Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2023-04-11
ECLI:NL:RBNHO:2023:8002
Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,524 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 10336791 \ WM VERZ 23-136
CJIB-nummer : 246939140
Uitspraakdatum : 11 april 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
naam : [betrokkene]
(hierna te noemen: betrokkene)
gemachtigde : M.J.M. Bergers, Boete.nu te Maastricht.
1Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting
1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 4 april 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is niet verschenen.
1.3.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. Aanvullende stelt de vertegenwoordiger van de officier van justitie dat het in onderhavige zaak gaat om een gedragsregel en dat dat de verklaring van de verbalisant dat er onnodig geluid is veroorzaakt doorslaggevend is.
1.4.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.
Overwegingen
2.1.
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfiets onnodig geluid veroorzaken.
2.2.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft in het beroepschrift de gronden daarvoor aangevoerd.
2.3.
De gemachtigde van betrokkene stelt dat de verbalisant heeft vastgesteld dat het voertuig niet voldoet aan de geldende eisen. Daarvoor is artikel 57 RVV 1990 niet bedoeld. Er wordt in het zaakoverzicht niet aangegeven dat betrokkene ook daadwerkelijk onnodig geluid zou hebben veroorzaakt, aldus gemachtigde.
2.4.
De officier van justitie heeft een aanvullend proces-verbaal laten opmaken door de verbalisant. In dit aanvullend proces-verbaal is het volgende vermeld: “…ik hoorde dat het geluid dusdanig hard was dat ik het duidelijk kon horen. Zelfs met gehoorbescherming in een helm op. Ik hoorde dat het geluid aanzwol. Ik zag dat er een bromfiets mij tegemoet kwam rijden en hoorde dat de uitlaat een geluid produceerde dat beduidend hoger lag dan wat toegestaan is voor een bromfiets. Ik herkende het geluid ambtshalve als het geluid van een uitlaat waarvan de zogenaamde dB-killer is verwijderd. Het geluidsniveau was zodanig luid dat er bij mij geen enkele twijfel over bestond dat dit boven de toegestane grens lag. (…) Ik heb de bestuurder stilgehouden en zag dat de uitlaat inderdaad niet was voorzien van een dB-killer. (…) Ik zag dat de DB-killer in de buddyseat van de bromfiets lag…”.
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de aanvullende verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat het voertuig van betrokkene onnodig geluid heeft veroorzaakt. In de onderhavige zaak heeft de verbalisant op het gehoor geconstateerd dat het voertuig uitzonderlijk veel uitlaatgeluid produceerde. Verder heeft hij vastgesteld dat de zogenaamde dB-killer uit de uitlaat was verwijderd. Rijden met een voertuig waarvan de uitlaat is gemodificeerd, waardoor geluidsnormen worden overschreden, kan ook een overtreding van permanente voertuigeisen opleveren. Dat betekent echter niet dat een verbalisant geen boete kan opleggen voor onnodig geluid veroorzaken, wanneer hij constateert dat met een dergelijk voertuig op de openbare weg buitensporig geluid wordt gemaakt. Voertuigeisen en gedragsregels kunnen naast elkaar bestaan.
Betrokkene heeft onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. De kantonrechter ziet geen aanleiding om proceskosten toe te kennen, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond;
‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Ploeger, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:
Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 juli 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2018:6729.