Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2024-09-09
ECLI:NL:RBNHO:2024:11021
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,986 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/303862-23 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 9 september 2024
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 8 augustus 2024 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [adres] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
1De vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 8 augustus 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zal vaststellen op € 81.870,88 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is gedagvaard om op 26 augustus 2024 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2024. Op deze datum heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn, en de officier van justitie.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 9 september 2024.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en zich op het standpunt gesteld dat – indien de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen in het onderliggend strafvonnis – het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op € 45.147,38. Indien de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijst, dan vordert de officier van justitie het bedrag vast te stellen op € 81.870,08.
4. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1
Grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust, alsmede de ter zitting door de officier van justitie gegeven toelichting, stelt de rechtbank vast het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr.
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 september 2024 is de veroordeelde onder meer veroordeeld voor – kort gezegd – oplichting, meermalen gepleegd, het verwerven en voorhanden hebben van technische hulpmiddelen met als doel het plegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd. De pleegperiode van de bewezenverklaarde feiten beslaat de periode van 1 maart 2023 tot en met 6 januari 2024.
Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit baten van dit feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
In zijn arrest van 29 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1523) heeft de Hoge Raad – in verband met de onschuldpresumptie – geoordeeld dat de in artikel 36e, tweede lid, Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ niet mogen worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 22 mei 2024 heeft verbalisant [verbalisant] , werkzaam als brigadier bij de politie te Alkmaar, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
In het rapport wordt verwezen naar het opgemaakte zaaksdossier. De rechtbank heeft de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van een concrete berekening. Uit de aangifte van International Card Services B.V. (hierna: ICS) volgt dat in ieder geval twintig verschillende klanten van ICS zijn gedupeerd als gevolg van phishing. Deze klanten zijn allen door ICS gecompenseerd voor hun schade. In de aangifte wordt dit bedrag vastgesteld op € 36.722,70. Daarnaast heeft ICS bij haar aangifte een lijst gevoegd met andere klanten van ICS die op dezelfde wijze slachtoffer zijn geworden van phishing. Ook deze klanten zijn door ICS gecompenseerd voor hun schade. Blijkens de aangifte betreft dit een bedrag van € 45.147,38.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt, onder verwijzing naar de aangifte van ICS, als volgt weergegeven: € 36.722,70 + € 45.147,38 = € 81.870,08.
In onderhavige zaak is niet gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt voor het plegen van de strafbare feiten zodat er geen kosten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
5.3
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen. De rechtbank grondt dit oordeel op basis van de ontnemingsrapportage, de overige processtukken en het onderzoek ter terechtzitting.
De veroordeelde heeft door middel van phishing (persoons)gegevens van klanten van ICS ontvangen en gebruikt en daarmee bedragen afgeschreven van hun rekeningen. De verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting dat hij maar weinig aan deze feiten heeft verdiend, acht de rechtbank, gelet op de grote hoeveelheid gephishte (persoons)gegevens die zijn aangetroffen in zijn telefoons, de vele dure goederen die in de woning van de veroordeelde zijn gevonden en dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat anderen dan de veroordeelde hiervan geprofiteerd hebben, volstrekt ongeloofwaardig.
De rechtbank komt bij het bepalen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel wel tot een andere berekening dan opgenomen in de ontnemingsrapportage. Voor deze berekening heeft de rechtbank de aangifte van ICS als uitgangspunt genomen. De in deze aangifte opgenomen klanten van ICS heeft de rechtbank vervolgens vergeleken met de in de telefoons van de veroordeelde aangetroffen gegevens. Dit heeft geleid tot de volgende lijst van klanten van ICS die het slachtoffer zijn geworden van de phishing door de veroordeelde, en de bedragen die door ICS aan deze slachtoffers zijn vergoed:
[slachtoffer 1] € 2.000,-
[slachtoffer 2] € 1.698,-
[slachtoffer 3] € 1.900,-
[slachtoffer 4] € 2.250,-
[slachtoffer 5] € 5007,40
[slachtoffer 6] € 2.100,-
[slachtoffer 7] € 2.408,75
[slachtoffer 8] € 1.549,98
[slachtoffer 9] € 1.036,99
[slachtoffer 10] € 1.202,95
[slachtoffer 11] € 1.097,67
[slachtoffer 12] € 1.531,30
[slachtoffer 13] € 1.650,-
[slachtoffer 14] € 2.205,60
[slachtoffer 15] € 2.416,97
[slachtoffer 16] € 1.789,-
[slachtoffer 17] € 800,-
[slachtoffer 18] € 1.092,16
[slachtoffer 19] € 2.469,93
[slachtoffer 20] € 604,-
Totaal: € 36.810,70
De rechtbank heeft voorts de klanten van ICS die door middel van dezelfde modus operandi
slachtoffer zijn geworden van phishing vergeleken met de in de telefoons van de veroordeelde aangetroffen gegevens. De rechtbank overweegt dat het op grond van het bewezenverklaarde, in combinatie met de aangetroffen gegevens in de telefoons van de veroordeelde, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde die (persoons)gegevens eveneens door middel van phishing heeft verkregen en daaruit voordeel heeft genoten. Dit heeft dan ook geleid tot de volgende lijst van klanten van ICS die het slachtoffer zijn geworden van de phishing door de veroordeelde, en de bedragen die door ICS aan deze slachtoffers zijn vergoed:
[slachtoffer 21] € 339,95
[slachtoffer 22] € 568,99
[slachtoffer 23] € 583,99
[slachtoffer 24] € 179,98, € 768,50 en € 135,97
[slachtoffer 25] € 0,1, € 0,1, € 539,90, € 332.96 en € 17,48
[slachtoffer 26] € 1.892,99 en € 539,-
[slachtoffer 27] € 96,99 en € 177,13
[slachtoffer 28] € 20,99
[slachtoffer 29] € 52,- en € 11,-
[slachtoffer 30] € 1879,-, € 38,78 en € 47,04
[slachtoffer 31] € 533,-
[slachtoffer 32] € 539,80 en € 317,-
[slachtoffer 33] € 2.356,94
[slachtoffer 34] € 841,56
[slachtoffer 35] € 719,-
[slachtoffer 36] € 106,17
[slachtoffer 37] € 1.898,-
[slachtoffer 38] € 960,-
[slachtoffer 39] € 159,-
[slachtoffer 40] € 1.400,-
[slachtoffer 41] € 485,28
[slachtoffer 42] € 993,77
Totaal: € 19.532,36
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van: (€ 36.810,70 + € 19.532,36) = € 56.343,06. Voor dit bedrag geldt dat de relevante bewijsmiddelen zoals opgenomen in het strafvonnis, ook tot bewijs dienen in deze ontnemingszaak.
Nu niet is gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt voor het plegen van de strafbare feiten, zullen geen kosten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank merkt nog op dat op grond van artikel 36e lid 9 Sr bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen slechts in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan. Hiervan is geen sprake.
6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 56.343,06.
7Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Wijst de vordering gedeeltelijk toe.
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 56.343,06 (zegge: zesenvijftigduizend driehonderddrieënveertig euro en zes eurocent).
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 56.343,06 (zegge: zesenvijftigduizend driehonderddrieënveertig euro en zes eurocent) ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. Lintjer, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. M.S. Neervoort, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 september 2024.
De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Team Straf, zittingsplaats Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15/303862-23 (ontneming) (P)
Uitspraakdatum : 9 september 2024
vonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 8 augustus 2024 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] [adres] ,
thans gedetineerd in Justitieel Complex Schiphol.
1De vordering
De officier van justitie heeft bij vordering van 8 augustus 2024 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) zal vaststellen op € 81.870,88 en dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie baseert de vordering op de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is gedagvaard om op 26 augustus 2024 te verschijnen voor de meervoudige strafkamer in deze rechtbank.
2Het verloop van de procedure
De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 26 augustus 2024. Op deze datum heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman mr. B.H.J. van Rhijn, advocaat te Doorn, en de officier van justitie.
Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 9 september 2024.
3Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en zich op het standpunt gesteld dat – indien de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen in het onderliggend strafvonnis – het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld moet worden op € 45.147,38. Indien de rechtbank de vordering van de benadeelde partij afwijst, dan vordert de officier van justitie het bedrag vast te stellen op € 81.870,08.
4. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel
5.1
Grondslag van de vordering
Gezien de stukken waarop de vordering berust, alsmede de ter zitting door de officier van justitie gegeven toelichting, stelt de rechtbank vast het een vordering betreft die is gebaseerd op artikel 36e, tweede lid, Sr.
Bij vonnis van deze rechtbank van 9 september 2024 is de veroordeelde onder meer veroordeeld voor – kort gezegd – oplichting, meermalen gepleegd, het verwerven en voorhanden hebben van technische hulpmiddelen met als doel het plegen van computervredebreuk, meermalen gepleegd, en computervredebreuk, meermalen gepleegd. De pleegperiode van de bewezenverklaarde feiten beslaat de periode van 1 maart 2023 tot en met 6 januari 2024.
Op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr kan aan de veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit baten van dit feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
In zijn arrest van 29 september 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1523) heeft de Hoge Raad – in verband met de onschuldpresumptie – geoordeeld dat de in artikel 36e, tweede lid, Sr bedoelde ‘voldoende aanwijzingen’ niet mogen worden aangenomen indien niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat andere strafbare feiten door de veroordeelde zijn begaan.
5.2
De ontnemingsrapportage
Op 22 mei 2024 heeft verbalisant [verbalisant] , werkzaam als brigadier bij de politie te Alkmaar, een rapport opgesteld betreffende het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit rapport zal hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportage.
In het rapport wordt verwezen naar het opgemaakte zaaksdossier. De rechtbank heeft de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.
In de ontnemingsrapportage is het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van een concrete berekening. Uit de aangifte van International Card Services B.V. (hierna: ICS) volgt dat in ieder geval twintig verschillende klanten van ICS zijn gedupeerd als gevolg van phishing. Deze klanten zijn allen door ICS gecompenseerd voor hun schade. In de aangifte wordt dit bedrag vastgesteld op € 36.722,70. Daarnaast heeft ICS bij haar aangifte een lijst gevoegd met andere klanten van ICS die op dezelfde wijze slachtoffer zijn geworden van phishing. Ook deze klanten zijn door ICS gecompenseerd voor hun schade. Blijkens de aangifte betreft dit een bedrag van € 45.147,38.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt, onder verwijzing naar de aangifte van ICS, als volgt weergegeven: € 36.722,70 + € 45.147,38 = € 81.870,08.
In onderhavige zaak is niet gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt voor het plegen van de strafbare feiten zodat er geen kosten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
5.3
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de in de strafzaak bewezenverklaarde feiten. Dit voordeel dient hem te worden ontnomen. De rechtbank grondt dit oordeel op basis van de ontnemingsrapportage, de overige processtukken en het onderzoek ter terechtzitting.
De veroordeelde heeft door middel van phishing (persoons)gegevens van klanten van ICS ontvangen en gebruikt en daarmee bedragen afgeschreven van hun rekeningen. De verklaring van de veroordeelde ter terechtzitting dat hij maar weinig aan deze feiten heeft verdiend, acht de rechtbank, gelet op de grote hoeveelheid gephishte (persoons)gegevens die zijn aangetroffen in zijn telefoons, de vele dure goederen die in de woning van de veroordeelde zijn gevonden en dat op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat anderen dan de veroordeelde hiervan geprofiteerd hebben, volstrekt ongeloofwaardig.
