ECLI:NL:RBMNE:2026:2137
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Almere Zaaknummer: 11841687 \ MC EXPL 25-4552 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [eiser] B.V. , gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde: Hafkamp Gerechtsdeurwaarders, tegen [gedaagde] , handelende onder de naam [handelsnaam] , wonende te [woonplaats] , gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde: Culpa Libera. 1 De procedure 1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 11 maart 2026 en de daarin genoemde stukken;- de akte van [eiser] van 25 maart 2026. 1.2 De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is. 2 De verdere beoordeling Het tussenvonnis van 11 maart 2026 2.1 In de eerste plaats wordt verwezen naar wat in het tussenvonnis van 11 maart 2026 (hierna: het tussenvonnis) al is overwogen. Bij dit tussenvonnis heeft de kantonrechter beslist dat [eiser] in de gelegenheid wordt gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om de eventuele verkoopopbrengst van de auto in mindering te laten strekken op de toewijsbare hoofdsom. Dit heeft [eiser] bij akte van 25 maart 2026 gedaan. [gedaagde] moet de hoofdsom van € 11.120,50 betalen 2.2 [eiser] heeft in haar akte van 25 maart 2026 toegelicht dat de verkoopopbrengst van de auto – als de auto na inname wordt verkocht – in mindering zal worden gebracht op de toewijsbare hoofdsom. [eiser] of haar gemachtigde zal te zijner tijd [gedaagde] daarover berichten. 2.3 Het voorgaande leidt ertoe dat de gevorderde hoofdsom van € 11.120,50 (= € 2.223,90 + € 8.896,60), zoals eerder in het tussenvonnis al is beslist, toegewezen wordt, met dien verstande dat de eventuele verkoopopbrengst van de auto van dit bedrag moet worden afgetrokken. [gedaagde] moet de auto, onder verbeurte van een dwangsom, afgeven 2.4 [gedaagde] is het niet eens met de afgifte van de auto. [gedaagde] kon niet aan zijn betalingsverplichting tegenover [eiser] voldoen, omdat een opdrachtgever een forse factuur niet aan hem heeft betaald waardoor hij liquiditeitsproblemen kreeg. De inname/afgifte van de auto zou (grote) gevolgen hebben voor de continuering van zijn bedrijfsvoering en zijn vermogen om te voldoen aan zijn (betalings)verplichtingen. De kantonrechter gaat voorbij aan dit deel van het verweer en zij overweegt daartoe als volgt. 2.5 Hoewel de kantonrechter begrip heeft voor de door [gedaagde] gestelde omstandigheden, is dit echter geen grond om de vordering tot afgifte van de auto af te wijzen. De door [gedaagde] gestelde betalingsonmacht, waardoor hij [eiser] niet heeft kunnen betalen, is namelijk een omstandigheid, die [gedaagde] [eiser] niet kan tegenwerpen, omdat dit in de risicosfeer van [gedaagde] ligt. Bovendien heeft [eiser] in mei 2025 [gedaagde] nog de kans gegeven om de achterstand in termijnen af te lossen. [gedaagde] is die betalingsregeling echter niet nagekomen. Ook zijn blijk van goede wil door bereid te zijn een bedrag van € 4.000,00 en een eventuele additionele betaling van € 2.500,00 aan [eiser] te doen, kan [gedaagde] niet baten. Immers, tot op heden zijn die betalingen niet aan [eiser] betaald om de achterstand in te lopen nu bewijzen van betaling gedaan aan [eiser] niet in het geding zijn gebracht. Onduidelijk en onbegrijpelijk is waarom [gedaagde] de voornoemde betalingen nog niet aan [eiser] heeft gedaan, nu [gedaagde] stelt groot belang te hebben bij het behoud van de auto. 2.6 [gedaagde] is bij sommatie-exploot van 15 juli 2025 aangemaand om de auto in te leveren op een nader te bepalen locatie (zie productie 5 bij dagvaarding). [gedaagde] heeft dat niet gedaan, terwijl hij daartoe op grond van artikel 44 van de algemene voorwaarden wel verplicht was, omdat de overeenkomst door ontbinding tussentijds is beëindigd. De kantonrechter wijst de afgifte van de auto toe. Wel zal de maximum te verbeuren dwangsom lager zijn dan gevorderd, gelet op de omstandigheden van dit geval, waaronder de hoogte van de hoofdsom. [gedaagde] moet de rente betalen 2.7 [eiser] vordert betaling van een bedrag van € 294,60 aan contractuele rente tot 6 augustus 2025. [gedaagde] meent dat de in rekening gebrachte contractuele rente van 1,5% per maand (18% per jaar) buitenproportioneel is. De kantonrechter is van oordeel dat de contractuele rente alleen toewijsbaar is over de betalingsachterstand tot de ontbinding en niet over de toekomstige leasetermijnen. Over de toekomstige leasetermijnen is [gedaagde] wel de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verschuldigd. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt. 2.8 De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] te laat is met betalen van de gevorderde hoofdsom en daarom de rente is verschuldigd. 2.9 [gedaagde] is over een bedrag van € 2.223,90 de gevorderde contractuele rente verschuldigd vanaf de dag waarop deze termijnen verschuldigd zijn geworden. Partijen zijn een contractuele rente van 1,5% per maand (18% per jaar) overeengekomen (artikel 15 van de algemene voorwaarden). Het verweer van [gedaagde] dat het gevorderde rentepercentage buitenproportioneel zou zijn, slaagt niet ten aanzien van de onbetaald gebleven leasetermijnen. Het staat zakelijke partijen vrij om van tevoren een contractuele rente af te spreken, die hoger is dan de geldende wettelijke rente. Daar komt bij dat [gedaagde] er zelf voor heeft gekozen om een overeenkomst met [eiser] aan te gaan op grond waarvan [gedaagde] bij niet tijdige betaling contractuele rente verschuldigd is. 2.10 [gedaagde] is de contractuele rente echter niet verschuldigd over de toekomstige leasetermijnen vanaf datum ontbinding (15 juli 2025) tot aan het einde van de leaseovereenkomst. De gevorderde toekomstige termijnen zijn een vergoeding van de schade op grond van de wet, die [eiser] lijdt door de ontbinding van de overeenkomst. Daarvoor geldt daarom niet de contractuele rente, maar de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW. [gedaagde] moet deze rente over € 8.896,60 betalen vanaf de dag van de ontbinding van de leaseovereenkomst (15 juli 2025) tot de volledige betaling. [gedaagde] moet de gematigde buitengerechtelijke incassokosten betalen 2.11 [eiser] heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 1.112,05 gevorderd, gebaseerd op de bij de dagvaarding overgelegde overeenkomst. [gedaagde] is het niet eens met de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] meent dat het gevorderde bedrag te hoog is. Volgens [gedaagde] bedragen de buitengerechtelijke incassokosten op basis van de hoofdsom hooguit € 771,05. De kantonrechter wijst de buitengerechtelijke incassokosten tot het bedrag van € 886,21 toe en zij overweegt daartoe als volgt. 2.12 Partijen zijn een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag dat. De vordering is op zichzelf toewijsbaar. Wel ziet de kantonrechter aanleiding overeenkomstig artikel 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering het bedrag aan kosten ambtshalve te matigen tot een bedrag dat redelijk is. Voor vaststelling van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten zal aansluiting worden gezocht bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde, en door de kantonrechter redelijk geachte tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 886,21. [gedaagde] moet de proceskosten betalen Bezwaar tegen de kosten van de dagvaarding 2.13 [gedaagde] is het niet eens met het bedrag van € 123,16, die ziet op de kosten van dagvaarding. Volgens [gedaagde] zijn die kosten niet gespecificeerd. Dit verweer van [gedaagde] wordt gepasseerd en de kantonrechter overweegt daartoe als volgt. 2.14 Anders dan [gedaagde] stelt, zijn de kosten voor de dagvaarding wel gespecificeerd in de dagvaarding, namelijk onder het petitum. Dit bedrag van € 123,16 is opgebouwd uit € 119,00 aan explootkosten en de verschotten voor KvK SNG van € 2,95 en informatiekosten BRP van € 0,81. Deze bedragen zijn gegrond op het Besluit Tarieven Ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders.