Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2025-01-20
ECLI:NL:GHARL:2025:229
Strafrecht, Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht
Hoger beroep
2,676 tokens
Inleiding
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.346.447/01
CJIB-nummer
: 250952058
Uitspraak d.d.
: 20 januari 2025
Arrest op het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2024, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.
Dictum
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Beoordeling
1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 14 juli 2022 om 20.35 uur op de Paviljoensgracht in ‘s-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de verbalisant overdrijft door te stellen dat de betrokkene 25x gas heeft gegeven. De betrokkene heeft 3 maal een beschikking gekregen voor onnodig geluid veroorzaken, hetgeen een onevenredige opeenstapeling van beschikkingen is. De verbalisant heeft niet continu zicht gehad op de betrokkene, zodat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene de gedragingen heeft begaan.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Gedragingsgegevens: ik zag het voertuig rijden over de volgende straten: Paviljoensgracht, Gedempte Burgwal en Gedempte Gracht. Ik zag dat de betrokkene 6 keer heel hard optrok, tientallen meters doorreed en vervolgens weer heel hard remde. Tijdens deze gedraging hoorde ik de uitlaat van het voertuig heel hard ‘knetteren’. Dit ‘knetteren’ veroorzaakte diverse harde klappen, welke volledig onnodig waren. (…) Ik heb de betrokkene drie keer een proces-verbaal aangezegd, één proces-verbaal per straat waar de overtreding is begaan. De overtredingen zijn in alle straten geconstateerd.”
5. In het proces-verbaal van 5 november 2024 dat door de advocaat-generaal bij het verweerschrift is gevoegd, verklaart de ambtenaar op ambtsbelofte onder meer:
“Ondanks dat de gedraging nu meer dan 2 jaar geleden is, herinner ik me dit nog goed. Ik weet dat de betrokkene in een Mercedes AMG reed. Ik weet dat dit een sportieve auto is. Ik weet dat dit type auto, over het algemeen, meer geluid produceert dan auto’s van minder sportieve aard. Het geluid van dit type auto is mij bekend. Het is mij tevens bekend dat bij (te) hard optrekken en hard remmen, er expres knallen en roffels uit een uitlaat kunnen komen. (…)
Ik zag het voertuig op de genoemde datum over de Paviljoensgracht, Gedempte Burgwal en Gedempte Gracht rijden. Deze straten in het centrum van Den Haag zijn smal, druk en vol met overige weggebruikers. Het is hier niet mogelijk om hard te rijden. (…)
Ik zag dat de bestuurder vanuit een lage snelheid heel hard optrok en vervolgens heel hard remde, om vervolgens deze cyclus meermaals te herhalen. Ik hoorde hierbij steeds, na het remmen, harde knallen en roffels.
Ik heb gedurende de gehele tijd zicht gehad op het voertuig van betrokkene. Dit kon ik doen omdat het druk op straat was en betrokkene steeds heel hard moest remmen voor het overige verkeer.
De betrokkene heeft hierop in mijn opzicht opzettelijk, meermaals, expres hard geluid gemaakt. De betrokkene was zich er van bewust dat hij niet hard kon rijden maar trok hard op om zo knallen uit zijn uitlaat te laten horen. Ik ben van mening dat dit onnodig geluid produceren is.
Doordat de betrokkene dit minimaal drie keer heeft gedaan, kan er geen sprake zijn van een keer te hard optrekken. De betrokkene heeft willens en wetens onnodig vaak geluid geproduceerd.”
6. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 57 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 dat bepaalt dat bestuurders van een motorvoertuig, bromfietsers en snorfietsers met hun voertuig geen onnodig geluid mogen veroorzaken.
7. Dit artikel is bedoeld om op te kunnen treden juist in die gevallen waarin een voertuig aan alle daaraan te stellen eisen voldoet, maar daarmee onnodig geluid gemaakt wordt. Onder onnodig geluid moet worden verstaan het geluid dat sterker is dan het geluid dat het rijden met een naar de eisen van de tijd normaal ingerichte auto onvermijdelijk veroorzaakt. Van onnodig geluid zal men eerst kunnen spreken, zodra het veroorzaakte geluid het normale, geaccepteerde, door auto's veroorzaakte geluid te boven gaat. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de motor op een onnodig hoog toerental wordt gebracht, met piepende banden wordt geremd of wijzigingen worden aangebracht aan (goedgekeurde) onderdelen (zie bijvoorbeeld het arrest van het hof van 23 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6729).
8. Anders dan de gemachtigde stelt, heeft de ambtenaar nergens in zijn verklaring gesteld dat de betrokkene 25 keer gas heeft gegeven. Van de door de gemachtigde bedoelde overdrijving is geen sprake. Uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt dat de betrokkene door de wijze van rijden meer geluid dan nodig heeft geproduceerd. Uit de verklaringen van de ambtenaar blijkt bovendien dat hij continu zicht heeft gehad op het voertuig van de betrokkene. De gedraging kan dan ook worden vastgesteld. Deze grond faalt.
9. Gelet op hetgeen is aangevoerd dient het hof vervolgens te beoordelen of er andere redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen.
10. Die redenen zijn er niet. Zoals uit vaste jurisprudentie van het hof volgt, kan de omstandigheid dat de betrokkene in korte tijd meerdere sancties heeft gekregen wegens soortgelijke gedragingen hem niet baten. Er is sprake van drie gedragingen op drie verschillende momenten op drie verschillende straten. De betrokkene had zijn verkeersgedrag op elk moment kunnen en moeten aanpassen. Er is geen sprake van onevenredige cumulatie van boetes. Deze grond faalt ook.
11. De gemachtigde voert voorts aan dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.
12. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is aangevangen met de staandehouding van de betrokkene op 14 juli 2022. De termijn is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 19 juli 2024. Dit betreft een termijn van meer dan twee jaren.
13. De advocaat-generaal heeft gewezen op de uitspraak van het hof van 25 januari 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:656, waaruit volgt dat in het geval van een draagkrachtverweer de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg, die als uitgangspunt twee jaren, bedraagt met vier maanden moet worden verlengd. De advocaat-generaal stelt zich om die reden op het standpunt dat hier geen sprake is van schending van de redelijke termijn.
14. Weliswaar heeft de kantonrechter op de zitting van 13 maart 2024 gehandeld alsof door de gemachtigde een draagkrachtverweer was gevoerd en vervolgens geoordeeld dat er onvoldoende aanleiding bestaat om de te stellen zekerheid te verlagen, waarna aan de betrokkene een nieuwe termijn is gegeven om zekerheid te stellen, maar de gemachtigde heeft in de onderhavige zaak geen draagkrachtverweer gevoerd. Er is dan ook geen sprake van een aan de betrokkene of diens gemachtigde toe te rekenen verlenging van de termijn van berechting die maakt dat de redelijke termijn van berechting niet is overschreden. Het hof zal daarom het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van dit hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
15. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.
Dictum
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.133,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.