De rechtbank komt bij het bepalen van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel wel tot een andere berekening dan opgenomen in de ontnemingsrapportage. Voor deze berekening heeft de rechtbank de aangifte van ICS als uitgangspunt genomen. De in deze aangifte opgenomen klanten van ICS heeft de rechtbank vervolgens vergeleken met de in de telefoons van de veroordeelde aangetroffen gegevens. Dit heeft geleid tot de volgende lijst van klanten van ICS die het slachtoffer zijn geworden van de phishing door de veroordeelde, en de bedragen die door ICS aan deze slachtoffers zijn vergoed:
[slachtoffer 1] € 2.000,-
[slachtoffer 2] € 1.698,-
[slachtoffer 3] € 1.900,-
[slachtoffer 4] € 2.250,-
[slachtoffer 5] € 5007,40
[slachtoffer 6] € 2.100,-
[slachtoffer 7] € 2.408,75
[slachtoffer 8] € 1.549,98
[slachtoffer 9] € 1.036,99
[slachtoffer 10] € 1.202,95
[slachtoffer 11] € 1.097,67
[slachtoffer 12] € 1.531,30
[slachtoffer 13] € 1.650,-
[slachtoffer 14] € 2.205,60
[slachtoffer 15] € 2.416,97
[slachtoffer 16] € 1.789,-
[slachtoffer 17] € 800,-
[slachtoffer 18] € 1.092,16
[slachtoffer 19] € 2.469,93
[slachtoffer 20] € 604,-
Totaal: € 36.810,70
De rechtbank heeft voorts de klanten van ICS die door middel van dezelfde modus operandi
slachtoffer zijn geworden van phishing vergeleken met de in de telefoons van de veroordeelde aangetroffen gegevens. De rechtbank overweegt dat het op grond van het bewezenverklaarde, in combinatie met de aangetroffen gegevens in de telefoons van de veroordeelde, buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de veroordeelde die (persoons)gegevens eveneens door middel van phishing heeft verkregen en daaruit voordeel heeft genoten. Dit heeft dan ook geleid tot de volgende lijst van klanten van ICS die het slachtoffer zijn geworden van de phishing door de veroordeelde, en de bedragen die door ICS aan deze slachtoffers zijn vergoed:
[slachtoffer 21] € 339,95
[slachtoffer 22] € 568,99
[slachtoffer 23] € 583,99
[slachtoffer 24] € 179,98, € 768,50 en € 135,97
[slachtoffer 25] € 0,1, € 0,1, € 539,90, € 332.96 en € 17,48
[slachtoffer 26] € 1.892,99 en € 539,-
[slachtoffer 27] € 96,99 en € 177,13
[slachtoffer 28] € 20,99
[slachtoffer 29] € 52,- en € 11,-
[slachtoffer 30] € 1879,-, € 38,78 en € 47,04
[slachtoffer 31] € 533,-
[slachtoffer 32] € 539,80 en € 317,-
[slachtoffer 33] € 2.356,94
[slachtoffer 34] € 841,56
[slachtoffer 35] € 719,-
[slachtoffer 36] € 106,17
[slachtoffer 37] € 1.898,-
[slachtoffer 38] € 960,-
[slachtoffer 39] € 159,-
[slachtoffer 40] € 1.400,-
[slachtoffer 41] € 485,28
[slachtoffer 42] € 993,77
Totaal: € 19.532,36
Gelet op het voorgaande berekent de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van: (€ 36.810,70 + € 19.532,36) = € 56.343,06. Voor dit bedrag geldt dat de relevante bewijsmiddelen zoals opgenomen in het strafvonnis, ook tot bewijs dienen in deze ontnemingszaak.
Nu niet is gebleken dat de veroordeelde kosten heeft gemaakt voor het plegen van de strafbare feiten, zullen geen kosten in mindering worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
De rechtbank merkt nog op dat op grond van artikel 36e lid 9 Sr bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen slechts in mindering worden gebracht voor zover die zijn voldaan. Hiervan is geen sprake.
6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.
Ook overigens is niet gebleken van feiten en omstandigheden, op grond waarvan het door de veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.
De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door de veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 56.343,06.
7Toepasselijke wettelijke bepaling
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
Wijst de vordering gedeeltelijk toe.
Stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vast op € 56.343,06 (zegge: zesenvijftigduizend driehonderddrieënveertig euro en zes eurocent).
Legt aan de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 56.343,06 (zegge: zesenvijftigduizend driehonderddrieënveertig euro en zes eurocent) ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
Wijst de vordering voor het overige af.
Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J. Lintjer, voorzitter,
mr. M.E. Francke en mr. M.S. Neervoort, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Snelder,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 september 2024.
De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.