niet van oorsprong uit Thailand zijn. Eiseres betoogt dat het bewijs voor de navordering onvoldoende is omdat verweerder zich slechts baseert op een door OLAF vervaardigd overzicht, zonder dat de basisgegevens (zoals de Thaise in- en uitvoeraangiften) voor het samenstellen van deze overzichten beschikbaar en raadpleegbaar zijn. Zij stelt dat het verband tussen in- en uitvoer alleen exact kan worden vastgesteld aan de hand van de in Thailand ingediende in- en uitvoeraangiften zelf.
Voorts voert eiseres aan dat verweerder onterecht de verjaringstermijn van vijf jaar van artikel 7:7 van de Algemene douanewet (Adw) heeft toegepast en dat het bedrag aan rente op achterstallen haar in ernstige economische en sociale moeilijkheden brengt in de zin van artikel 114, derde lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU).
Eiseres heeft ter zitting de beroepsgrond dat OLAF niet bevoegd was onderzoek te doen, en de beroepsgrond dat er onvoldoende informatie is overgelegd over de productlocatie, ingetrokken.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de utb. Voorts verzoekt eiseres om vergoeding van haar immateriële schade wegens de lange behandelduur van de zaak.
9. Verweerder neemt het standpunt in dat de utb terecht en voor het juiste bedrag aan eiseres is opgelegd. Uit het OLAF-rapport en de bijgevoegde annexen volgt dat de onderhavige zonnepanelen de oorsprong China hebben. Op basis van de door de Thaise douane aangeleverde invoer- en uitvoergegevens staat vast dat de zonnepanelen vanuit China in de Thaise free zone in Thailand werden ingevoerd. Vervolgens werden de zonnepanelen overgeladen en vanuit de Thaise free zone naar Nederland (EU) vervoerd en ten invoer aangegeven. De zonnepanelen uit China zijn niet in Thailand bij [bedrijf 2] Ltd op enige productlocatie geweest. Dit blijkt uit de op de Thaise uitvoeraangiften opgenomen “reference of importation no”. Dat is het unieke nummer van de invoeraangiften waarmee die goederen in de Thaise free zone zijn ingeslagen. In die invoeraangiften staat als oorsprong van de goederen “CN” vermeld. Verweerder ziet ondersteuning voor zijn standpunt in het feit dat per ingevoerde en uitgevoerde container de gewichten, specifieke goederenomschrijvingen en goederencode exact overeen komen en dat tussen de invoeraangiften en opvolgende uitvoeraangiften slechts zeven, drie respectievelijk acht dagen zitten. De gegevens uit de Thaise uitvoeraangiften komen overeen met de gegevens uit de aangiften voor het vrije verkeer van eiseres. Verweerder heeft aan zijn bewijsplicht voldaan. Het is niet noodzakelijk dat de brondocumenten waarop een annex bij het OLAF-rapport is gebaseerd, worden overgelegd of dat OLAF eigen onderzoek verricht. Voorts heeft verweerder terecht een verjaringstermijn van vijf jaar toegepast en heeft verweerder terecht rente op achterstallen berekend.
Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Juridisch kader
10. Op 6 december 2013 is in werking getreden Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China.
11. Op 6 december 2013 is in werking getreden Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1239/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China.
Beoordeling
Bewijslast
12. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de aangiften voor het vrije verkeer omdat hij meent dat de zonnepanelen die zijn aangegeven van oorsprong zijn uit een ander land dan vermeld in de aangiften, rust op hem de last om de daartoe benodigde feiten en omstandigheden te stellen en (in geval van gemotiveerde betwisting) aannemelijk te maken. Anders dan eiseres kennelijk meent hoeft verweerder niet overtuigend aan te tonen dat de zonnepanelen van oorsprong China zijn. Voldoende is om dit aannemelijk te maken.
