Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2026-04-15
ECLI:NL:RBMNE:2026:1604
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,225 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1604 text/xml public 2026-05-04T14:37:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 UTR 25/704 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1604 text/html public 2026-05-04T14:37:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1604 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / UTR 25/704 Wet WIA. Beroep tegen het besluit waarin het Uwv eiseres volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt heeft geacht. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/704 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen DHL eCommerce (Netherlands) B.V., uit Utrecht, eiseres (gemachtigde: mr. A. Lippinkhoff), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder (gemachtigde: A.G. Lavrijsen). Inleiding 1. Eiseres is eigenrisicodrager voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [A] (de (ex-)werknemer) is wegens belemmerende gezondheidsklachten op 2 december 2019 uitgevallen. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie [functie] voor gemiddeld 41,55 uur per week. 1.1. Met het besluit van 7 december 2021 heeft het Uwv aan de (ex-)werknemer tot en met 12 november 2022 een WIA-uitkering in de vorm van een WGA-loongerelateerde uitkering toegekend op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. 1.2. Met het besluit van 2 september 2022 (primaire besluit) heeft het Uwv meegedeeld dat de aan de (ex-)werknemer toegekende WGA-loongerelateerde uitkering per 13 november 2022 wordt omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.3. In bezwaar hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de situatie van (ex-)werknemer beoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn bevindingen neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 november 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat op basis van de FML van 28 november 2024 werknemer 80 tot 100% (volledig) arbeidsongeschikt blijft, omdat er geen theoretische functies kunnen worden geduid. 1.4. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 heeft het Uwv de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv acht de werknemer volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. 1.5. Het Uwv heeft een verweerschrift van 11 juni 2025 ingediend. De geplande zitting bij de rechtbank is aangehouden vanwege een nieuw spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Vervolgens is een aanvullend verweerschrift van 8 januari 2026 ingediend met een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2026. 1.6. Eiseres heeft op 19 februari 2026 de beroepsgronden aangevuld met een aanvullende medische rapportage van 31 januari 2026 van een verzekeringsarts van [bedrijf] . 1.7. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Geheimhouding 2. Omdat de (ex-)werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische stukken aan eiseres toe te zenden, heeft de rechtbank medische stukken naar de door eiseres ingeschakelde gemachtigde gestuurd. Om te voorkomen dat medische gegevens via deze uitspraak alsnog bekend worden, zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken. Waar gaat deze zaak niet meer over? 3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het Uwv het bestreden besluit heeft genomen zonder eiseres in de bezwaarfase te horen. Ook had eiseres nog nadere aanvullende bezwaargronden en een medische rapportage van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts willen indienen. Het Uwv heeft in het verweerschrift van 11 juni 2025 erkend dat eiseres ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Daarnaast heeft het Uwv erkend dat er een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming zit. Zo had een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend moeten rapporteren naar aanleiding van de ingebrachte rapportage van de medisch adviseur van eiseres en had er nog een spreekuur plaats moeten vinden. Het Uwv heeft in overleg met eiseres alsnog een spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingepland met de (ex-)werknemer en daarvan is een rapportage gedateerd 7 januari 2026 opgesteld. 4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit met het spreekuur en de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2026, pas in beroep is voorzien van een toereikende onderbouwing. Ook heeft de hoorzitting pas in de beroepsfase plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust daarmee niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Ook is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak ingaan op de gevolgen van deze gebreken. Waar gaat deze zaak over? 5. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat de (ex-)werknemer op 13 november 2022 (de datum in geding) volledig (80-100%), maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. In dat geval zou de (ex-)werknemer op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht hebben op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Zijn de beperkingen duurzaam? 6. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, maar ook een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. 6.1. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. De verzekeringsarts moet zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De verzekeringsarts beoordeelt dit volgens drie stappen van het stappenplan volgens het vastgestelde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen’. Dit beoordelingskader is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het beoordelen van de vraag of de arbeidsongeschiktheid als duurzaam is aan te merken. Ook als niet alle stappen van het beoordelingskader zijn gezet, is niet al daarom sprake van een motiveringsgebrek, als in dat concrete geval het besluit is voorzien van een deugdelijke motivering. 6.2. Eiseres heeft aangevoerd dat de beperkingen van de (ex-)werknemer wel duurzaam zijn. Dit omdat de (ex-)werknemer alle geïndiceerde en redelijkerwijs te verwachten behandelopties heeft gevolgd. Daarom moet worden geconcludeerd dat sprake is van een uitbehandelde situatie. Verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks (meer) te verwachten. De door eiseres ingeschakelde verzekeringsarts heeft kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gestelde prognose. Deze onderbouwing is volgens hem weinig overtuigend.
