Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-05-06
ECLI:NL:RBMNE:2026:2442
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,088 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2442 text/xml public 2026-05-19T10:35:11 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11913141 \ LC EXPL 25-2065 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2442 text/html public 2026-05-19T10:34:49 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2442 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11913141 \ LC EXPL 25-2065 Huurkoop. Omdat gedaagde huurtermijnen onbetaald heeft gelaten, wordt nu het geheel opgeëist. De verweren van gedaagde slagen niet. De vordering wordt toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11913141 \ LC EXPL 25-2065 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van ALPHA CREDIT NEDERLAND B.V., handelend onder de naam ALPHA PLUS , te Bunnik, eisende partij, hierna te noemen: Alpha, gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.C. de Graaff. 1 De zaak in het kort Partijen hebben in 2017 een huurkoopovereenkomst voor een motor gesloten. [gedaagde] heeft meerdere huurtermijnen niet voldaan. Alpha heeft op basis van de algemene voorwaarden het gehele bedrag vervroegd opgeëist. [gedaagde] voert verschillende redenen aan waarom hij vindt dat hij het bedrag niet (meer) hoeft te betalen. De verweren van [gedaagde] slagen niet. De vordering van Alpha wordt toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is. 2 De procedure 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 8 producties van 18 september 2025, - de conclusie van antwoord met 1 productie, - de conclusie van repliek met producties 9 en 10, - de conclusie van dupliek. 2.2 Tenslotte is vonnis bepaald. 3 De beoordeling [gedaagde] moet de hoofdsom van € 23.586,26 aan Alpha betalen 3.1 De verweren van [gedaagde] slagen niet. De conclusie is dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 23.586,26. Hieronder wordt per verweer uitgelegd waarom het niet slaagt. Het is niet onaanvaardbaar dat Alpha vasthoudt aan haar vordering 3.2 [gedaagde] voert aan dat de motor is gestolen. [gedaagde] verwijt Alpha dat zij niet heeft meegewerkt aan het doen van aangifte. [gedaagde] kon zelf de aangifte niet doen, omdat de motor op naam stond van Alpha als eigenaar. Omdat Alpha geen aangifte wilde doen, heeft de verzekering niet uitgekeerd. Daarnaast vindt [gedaagde] dat sprake is van rechtsverwerking, omdat Alpha zich een te lange tijd stil heeft gehouden. [gedaagde] betoogt dat hij er hierdoor gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Alpha haar aanspraak niet meer geldend zou maken. 3.3 Alpha betwist dat haar is verzocht om aangifte van de diefstal te doen. Alpha verwijst naar de uitspraak van het Kifid op de klacht die [gedaagde] had ingediend. 3.4 In de procedure bij het Kifid heeft [gedaagde] kwijtschelding van het openstaande krediet en verwijdering van de BKR-registratie gevraagd. Kifid heeft de vorderingen van [gedaagde] in de uitspraak van 6 december 2024 afgewezen. De uitspraak van Kifid is bindend. De kantonrechter sluit dan ook aan bij wat Kifid over de klacht van [gedaagde] heeft geoordeeld. Het oordeel van Kifid houdt in dat het niet onaanvaardbaar is dat Alpha vasthoudt aan haar vordering. [gedaagde] heeft niet kunnen aantonen dat hij Alpha heeft gevraagd om aangifte te doen en dat Alpha dit geweigerd heeft. Het is daarom niet vast komen te staan dat Alpha op dit punt nalatig is geweest. Overigens geldt in de onderhavige procedure ook dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat hij Alpha heeft verzocht om aangifte te doen. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van [gedaagde] om de bewijslast op dit punt om te keren, omdat het Kifid hierover al geoordeeld heeft en deze uitspraak tussen partijen bindend is. 3.5 Kifid heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] er na het vonnis van de rechtbank van 12 mei 2021 (waarin de garagehouder wordt veroordeeld om de motor aan de Alpha terug te geven) niet van uit mocht gaan dat hij het krediet niet meer hoefde terug te betalen, omdat in het vonnis niets wordt gezegd over de leaseovereenkomst tussen Alpha en [gedaagde] . Dit leidt ook in deze procedure tot de conclusie dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt. Geen sprake van verjaring 3.6 [gedaagde] doet een beroep op verjaring. Dat beroep slaagt niet. Uit de brieven van Alpha (productie 9 bij dagvaarding) blijkt dat Alpha ook in de periode tussen 9 april 2018 en 4 juli 2024, namelijk op 20 september 2018, 27 juni 2019, 4 februari 2021, 9 maart 2021, 4 maart 2020, aanspraak op betaling heeft gemaakt door brieven aan [gedaagde] te sturen. Hoewel [gedaagde] heeft betwist dat hij de brieven heeft ontvangen, is er geen aanleiding om aan te nemen dat geen enkele van de brieven [gedaagde] heeft bereikt. Uit de mailwisseling die Alpha heeft overgelegd blijkt namelijk dat [gedaagde] op 29 maart 2024 heeft gereageerd op een e-mailbericht van Alpha van 20 mei 2021. Dit bericht moet [gedaagde] dus in ieder geval hebben ontvangen. Dit geldt als stuitingshandeling. De conclusie is dat van verjaring geen sprake is. [gedaagde] moet de vertragingsrente en de buitengerechtelijke kosten vergoeden 3.7 De verweren van [gedaagde] tegen de bijkomende kosten slagen niet. Hieronder wordt per verweer uitgelegd waarom het niet slaagt. [gedaagde] kan zich niet beroepen op consumentenbescherming 3.8 [gedaagde] voert aan dat hij zich, ondanks dat hij de overeenkomst als eenmanszaak heeft gesloten, kan beroepen op consumentenbescherming. Dit heet reflexwerking. [gedaagde] betoogt dat hij als kleine ondernemer opereerde met beperkte draagkracht en een kwetsbare positie. [gedaagde] had geen personeel in dienst, verrichte alle werkzaamheden zelfstandig en had geen juridische of financiële ondersteuning. Daardoor acht hij zijn positie vergelijkbaar met die van een consument. [gedaagde] vindt dat de rente onredelijk en disproportioneel is. 3.9 Het staat vast dat [gedaagde] de overeenkomst niet als consument maar onder zijn bedrijfsnaam ‘ [bedrijf] ’ heeft gesloten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat toepassing van de reflexwerking voor de hand ligt in het geval dat een rechtspersoon wel in de uitoefening van haar beroep of bedrijf een overeenkomst sluit, maar die overeenkomst geen betrekking heeft op haar eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten. In dit geval gaat het niet om een rechtspersoon maar om een eenmanszaak en wordt de uitspraak analoog toegepast. Voor de vraag of [gedaagde] toch een beroep kan doen op de reflexwerking is van belang of zijn positie zozeer vergelijkbaar is met die van een consument, dat het aannemen van reflexwerking gerechtvaardigd is. 3.10 De kantonrechter oordeelt, ondanks hetgeen [gedaagde] heeft gesteld, dat hij in zijn verhouding tot Alpha niet als een consument kan worden aangemerkt. Het is aan [gedaagde] om relevante omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die erop wijzen dat sprake is van reflexwerking en dat het beding onredelijk bezwarend is. Niet is gesteld of gebleken dat het beroepsmatige gebruik van de motor verwaarloosbaar is ten opzichte van het privégebruik. Weliswaar is sprake van een klein bedrijf, namelijk een eenmanszaak, maar dit maakt niet dat het niet vanzelfsprekend is dat [gedaagde] als consument aangemerkt moet worden. De enkele stelling van [gedaagde] dat de contractuele vertragingsrente tot een buitensporige financiële last leidt, is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende om vast te stellen dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. De overeenkomst is aangegaan voor 60 maanden (5 jaar) en doordat [gedaagde] niet is nagekomen is de overeenkomst vroegtijdig beëindigd. Op basis van de algemene voorwaarden is het gehele bedrag opeisbaar. De afspraak dat hierover een rente van 0,700% per maand in rekening wordt gebracht is op zichzelf niet onevenwichtig. De vertragingsrente 3.11 [gedaagde] vindt dat de vertragingsrente moet worden afgewezen. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Zoals hierboven is toegelicht, kan [gedaagde] zich niet beroepen op consumentenbescherming.