13. Verweerder heeft verwezen naar de informatie uit het OLAF-rapport en de bijbehorende annexen. OLAF heeft als bronmateriaal gebruik gemaakt van Thaise overzichten met invoer- en uitvoergegevens (verweerder heeft een selectie daarvan overgelegd). De rechtbank constateert dat onderliggende gegevens (zoals de Thaise in- en uitvoeraangiften zelf en andere op de in- en uitvoer betrekking hebbende documenten) zich niet in het dossier bevinden. Ook na de heropening van het onderzoek heeft verweerder dergelijke stukken niet overgelegd. Hij heeft niet de beschikking gehad over deze stukken. De stukken maken geen deel uit van het OLAF-rapport.
14. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat de aangiftegegevens niet als bewijs kunnen worden aanvaard omdat de brondocumenten niet zijn verstrekt, oordeelt de rechtbank dat de vrije bewijsleer met zich brengt dat het de inspecteur vrijstaat (delen van) de overzichten van de Thaise in- en uitvoergegevens als bewijs in te brengen, ook indien hij niet over de documenten beschikt op basis waarvan de Thaise autoriteiten de desbetreffende gegevens hebben opgesteld. Het is vervolgens aan de rechtbank om te beoordelen of de inspecteur, met hetgeen hij heeft ingebracht, heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast.
15. De rechtbank merkt daarbij op dat het terzijde stellen van de bevindingen van een onderzoeksmissie door OLAF dusdanig ingrijpend is, dat dit in het algemeen slechts gerechtvaardigd zal zijn indien de door eiseres aangevoerde grieven tegen de bevindingen van de onderzoeksmissie van OLAF dermate ernstig zijn, dat geen geloofwaardigheid aan de bevindingen van OLAF (meer) kan worden toegekend. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
Oorsprong zonnepanelen
16. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door eiseres in het vrije verkeer gebrachte zonnepanelen in de overgelegde bijlagen bij het OLAF-rapport te volgen tot de invoeraangiften waarmee zij als zonnepanelen van Chinese oorsprong in de Thaise free Zone zijn ingeslagen. De Thaise autoriteiten hebben als volgt een koppeling gemaakt tussen de in- en uitvoeraangiften in Thailand. De op het invoeroverzicht gebezigde unieke invoerdocumentnummers in de kolom “TH Import declaration confiming CN origin” in annex 2 staan ook vermeld in het daarop volgende uitvoeroverzicht in de kolom “reference of importation No” van annex 1. De invoeraangiften bevatten dezelfde hoeveelheid en hetzelfde gewicht aan zonnepanelen. Elke invoeraangifte vermeldt de Chinese oorsprong en de melding dat de goederen in de Free Zone zijn ingeslagen. De corresponderende uitvoeraangiften van dezelfde hoeveelheden en gewichten aan zonnepanelen vond telkens zeven, drie respectievelijk acht dagen later plaats.
17. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de zonnepanelen niet door [bedrijf 2] Ltd in Thailand kunnen zijn vervaardigd. Zoals blijkt uit informatie van de Thaise autoriteiten (zie overweging 5), mochten in de Thaise Free Zone waar de betreffende zonnepanelen zijn doorgevoerd geen industriële activiteiten plaatsvinden. Voorts volgt uit de door de Thaise douaneautoriteiten aangeleverde in- en uitvoergegevens dat de onderhavige zonnepanelen niet vanuit een Thaise Free Zone in het vrije verkeer van Thailand zijn gebracht. De zonnepanelen werden na overlading vanuit de Thaise Free Zone naar Nederland vervoerd en voor het vrije verkeer aangegeven. De zonnepanelen hebben in Thailand de Free Zone niet verlaten en zij zijn niet op enige productielocatie van [bedrijf 2] Ltd geweest.
18. Verweerder heeft de gegevens van OLAF over de uitvoer uit Thailand vergeleken met de in Nederland gedane douaneaangiften waarop deze zaak betrekking heeft. De bootnamen, de containernummers, de specifieke goederenomschrijving en de gewichten die bij de uitvoer uit Thailand zijn opgegeven komen overeen met de in de douaneaangiften vermelde gegevens en de bij deze douaneaangiften overgelegde Bills of Lading, facturen en paklijsten.
19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op basis van voormelde informatie voldaan aan zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat de in het vrije verkeer gebrachte zonnepanelen de oorsprong China hebben in plaats van de oorsprong Thailand.
20. Het feit dat de onderliggende gegevens met betrekking tot de Thaise in- en uitvoergegevens verweerder niet ter beschikking hebben gestaan, biedt de rechtbank onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de gegevens van OLAF, nu eiseres geen enkel concreet aanknopingspunt heeft ingebracht dat doet twijfelen aan de door verweerder overgelegde gegevens van OLAF over de aangeleverde Thaise invoer- en uitvoer die kunnen worden gekoppeld aan de invoeraangiften van eiseres. Dit had naar het oordeel van de rechtbank wel op haar weg gelegen nu verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de zonnepanelen niet van oorsprong uit Thailand zijn. De zonnepanelen zijn eigendom van eiseres, zodat zij met meer productinformatie en informatie over de invoer had kunnen en moeten komen om haar standpunt dat de goederen van oorsprong Thailand zijn, te onderbouwen. Van dermate ernstige grieven tegen de bevindingen van de onderzoeksmissie van OLAF, dat geen geloofwaardigheid aan de bevindingen van OLAF (meer) kan worden toegekend, als hiervoor vermeld in overweging 13, is dus geen sprake.
Verlengde verjaringstermijn
21. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte de verlengde verjaringsstermijn van vijf jaar heeft toegepast. De aangiften zijn aanvaard op onderscheidenlijk 15 januari 2018, 1 april 2018 en 28 mei 2018. Rekening houdend met de opschorting van de termijn van drie jaar (artikel 103, eerste lid van het DWU) vanwege de reactietermijn op het voornemen (artikel 22, zesde lid van het DWU) zijn de eerste twee aangiften met de utb van 17 juni 2021, niet binnen drie jaar opgelegd. Eiseres wist niet en behoorde ook niet te weten dat de zonnepanelen de oorsprong China hadden. Bovendien moet verweerder een strafrechtelijk vervolgbare handeling met bewijzen vaststellen en dat heeft hij niet gedaan. Niet staat vast dat de aangiften onjuist waren. Eiseres treft geen enkel verwijt, zij is juist zorgvuldig geweest en heeft extra onderzoek gedaan naar de oorsprong van de zonnepanelen. Er is geen sprake van het strafbare feit van het indienen van een onjuiste invoeraangifte, want de daarvoor vereiste verwijtbaarheid ontbreekt.
22. Verweerder betoogt dat hij terecht de mededelingstermijn voor het verzenden van de utb heeft verlengd tot vijf jaar na het ontstaan van de douaneschuld. Het doen van een onjuiste douaneaangifte is strafbaar gesteld bij artikel 10:5 van de Adw en eiseres heeft een onjuiste aangifte gedaan.
23. De aangiften zijn aanvaard op onderscheidenlijk 15 januari 2018, 1 april 2018 en 28 mei 2018. De mededeling ervan heeft plaatsgevonden op 17 juni 2021 en dus buiten de termijn van drie jaar van artikel 103, eerste lid, van het DWU en binnen de termijn van vijf jaar van artikel 103, tweede lid, van het DWU. Dat betekent dat de utb alleen in stand kan blijven indien de verlengde verjaringstermijn van artikel 103, tweede lid, van het DWU gelezen in samenhang met artikel 7:7 van de Adw kan worden toegepast.
24. De mededeling van een douaneschuld moet op grond van artikel 103, eerste lid, van het DWU plaatsvinden binnen een termijn van drie jaren nadat de douaneschuld is ontstaan.
Conclusie
Geen rente op achterstallen door toepassing van artikel 114, derde lid, van het DWU
27. Verweerder heeft aan eiseres op grond van artikel 114, tweede lid, van het DWU rente op achterstallen in rekening gebracht voor een bedrag van € 11.114,35. Eiseres heeft gesteld dat het in rekening brengen van dit bedrag aan rente op achterstallen bij haar ernstige economische of sociale moeilijkheden zal veroorzaken.
