Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:2161
Civiel recht
Kort geding
8,135 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 text/xml public 2026-05-08T08:21:52 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 12132640 \ AV EXPL 26-14 Uitspraak Kort geding NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 text/html public 2026-05-08T08:21:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / 12132640 \ AV EXPL 26-14 Vordering tot ontruiming in kort geding toegewezen. Gedaagde moet de bedrijfshal ontruiming wegens herhaalde wanprestatie en huurachterstand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 12132640 \ AV EXPL 26-14 BJvd/61169 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. W. van Dijk, tegen 1 [gedaagde sub 1] V.O.F., gevestigd in [plaats 2] , 2. [gedaagde sub 2] , wonende in [plaats 2] , 3. [gedaagde sub 3] , wonende in [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s., gemachtigde: mr. J. van Andel. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 12, - de pleitnota van [eiser] , - de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s. 1.2 Op 9 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Daarbij zijn de heer [eiser] met zijn gemachtigde mr. W. van Dijk verschenen en namens [gedaagde sub 1] c.s. is mevrouw [gedaagde sub 2] met gemachtigde mr. J. van Andel verschenen. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde sub 1] c.s. huurt van [eiser] een bedrijfshal. [eiser] vordert naast betaling van de huurachterstand en de contractuele boete ontruiming van de bedrijfshal door [gedaagde sub 1] c.s., omdat zij een huurachterstand heeft en stelselmatig te laat de huur betaalt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. 3 De beoordeling Het toetsingskader in een kort geding procedure 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Daarnaast geldt dat moet worden beoordeeld of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. [eiser] heeft een spoedeisend belang 3.2 Van [eiser] kan niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. Zoals hierna wordt vastgesteld is er sprake van een huurachterstand en betaalt [gedaagde sub 1] c.s. de huur stelselmatig niet op tijd. Verder is het gezien het betalingsgedrag van [gedaagde sub 1] c.s. en de mislukte pogingen om een betalingsregeling te treffen waarschijnlijk dat de huurachterstand nog verder oploopt. Om zijn schade te beperken heeft [eiser] er gerechtvaardigd belang bij dat het gehuurde door [gedaagde sub 1] c.s. wordt ontruimd en [eiser] het gehuurde zo snel mogelijk aan een andere huurder kan verhuren. 3.3 Toewijzing van een geldvordering in kort geding kan alleen als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk is en daar een spoedeisend belang bij is. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de betaling van de geldvorderingen, hoewel [gedaagde sub 1] c.s. dit betwist. Het betalen van de huur is namelijk een kernverplichting uit de huurovereenkomst die door [gedaagde sub 1] c.s. niet wordt nagekomen. Daarnaast heeft de Hoge Raad bepaald dat wanneer de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te behandelen, ook over een daarmee nauwverwante nevenvorderingen kan worden beslist. Over de nevenvorderingen (de huurachterstand en de boete) kan dus ook worden beslist. [gedaagde sub 1] c.s. moet de huurachterstand betalen 3.4 [gedaagde sub 1] c.s. huurt sinds 1 juni 2024 van [eiser] de bedrijfshal aan de [adres] in [plaats 1] voor € 2.504,70 per maand. [eiser] vordert betaling van de huurachterstand van € 6.777,00. Dit bedrag bestaat uit de huur van januari tot en met maart 2026, waar een tussentijdse betaling door [gedaagde sub 1] c.s. van € 750,00 is afgetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] de huurachterstand heeft berekend door ten onrechte te rekenen met een huurprijs van € 2.509,00 per maand. De huurachterstand is dus in totaal € 6.764,10, zoals ook door [gedaagde sub 1] c.s. is erkend. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand toe. [gedaagde sub 1] c.s. moet de boete betalen 3.5 [eiser] vordert ook betaling van € 2.150,00 aan boetefacturen die [gedaagde sub 1] c.s. niet heeft betaald. Uit artikel 4.10 van de huurovereenkomst volgt dat de huur telkens per vooruitbetaling verschuldigd is en vóór of op de 30ste van iedere maand moet zijn betaald. Artikel 4.11 vermeldt dat bij te late betaling een boete verschuldigd is, die bij drie of meer dagen te laat betalen € 250,00 bedraagt. Volgens [eiser] staan er nog boetefacturen open over de maanden juli 2025 tot en met maart 2026 wegens het te laat betalen van de huur. Dat partijen een boetebeding zijn overeengekomen en dat [gedaagde sub 1] c.s. in juli 2025 tot en met maart 2026 de huur te laat heeft betaald is [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist. 3.6 [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom moet worden gematigd of vernietigd. De boete zou niet in verhouding staan tot enige schade die [eiser] geleden zou hebben en zou voor [gedaagde sub 1] c.s. onredelijk zware gevolgen hebben. Hierbij doet [gedaagde sub 1] c.s. ook een beroep op de reflexwerking. Kennelijk stelt [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt dat het boetebeding een algemene voorwaarde is die op de zogenaamde zwarte of grijze lijst staat van artikel 6:236 of 6:237 van het Burgerlijke Wetboek, in welk geval het beding geacht, dan wel vermoed wordt onredelijke bezwarend te zijn. Hoewel deze artikelen in de eerste plaats bedoeld zijn voor consumenten, kunnen kleine ondernemers of rechtspersonen onder bepaalde omstandigheden ook een beroep doen op deze artikelen. Dit heet reflexwerking. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat toepassing van de reflexwerking voor de hand ligt bij een rechtspersoon die wel in de uitoefening van haar beroep of bedrijf een overeenkomst sluit, wanneer die overeenkomst geen betrekking heeft op haar eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat zij een kleine ondernemer is, de huurovereenkomst buiten de eigenlijke activiteiten van haar als ondernemer van het verkopen van patat en snacks valt en zij daarom ten opzichte van [eiser] een vergelijkbare positie als consument heeft. 3.7 De kantonrechter ziet geen aanleiding voor toepassing van de reflexwerking. [gedaagde sub 1] c.s. heeft namelijk erkend dat de huur van de bedrijfshal nodig is voor de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten, omdat zij een plek nodig heeft om haar wagens waarmee zij patat en snacks verkoopt te stallen. De overeenkomst is dus door [gedaagde sub 1] c.s. gesloten in het kader van haar bedrijfsactiviteiten. De kantonrechter ziet ook verder geen aanleiding voor matiging of vernietiging van de boete. Uitgangspunt is de contractsvrijheid van partijen en de boete is door partijen in de huurovereenkomst overeengekomen. De boete bedraagt maximaal € 250,00 per maand, ongeveer tien procent van de huursom en is bedoeld als prikkel ter nakoming. Het is verder aan [gedaagde sub 1] c.s. om feiten en omstandigheden aan te voeren waarom de boete voor haar onredelijk zware gevolgen zou hebben. Dat heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet gedaan. Dat de boete voor [gedaagde sub 1] c.s. onredelijk zware gevolgen heeft en daarom onredelijk bezwarend is en vernietigd moet worden, of dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete moet worden gematigd is dan ook niet gebleken. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de boete toe. [gedaagde sub 1] c.s.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 text/xml public 2026-05-08T08:21:52 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-23 12132640 \ AV EXPL 26-14 Uitspraak Kort geding NL Amersfoort Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 text/html public 2026-05-08T08:21:20 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:2161 Rechtbank Midden-Nederland , 23-04-2026 / 12132640 \ AV EXPL 26-14 Vordering tot ontruiming in kort geding toegewezen. Gedaagde moet de bedrijfshal ontruiming wegens herhaalde wanprestatie en huurachterstand. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 12132640 \ AV EXPL 26-14 BJvd/61169 Vonnis in kort geding van 23 april 2026 in de zaak van [eiser] , wonende in [plaats 1] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: mr. W. van Dijk, tegen 1 [gedaagde sub 1] V.O.F., gevestigd in [plaats 2] , 2. [gedaagde sub 2] , wonende in [plaats 2] , 3. [gedaagde sub 3] , wonende in [plaats 2] , gedaagde partijen, hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s., gemachtigde: mr. J. van Andel. 1 De procedure 1.1 De kantonrechter heeft de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 12, - de pleitnota van [eiser] , - de pleitnota van [gedaagde sub 1] c.s. 1.2 Op 9 april 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Daarbij zijn de heer [eiser] met zijn gemachtigde mr. W. van Dijk verschenen en namens [gedaagde sub 1] c.s. is mevrouw [gedaagde sub 2] met gemachtigde mr. J. van Andel verschenen. 2 De kern van de zaak 2.1 [gedaagde sub 1] c.s. huurt van [eiser] een bedrijfshal. [eiser] vordert naast betaling van de huurachterstand en de contractuele boete ontruiming van de bedrijfshal door [gedaagde sub 1] c.s., omdat zij een huurachterstand heeft en stelselmatig te laat de huur betaalt. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe. 3 De beoordeling Het toetsingskader in een kort geding procedure 3.1 Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Daarnaast geldt dat moet worden beoordeeld of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering. [eiser] heeft een spoedeisend belang 3.2 Van [eiser] kan niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een eventuele bodemprocedure afwacht. Zoals hierna wordt vastgesteld is er sprake van een huurachterstand en betaalt [gedaagde sub 1] c.s. de huur stelselmatig niet op tijd. Verder is het gezien het betalingsgedrag van [gedaagde sub 1] c.s. en de mislukte pogingen om een betalingsregeling te treffen waarschijnlijk dat de huurachterstand nog verder oploopt. Om zijn schade te beperken heeft [eiser] er gerechtvaardigd belang bij dat het gehuurde door [gedaagde sub 1] c.s. wordt ontruimd en [eiser] het gehuurde zo snel mogelijk aan een andere huurder kan verhuren. 3.3 Toewijzing van een geldvordering in kort geding kan alleen als het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk is en daar een spoedeisend belang bij is. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij de betaling van de geldvorderingen, hoewel [gedaagde sub 1] c.s. dit betwist. Het betalen van de huur is namelijk een kernverplichting uit de huurovereenkomst die door [gedaagde sub 1] c.s. niet wordt nagekomen. Daarnaast heeft de Hoge Raad bepaald dat wanneer de hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te behandelen, ook over een daarmee nauwverwante nevenvorderingen kan worden beslist. Over de nevenvorderingen (de huurachterstand en de boete) kan dus ook worden beslist. [gedaagde sub 1] c.s. moet de huurachterstand betalen 3.4 [gedaagde sub 1] c.s. huurt sinds 1 juni 2024 van [eiser] de bedrijfshal aan de [adres] in [plaats 1] voor € 2.504,70 per maand. [eiser] vordert betaling van de huurachterstand van € 6.777,00. Dit bedrag bestaat uit de huur van januari tot en met maart 2026, waar een tussentijdse betaling door [gedaagde sub 1] c.s. van € 750,00 is afgetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [eiser] de huurachterstand heeft berekend door ten onrechte te rekenen met een huurprijs van € 2.509,00 per maand. De huurachterstand is dus in totaal € 6.764,10, zoals ook door [gedaagde sub 1] c.s. is erkend. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand toe. [gedaagde sub 1] c.s. moet de boete betalen 3.5 [eiser] vordert ook betaling van € 2.150,00 aan boetefacturen die [gedaagde sub 1] c.s. niet heeft betaald. Uit artikel 4.10 van de huurovereenkomst volgt dat de huur telkens per vooruitbetaling verschuldigd is en vóór of op de 30ste van iedere maand moet zijn betaald. Artikel 4.11 vermeldt dat bij te late betaling een boete verschuldigd is, die bij drie of meer dagen te laat betalen € 250,00 bedraagt. Volgens [eiser] staan er nog boetefacturen open over de maanden juli 2025 tot en met maart 2026 wegens het te laat betalen van de huur. Dat partijen een boetebeding zijn overeengekomen en dat [gedaagde sub 1] c.s. in juli 2025 tot en met maart 2026 de huur te laat heeft betaald is [gedaagde sub 1] c.s. niet betwist. 3.6 [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat het boetebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is en daarom moet worden gematigd of vernietigd. De boete zou niet in verhouding staan tot enige schade die [eiser] geleden zou hebben en zou voor [gedaagde sub 1] c.s. onredelijk zware gevolgen hebben. Hierbij doet [gedaagde sub 1] c.s. ook een beroep op de reflexwerking. Kennelijk stelt [gedaagde sub 1] c.s. zich op het standpunt dat het boetebeding een algemene voorwaarde is die op de zogenaamde zwarte of grijze lijst staat van artikel 6:236 of 6:237 van het Burgerlijke Wetboek, in welk geval het beding geacht, dan wel vermoed wordt onredelijke bezwarend te zijn. Hoewel deze artikelen in de eerste plaats bedoeld zijn voor consumenten, kunnen kleine ondernemers of rechtspersonen onder bepaalde omstandigheden ook een beroep doen op deze artikelen. Dit heet reflexwerking. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat toepassing van de reflexwerking voor de hand ligt bij een rechtspersoon die wel in de uitoefening van haar beroep of bedrijf een overeenkomst sluit, wanneer die overeenkomst geen betrekking heeft op haar eigenlijke beroeps- of bedrijfsactiviteiten. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat zij een kleine ondernemer is, de huurovereenkomst buiten de eigenlijke activiteiten van haar als ondernemer van het verkopen van patat en snacks valt en zij daarom ten opzichte van [eiser] een vergelijkbare positie als consument heeft. 3.7 De kantonrechter ziet geen aanleiding voor toepassing van de reflexwerking. [gedaagde sub 1] c.s. heeft namelijk erkend dat de huur van de bedrijfshal nodig is voor de uitvoering van de bedrijfsactiviteiten, omdat zij een plek nodig heeft om haar wagens waarmee zij patat en snacks verkoopt te stallen. De overeenkomst is dus door [gedaagde sub 1] c.s. gesloten in het kader van haar bedrijfsactiviteiten. De kantonrechter ziet ook verder geen aanleiding voor matiging of vernietiging van de boete. Uitgangspunt is de contractsvrijheid van partijen en de boete is door partijen in de huurovereenkomst overeengekomen. De boete bedraagt maximaal € 250,00 per maand, ongeveer tien procent van de huursom en is bedoeld als prikkel ter nakoming. Het is verder aan [gedaagde sub 1] c.s. om feiten en omstandigheden aan te voeren waarom de boete voor haar onredelijk zware gevolgen zou hebben. Dat heeft [gedaagde sub 1] c.s. niet gedaan. Dat de boete voor [gedaagde sub 1] c.s. onredelijk zware gevolgen heeft en daarom onredelijk bezwarend is en vernietigd moet worden, of dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boete moet worden gematigd is dan ook niet gebleken. De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de boete toe. [gedaagde sub 1] c.s.
Volledig
heeft geen vordering die verrekend kan worden met de vordering van [eiser] 3.8 [gedaagde sub 1] c.s. doet een beroep op verrekening. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] een toilet laten plaatsen in het gehuurde en heeft [gedaagde sub 1] c.s. daar onterecht de helft voor betaald, namelijk € 3.500,00. Dit bedrag wil [gedaagde sub 1] c.s. verrekenen met de vordering van [eiser] op haar. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde sub 1] c.s. geen vordering heeft op [eiser] . Tijdens de zitting is gebleken dat niet [gedaagde sub 1] c.s., maar de zoon van de vennoten van [gedaagde sub 1] V.O.F. het bedrag van € 3.500,00 aan [eiser] heeft betaald in de periode dat hij nog huurder was van de bedrijfsruimte. Gelet hierop is voorlopig niet gebleken dat [gedaagde sub 1] c.s. een vordering heeft op [eiser] die zij kan verrekenen. Het juridisch kader bij een vordering tot ontruiming in kort geding 3.9 [eiser] vordert ontruiming van [gedaagde sub 1] c.s. uit de bedrijfshal binnen vijf dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. De vordering moet volgens vaste rechtspraak terughoudend worden beoordeeld, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gelet op de vergaande, vaak onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. [gedaagde sub 1] c.s. moet de bedrijfshal ontruimen 3.10 De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de huurachterstand en het stelselmatig te laat betalen van de huur afzonderlijke en op zichzelf staande tekortkomingen opleveren die, in elk geval gezamenlijk, zodanig zijn dat in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Dat [gedaagde sub 1] c.s. de huur geruime tijd stelselmatig te laat heeft betaald, is niet betwist. Inmiddels is een aantal maanden huur, en de boete onbetaald gebleven. Een betalingsachterstand van drie maanden huur of meer is volgens vaste rechtspraak voldoende om een vordering tot ontruiming toe te wijzen. De achterstand in deze zaak is gelet op de boete in totaal (€ 6.764,10 + € 2.150,00 = € 8.914,10) meer dan drie maanden huur. 3.11 [gedaagde sub 1] c.s. heeft nog aandacht gevraagd voor haar persoonlijke omstandigheden die maken dat zij de huur niet (op tijd) kon betalen. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat haar boekhouder zijn werk niet goed deed, waardoor een nieuwe boekhouder moest worden ingeschakeld en alle boekhouding over tweeënhalf jaar opnieuw moest worden gedaan. Daardoor liepen de huurbetalingen vertraging op. Ook waren januari en februari slechte maanden voor [gedaagde sub 1] c.s., vanwege het weer en annuleringen, waardoor zij de huur niet kon betalen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. komen er nu goede maanden aan en is gebleken dat zij nog zo’n € 8.000,00 btw terugkrijgt van de belastingdienst. Met dat geld stelt zij op korte termijn de huurachterstand te kunnen betalen. Ook is [gedaagde sub 1] c.s. voor haar broodwinning afhankelijk van de huur van de bedrijfshal en is er volgens haar geen andere plek om iets te huren op het moment. 3.12 De stellingen van [gedaagde sub 1] c.s. maken het oordeel van de kantonrechter dat zij de bedrijfshal moet ontruimen niet anders. [gedaagde sub 1] c.s. heeft namelijk niets overgelegd waar de onderbouwing van haar stellingen uit blijkt. Het is dus niet duidelijk geworden of en wanneer [gedaagde sub 1] c.s. voldoende financiële middelen heeft om de huurachterstand af te lossen. Dat de inkomsten van [gedaagde sub 1] c.s. per maand verschillen hoort bovendien bij het bedrijfsrisico dat een eigen onderneming met zich meebrengt en hoeft niet voor rekening en risico van [eiser] te komen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat haar boekhouder er kennelijk een potje van heeft gemaakt. Ook volgt uit de vele berichten die tussen partijen over en weer zijn gestuurd dat [gedaagde sub 1] c.s. al vaker heeft laten weten de huurachterstand te gaan betalen, maar het dan toch laat afweten. Verder is tussen partijen op 9 februari 2026 nog een betalingsregeling afgesproken, maar die is [gedaagde sub 1] c.s. niet nagekomen. Tot slot heeft [eiser] over 2025 elke maand berichten moeten sturen aan [gedaagde sub 1] c.s. met herinneringen aan de huurbetalingen omdat de huur stelselmatig niet op tijd werd betaald. Het is daarom begrijpelijk dat [eiser] het vertrouwen in [gedaagde sub 1] c.s. is verloren en voor hem de maat vol is. De belangenafweging valt dan ook uit in het voordeel van [eiser] . 3.13 [gedaagde sub 1] c.s. heeft tegen de gevorderde ontruimingstermijn van vijf dagen na betekening van het vonnis geen verweer gevoerd. Omdat de kantonrechter geen aanleiding ziet om een andere termijn voor de ontruiming vast te stellen wordt de ontruimingstermijn vastgesteld op vijf dagen na de betekening van het vonnis. De veroordeling tot ontruiming wordt hoofdelijk uitgesproken 3.14 De veroordeling tot ontruiming wordt, zoals gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen de bedrijfshal te ontruimen. Het gaat in deze procedure niet over ontbinding en ontruimingsbescherming als bedoeld in artikel 7:230a BW 3.15 De vordering van [eiser] tot ontruiming van [gedaagde sub 1] c.s. uit de bedrijfshal wordt toegewezen. De vordering tot ontruiming is gebaseerd op de huurachterstand van januari tot en met maart en het stelselmatig te laat betalen van de huur door [gedaagde sub 1] c.s. In het kader daarvan heeft [eiser] op 9 februari 2026 aan [gedaagde sub 1] c.s. laten weten dat hij de huurovereenkomst ontbindt en heeft [eiser] de ontruiming per 28 februari 2026 aangezegd. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. kan dat niet, omdat ontbinding van de huurovereenkomst alleen kan door de rechter. Aan de vordering wordt deze buitengerechtelijke ontbinding echter niet ten grondslag gelegd, zodat de kantonrechter daarover niet hoeft te oordelen. Ook is geen verzoek aan de orde tot ontruimingsbescherming als bedoeld in artikel 7:230a BW. [gedaagde sub 1] c.s. moet de proceskosten betalen 3.16 [gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,60 - griffierecht € 559,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.723,60 De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard 3.17 [eiser] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en [gedaagde sub 1] c.s. heeft hier geen verweer tegen gevoerd. Er is ook niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die deze vordering in de weg staan. Op grond de wet wordt die vordering toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. moet voldoen aan de veroordelingen en dat [eiser] het vonnis ten uitvoer kan leggen, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfshal aan de [adres] te [plaats 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] , 4.2 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om te betalen aan [eiser] : a) € 8.914,10 aan achterstallige huur en boetes tot en met 1 maart 2026, b) € 2.504,70 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, 4.3 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 1.723,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T.
Volledig
heeft geen vordering die verrekend kan worden met de vordering van [eiser] 3.8 [gedaagde sub 1] c.s. doet een beroep op verrekening. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. heeft [eiser] een toilet laten plaatsen in het gehuurde en heeft [gedaagde sub 1] c.s. daar onterecht de helft voor betaald, namelijk € 3.500,00. Dit bedrag wil [gedaagde sub 1] c.s. verrekenen met de vordering van [eiser] op haar. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde sub 1] c.s. geen vordering heeft op [eiser] . Tijdens de zitting is gebleken dat niet [gedaagde sub 1] c.s., maar de zoon van de vennoten van [gedaagde sub 1] V.O.F. het bedrag van € 3.500,00 aan [eiser] heeft betaald in de periode dat hij nog huurder was van de bedrijfsruimte. Gelet hierop is voorlopig niet gebleken dat [gedaagde sub 1] c.s. een vordering heeft op [eiser] die zij kan verrekenen. Het juridisch kader bij een vordering tot ontruiming in kort geding 3.9 [eiser] vordert ontruiming van [gedaagde sub 1] c.s. uit de bedrijfshal binnen vijf dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. De vordering moet volgens vaste rechtspraak terughoudend worden beoordeeld, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gelet op de vergaande, vaak onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. [gedaagde sub 1] c.s. moet de bedrijfshal ontruimen 3.10 De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de huurachterstand en het stelselmatig te laat betalen van de huur afzonderlijke en op zichzelf staande tekortkomingen opleveren die, in elk geval gezamenlijk, zodanig zijn dat in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden geoordeeld dat ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Dat [gedaagde sub 1] c.s. de huur geruime tijd stelselmatig te laat heeft betaald, is niet betwist. Inmiddels is een aantal maanden huur, en de boete onbetaald gebleven. Een betalingsachterstand van drie maanden huur of meer is volgens vaste rechtspraak voldoende om een vordering tot ontruiming toe te wijzen. De achterstand in deze zaak is gelet op de boete in totaal (€ 6.764,10 + € 2.150,00 = € 8.914,10) meer dan drie maanden huur. 3.11 [gedaagde sub 1] c.s. heeft nog aandacht gevraagd voor haar persoonlijke omstandigheden die maken dat zij de huur niet (op tijd) kon betalen. [gedaagde sub 1] c.s. stelt dat haar boekhouder zijn werk niet goed deed, waardoor een nieuwe boekhouder moest worden ingeschakeld en alle boekhouding over tweeënhalf jaar opnieuw moest worden gedaan. Daardoor liepen de huurbetalingen vertraging op. Ook waren januari en februari slechte maanden voor [gedaagde sub 1] c.s., vanwege het weer en annuleringen, waardoor zij de huur niet kon betalen. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. komen er nu goede maanden aan en is gebleken dat zij nog zo’n € 8.000,00 btw terugkrijgt van de belastingdienst. Met dat geld stelt zij op korte termijn de huurachterstand te kunnen betalen. Ook is [gedaagde sub 1] c.s. voor haar broodwinning afhankelijk van de huur van de bedrijfshal en is er volgens haar geen andere plek om iets te huren op het moment. 3.12 De stellingen van [gedaagde sub 1] c.s. maken het oordeel van de kantonrechter dat zij de bedrijfshal moet ontruimen niet anders. [gedaagde sub 1] c.s. heeft namelijk niets overgelegd waar de onderbouwing van haar stellingen uit blijkt. Het is dus niet duidelijk geworden of en wanneer [gedaagde sub 1] c.s. voldoende financiële middelen heeft om de huurachterstand af te lossen. Dat de inkomsten van [gedaagde sub 1] c.s. per maand verschillen hoort bovendien bij het bedrijfsrisico dat een eigen onderneming met zich meebrengt en hoeft niet voor rekening en risico van [eiser] te komen. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat haar boekhouder er kennelijk een potje van heeft gemaakt. Ook volgt uit de vele berichten die tussen partijen over en weer zijn gestuurd dat [gedaagde sub 1] c.s. al vaker heeft laten weten de huurachterstand te gaan betalen, maar het dan toch laat afweten. Verder is tussen partijen op 9 februari 2026 nog een betalingsregeling afgesproken, maar die is [gedaagde sub 1] c.s. niet nagekomen. Tot slot heeft [eiser] over 2025 elke maand berichten moeten sturen aan [gedaagde sub 1] c.s. met herinneringen aan de huurbetalingen omdat de huur stelselmatig niet op tijd werd betaald. Het is daarom begrijpelijk dat [eiser] het vertrouwen in [gedaagde sub 1] c.s. is verloren en voor hem de maat vol is. De belangenafweging valt dan ook uit in het voordeel van [eiser] . 3.13 [gedaagde sub 1] c.s. heeft tegen de gevorderde ontruimingstermijn van vijf dagen na betekening van het vonnis geen verweer gevoerd. Omdat de kantonrechter geen aanleiding ziet om een andere termijn voor de ontruiming vast te stellen wordt de ontruimingstermijn vastgesteld op vijf dagen na de betekening van het vonnis. De veroordeling tot ontruiming wordt hoofdelijk uitgesproken 3.14 De veroordeling tot ontruiming wordt, zoals gevorderd, hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen de bedrijfshal te ontruimen. Het gaat in deze procedure niet over ontbinding en ontruimingsbescherming als bedoeld in artikel 7:230a BW 3.15 De vordering van [eiser] tot ontruiming van [gedaagde sub 1] c.s. uit de bedrijfshal wordt toegewezen. De vordering tot ontruiming is gebaseerd op de huurachterstand van januari tot en met maart en het stelselmatig te laat betalen van de huur door [gedaagde sub 1] c.s. In het kader daarvan heeft [eiser] op 9 februari 2026 aan [gedaagde sub 1] c.s. laten weten dat hij de huurovereenkomst ontbindt en heeft [eiser] de ontruiming per 28 februari 2026 aangezegd. Volgens [gedaagde sub 1] c.s. kan dat niet, omdat ontbinding van de huurovereenkomst alleen kan door de rechter. Aan de vordering wordt deze buitengerechtelijke ontbinding echter niet ten grondslag gelegd, zodat de kantonrechter daarover niet hoeft te oordelen. Ook is geen verzoek aan de orde tot ontruimingsbescherming als bedoeld in artikel 7:230a BW. [gedaagde sub 1] c.s. moet de proceskosten betalen 3.16 [gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 155,60 - griffierecht € 559,00 - salaris gemachtigde € 865,00 - nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.723,60 De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard 3.17 [eiser] heeft gevorderd het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en [gedaagde sub 1] c.s. heeft hier geen verweer tegen gevoerd. Er is ook niet gebleken van feiten en/of omstandigheden die deze vordering in de weg staan. Op grond de wet wordt die vordering toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde sub 1] c.s. moet voldoen aan de veroordelingen en dat [eiser] het vonnis ten uitvoer kan leggen, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld. 4 De beslissing De kantonrechter 4.1 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. hoofdelijk om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis de bedrijfshal aan de [adres] te [plaats 1] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiser] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiser] , 4.2 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om te betalen aan [eiser] : a) € 8.914,10 aan achterstallige huur en boetes tot en met 1 maart 2026, b) € 2.504,70 per maand vanaf 1 april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden, 4.3 veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 1.723,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 4.4 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 4.5 wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T.