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2442 text/xml public 2026-05-19T10:35:11 2026-05-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-05-06 11913141 \ LC EXPL 25-2065 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2442 text/html public 2026-05-19T10:34:49 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2442 Rechtbank Midden-Nederland , 06-05-2026 / 11913141 \ LC EXPL 25-2065 Huurkoop. Omdat gedaagde huurtermijnen onbetaald heeft gelaten, wordt nu het geheel opgeëist. De verweren van gedaagde slagen niet. De vordering wordt toegewezen. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Lelystad Zaaknummer: 11913141 \ LC EXPL 25-2065 Vonnis van 6 mei 2026 in de zaak van ALPHA CREDIT NEDERLAND B.V., handelend onder de naam ALPHA PLUS , te Bunnik, eisende partij, hierna te noemen: Alpha, gemachtigde: Hanemaayer De Boer & Partners, tegen [gedaagde] , te [plaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: mr. J.C. de Graaff. 1 De zaak in het kort Partijen hebben in 2017 een huurkoopovereenkomst voor een motor gesloten. [gedaagde] heeft meerdere huurtermijnen niet voldaan. Alpha heeft op basis van de algemene voorwaarden het gehele bedrag vervroegd opgeëist. [gedaagde] voert verschillende redenen aan waarom hij vindt dat hij het bedrag niet (meer) hoeft te betalen. De verweren van [gedaagde] slagen niet. De vordering van Alpha wordt toegewezen. Hieronder wordt uitgelegd waarom dat zo is. 2 De procedure 2.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 8 producties van 18 september 2025, - de conclusie van antwoord met 1 productie, - de conclusie van repliek met producties 9 en 10, - de conclusie van dupliek. 2.2 Tenslotte is vonnis bepaald. 3 De beoordeling [gedaagde] moet de hoofdsom van € 23.586,26 aan Alpha betalen 3.1 De verweren van [gedaagde] slagen niet. De conclusie is dat [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van € 23.586,26. Hieronder wordt per verweer uitgelegd waarom het niet slaagt. Het is niet onaanvaardbaar dat Alpha vasthoudt aan haar vordering 3.2 [gedaagde] voert aan dat de motor is gestolen. [gedaagde] verwijt Alpha dat zij niet heeft meegewerkt aan het doen van aangifte. [gedaagde] kon zelf de aangifte niet doen, omdat de motor op naam stond van Alpha als eigenaar. Omdat Alpha geen aangifte wilde doen, heeft de verzekering niet uitgekeerd. Daarnaast vindt [gedaagde] dat sprake is van rechtsverwerking, omdat Alpha zich een te lange tijd stil heeft gehouden. [gedaagde] betoogt dat hij er hierdoor gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Alpha haar aanspraak niet meer geldend zou maken. 3.3 Alpha betwist dat haar is verzocht om aangifte van de diefstal te doen. Alpha verwijst naar de uitspraak van het Kifid op de klacht die [gedaagde] had ingediend. 3.4 In de procedure bij het Kifid heeft [gedaagde] kwijtschelding van het openstaande krediet en verwijdering van de BKR-registratie gevraagd. Kifid heeft de vorderingen van [gedaagde] in de uitspraak van 6 december 2024 afgewezen. De uitspraak van Kifid is bindend. De kantonrechter sluit dan ook aan bij wat Kifid over de klacht van [gedaagde] heeft geoordeeld. Het oordeel van Kifid houdt in dat het niet onaanvaardbaar is dat Alpha vasthoudt aan haar vordering. [gedaagde] heeft niet kunnen aantonen dat hij Alpha heeft gevraagd om aangifte te doen en dat Alpha dit geweigerd heeft. Het is daarom niet vast komen te staan dat Alpha op dit punt nalatig is geweest. Overigens geldt in de onderhavige procedure ook dat [gedaagde] niet heeft aangetoond dat hij Alpha heeft verzocht om aangifte te doen. De kantonrechter gaat voorbij aan het verzoek van [gedaagde] om de bewijslast op dit punt om te keren, omdat het Kifid hierover al geoordeeld heeft en deze uitspraak tussen partijen bindend is. 3.5 Kifid heeft verder geoordeeld dat [gedaagde] er na het vonnis van de rechtbank van 12 mei 2021 (waarin de garagehouder wordt veroordeeld om de motor aan de Alpha terug te geven) niet van uit mocht gaan dat hij het krediet niet meer hoefde