28. Op grond van artikel 114, derde lid, van het DWU kunnen de douaneautoriteiten op basis van een gedocumenteerde beoordeling van de omstandigheden waarin eiseres verkeert, afzien van het in rekening brengen van rente op achterstallen. De omstandigheid dat verweerder, blijkens de berekening van de hoogte van de utb, niet heeft afgezien van het in rekening brengen van rente op achterstallen begrijpt de rechtbank als een impliciete weigering van verweerder hiervan af te zien.
Eiseres heeft haar stelling dat het bedrag van € 11.114,35 haar in ernstige economische en sociale moeilijkheden zal brengen, niet onderbouwd. De toelichting van eiseres ter zitting over de bron waaruit de rente op achterstallen wordt bekostigd, betreft niet de positie van eiseres. De beroepsgrond van eiseres tegen het in rekening brengen van rente slaagt daarom niet.
Conclusie
29. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.
Verzoek om vergoeding van immateriële schade
30. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De behandeling van deze zaak is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 5 juli 2021 en is geëindigd met de uitspraak van de rechtbank op 31 maart 2025. De redelijke termijn van twee jaar is daarom overschreden met afgerond 21 maanden. Daarmee correspondeert een vergoeding van immateriële schade van € 2.000.
31. Van de 21 maanden overschrijding is (afgerond) 4 maanden aan de bezwaarfase toe te rekenen en (afgerond) 17 maanden aan de beroepsfase. Van het bedrag van € 2.000 dient verweerder (4/21 x € 2.000 = ) € 381 en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) (17/21 x € 2.000 =) € 1.619 te betalen.
Proceskosten
32. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,25), nu de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt toegekend vanwege de vergoeding van door eiseres geleden immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, r.o. 3.14.2, zal de vergoeding van dit bedrag deels moeten plaatsvinden door verweerder en deels door de minister van Justitie en Veiligheid, waarbij om redenen van eenvoud en uitvoerbaarheid dient te worden uitgegaan van een verdeling waarbij ieder van hen de helft betaalt.
Griffierecht
33. Nu de rechtbank het beroep op zichzelf beschouwd ongegrond acht, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekent, geldt op grond van nieuwe jurisprudentie van de Hoge Raad dat het griffierecht niet langer aan eiseres moet worden vergoed. Dit geldt zowel bij verzoeken om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn waarop de met ingang van 1 juli 2013 ingevoerde titel 8.4 Awb van toepassing is, als bij verzoeken om schadevergoeding waarop met overeenkomstige toepassing van het tot 1 juli 2013 geldende artikel 8:73 Awb wordt beslist. Dit laatste is in deze zaak het geval. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is gedaan ter zitting op 23 oktober 2024. Dit is na de datum van het arrest van de Hoge Raad op 31 mei 2024. Daarom bestaat ook op grond van het door de Hoge Raad gecreëerde overgangsrecht geen recht op vergoeding van het griffierecht.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiseres van de aan de bezwaarfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op € 381;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding aan eiseres van de aan de beroepsfase toerekenbare immateriële schade vastgesteld op een bedrag van
€ 1.619;
- veroordeelt verweerder en de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiseres, ieder tot een bedrag van € 113,38.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. P.H. Lauryssen en
mr. W.M.C. Schipper, leden, in aanwezigheid van mr. E.P. van der Zalm, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam, Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Vergelijk de uitspraken van het hof Amsterdam van 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574, r.o. 5.10 en van 27 oktober 2020, ECLI:NL:GHAMS:20202792, r.o. 6.2.1.
Zie HvJ 16 juli 2009, C-124/08 en C-128/08, Snauwaert en Deschaumes, ECLI:EU:C:2009:469, punt 25.
ECLI:NL:HR:2016:2195, r.o. 3.8.5.
vgl. het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526)
ECLI:NL:HR:2016:252.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, overweging 7.1.1.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024, overweging 7.1.2.