terug te betalen, omdat in het vonnis niets wordt gezegd over de leaseovereenkomst tussen Alpha en [gedaagde] . Dit leidt ook in deze procedure tot de conclusie dat het beroep op rechtsverwerking niet slaagt. Geen sprake van verjaring 3.6 [gedaagde] doet een beroep op verjaring. Dat beroep slaagt niet. Uit de brieven van Alpha (productie 9 bij dagvaarding) blijkt dat Alpha ook in de periode tussen 9 april 2018 en 4 juli 2024, namelijk op 20 september 2018, 27 juni 2019, 4 februari 2021, 9 maart 2021, 4 maart 2020, aanspraak op betaling heeft gemaakt door brieven aan [gedaagde] te sturen. Hoewel [gedaagde] heeft betwist dat hij de brieven heeft ontvangen, is er geen aanleiding om aan te nemen dat geen enkele van de brieven [gedaagde] heeft bereikt. Uit de mailwisseling die Alpha heeft overgelegd blijkt namelijk dat [gedaagde] op 29 maart 2024 heeft gereageerd op een e-mailbericht van Alpha van 20 mei 2021. Dit bericht moet [gedaagde] dus in ieder geval hebben ontvangen. Dit geldt als stuitingshandeling. De conclusie is dat van verjaring geen sprake is. [gedaagde] moet de vertragingsrente en de buitengerechtelijke kosten vergoeden 3.7 De verweren van [gedaagde] tegen de bijkomende kosten slagen niet. Hieronder wordt per verweer uitgelegd waarom het niet slaagt. [gedaagde] kan zich niet beroepen op consumentenbescherming 3.8 [gedaagde] voert aan dat hij zich, ondanks dat hij de overeenkomst als eenmanszaak heeft gesloten, kan beroepen op consumentenbescherming. Dit heet reflexwerking. [gedaagde] betoogt dat hij als kleine ondernemer opereerde met beperkte draagkracht en een kwetsbare positie. [gedaagde] had geen personeel in dienst, verrichte alle werkzaamheden zelfstandig en had geen juridische of financiële ondersteuning. Daardoor acht hij zijn positie vergelijkbaar met die van een consument. [gedaagde] vindt dat de rente onredelijk en disproportioneel is. 3.9 Het staat vast dat [gedaagde] de overeenkomst niet als consument maar onder zijn bedrijfsnaam ‘ [bedrijf] ’ heeft gesloten. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat toepassing van de reflexwerking voor de hand ligt in het geval dat een rechtspersoon wel in de uitoefening van haar beroep of bedrijf een overeenkomst sluit, maar die overeenkomst geen betrekking heeft op haar eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten. In dit geval gaat het niet om een rechtspersoon maar om een eenmanszaak en wordt de uitspraak analoog toegepast. Voor de vraag of [gedaagde] toch een beroep kan doen op de reflexwerking is van belang of zijn positie zozeer vergelijkbaar is met die van een consument, dat het aannemen van reflexwerking gerechtvaardigd is. 3.10 De kantonrechter oordeelt, ondanks hetgeen [gedaagde] heeft gesteld, dat hij in zijn verhouding tot Alpha niet als een consument kan worden aangemerkt. Het is aan [gedaagde] om relevante omstandigheden te stellen (en zo nodig te bewijzen) die erop wijzen dat sprake is van reflexwerking en dat het beding onredelijk bezwarend is. Niet is gesteld of gebleken dat het beroepsmatige gebruik van de motor verwaarloosbaar is ten opzichte van het privégebruik. Weliswaar is sprake van een klein bedrijf, namelijk een eenmanszaak, maar dit maakt niet dat het niet vanzelfsprekend is dat [gedaagde] als consument aangemerkt moet worden. De enkele stelling van [gedaagde] dat de contractuele vertragingsrente tot een buitensporige financiële last leidt, is naar het oordeel van de kantonrechter niet voldoende om vast te stellen dat sprake is van een onredelijk bezwarend beding. De overeenkomst is aangegaan voor 60 maanden (5 jaar) en doordat [gedaagde] niet is nagekomen is de overeenkomst vroegtijdig beëindigd. Op basis van de algemene voorwaarden is het gehele bedrag opeisbaar. De afspraak dat hierover een rente van 0,700% per maand in rekening wordt gebracht is op zichzelf niet onevenwichtig. De vertragingsrente 3.11 [gedaagde] vindt dat de vertragingsrente moet worden afgewezen. De kantonrechter gaat daar niet in mee. Zoals hierboven is toegelicht, kan [gedaagde] zich niet beroepen op consumentenbescherming.