Volledig
ECLI:NL:RBMNE:2026:1604 text/xml public 2026-05-04T14:37:49 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Midden-Nederland 2026-04-15 UTR 25/704 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Utrecht Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:1604 text/html public 2026-05-04T14:37:24 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBMNE:2026:1604 Rechtbank Midden-Nederland , 15-04-2026 / UTR 25/704 Wet WIA. Beroep tegen het besluit waarin het Uwv eiseres volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt heeft geacht. Het Uwv heeft voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Beroep ongegrond. RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 25/704 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen DHL eCommerce (Netherlands) B.V., uit Utrecht, eiseres (gemachtigde: mr. A. Lippinkhoff), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder (gemachtigde: A.G. Lavrijsen). Inleiding 1. Eiseres is eigenrisicodrager voor de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). [A] (de (ex-)werknemer) is wegens belemmerende gezondheidsklachten op 2 december 2019 uitgevallen. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie [functie] voor gemiddeld 41,55 uur per week. 1.1. Met het besluit van 7 december 2021 heeft het Uwv aan de (ex-)werknemer tot en met 12 november 2022 een WIA-uitkering in de vorm van een WGA-loongerelateerde uitkering toegekend op basis van 80-100% arbeidsongeschiktheid. 1.2. Met het besluit van 2 september 2022 (primaire besluit) heeft het Uwv meegedeeld dat de aan de (ex-)werknemer toegekende WGA-loongerelateerde uitkering per 13 november 2022 wordt omgezet naar een WGA-loonaanvullingsuitkering. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. 1.3. In bezwaar hebben de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de situatie van (ex-)werknemer beoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn bevindingen neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 november 2024. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld dat er geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft gerapporteerd dat op basis van de FML van 28 november 2024 werknemer 80 tot 100% (volledig) arbeidsongeschikt blijft, omdat er geen theoretische functies kunnen worden geduid. 1.4. Met het bestreden besluit van 8 januari 2025 heeft het Uwv de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Het Uwv acht de werknemer volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. 1.5. Het Uwv heeft een verweerschrift van 11 juni 2025 ingediend. De geplande zitting bij de rechtbank is aangehouden vanwege een nieuw spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Vervolgens is een aanvullend verweerschrift van 8 januari 2026 ingediend met een rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2026. 1.6. Eiseres heeft op 19 februari 2026 de beroepsgronden aangevuld met een aanvullende medische rapportage van 31 januari 2026 van een verzekeringsarts van [bedrijf] . 1.7. De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het Uwv. Beoordeling door de rechtbank Geheimhouding 2. Omdat de (ex-)werknemer geen toestemming heeft gegeven om medische stukken aan eiseres toe te zenden, heeft de rechtbank medische stukken naar de door eiseres ingeschakelde gemachtigde gestuurd. Om te voorkomen dat medische gegevens via deze uitspraak alsnog bekend worden, zal de rechtbank de motivering van haar oordeel voor zover nodig en mogelijk beperken. Waar gaat deze zaak niet meer over? 3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat het Uwv het bestreden besluit heeft genomen zonder eiseres in de bezwaarfase te horen. Ook had eiseres nog nadere aanvullende bezwaargronden en een medische rapportage van een door haar ingeschakelde verzekeringsarts willen indienen. Het Uwv heeft in het verweerschrift van 11 juni 2025 erkend dat eiseres ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Daarnaast heeft het Uwv erkend dat er een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming zit. Zo had een verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvullend moeten rapporteren naar aanleiding van de ingebrachte rapportage van de medisch adviseur van eiseres en had er nog een spreekuur plaats moeten vinden. Het Uwv heeft in overleg met eiseres alsnog een spreekuur bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep ingepland met de (ex-)werknemer en daarvan is een rapportage gedateerd 7 januari 2026 opgesteld. 4. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit met het spreekuur en de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2026, pas in beroep is voorzien van een toereikende onderbouwing. Ook heeft de hoorzitting pas in de beroepsfase plaatsgevonden. Het bestreden besluit berust daarmee niet op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Ook is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. De rechtbank zal in de conclusie van deze uitspraak ingaan op de gevolgen van deze gebreken. Waar gaat deze zaak over? 5. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of het Uwv terecht heeft geoordeeld dat de (ex-)werknemer op 13 november 2022 (de datum in geding) volledig (80-100%), maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. In dat geval zou de (ex-)werknemer op grond van artikel 47 van de Wet WIA recht hebben op een IVA-uitkering in plaats van een WGA-uitkering. Zijn de beperkingen duurzaam? 6. Van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid is sprake als een verzekerde als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Onder duurzaam wordt verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie, maar ook een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat. 6.1. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) hanteert strenge criteria voor de beoordeling van duurzaamheid door verzekeringsartsen. De verzekeringsarts moet zich een oordeel vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, waarbij hij een inschatting moet maken van de herstelkansen, in de zin van verbetering van de functionele mogelijkheden van de verzekerde. De inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel moet berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de individuele verzekerde aan de orde zijn. Als die inschatting berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde. De verzekeringsarts beoordeelt dit volgens drie stappen van het stappenplan volgens het vastgestelde beoordelingskader ‘Beoordeling van de duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen’. Dit beoordelingskader is een hulpmiddel voor de verzekeringsarts bij het beoordelen van de vraag of de arbeidsongeschiktheid als duurzaam is aan te merken. Ook als niet alle stappen van het beoordelingskader zijn gezet, is niet al daarom sprake van een motiveringsgebrek, als in dat concrete geval het besluit is voorzien van een deugdelijke motivering. 6.2. Eiseres heeft aangevoerd dat de beperkingen van de (ex-)werknemer wel duurzaam zijn. Dit omdat de (ex-)werknemer alle geïndiceerde en redelijkerwijs te verwachten behandelopties heeft gevolgd. Daarom moet worden geconcludeerd dat sprake is van een uitbehandelde situatie. Verbetering van de belastbaarheid is niet of nauwelijks (meer) te verwachten. De door eiseres ingeschakelde verzekeringsarts heeft kanttekeningen geplaatst bij de onderbouwing van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep gestelde prognose. Deze onderbouwing is volgens hem weinig overtuigend.
Volledig
Zo wijst het dossier volgens de verzekeringsarts van eiseres niet naar een lopende behandeling van de psychische klachten per datum in geding en was de behandeling toen hoogstwaarschijnlijk al afgerond. De verzekeringsarts van eiseres heeft verder aangevoerd dat de verwijzing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar richtlijnen met behandelopties te algemeen van aard is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had voor de situatie van de (ex-)werknemer moeten aangeven met welke behandeling verbetering verwacht kon worden. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog behandelmogelijkheden resteren voor de psychische problematiek die konden leiden tot verbetering van de functionele mogelijkheden. De (ex-)werknemer was uitbehandeld, als wordt uitgegaan van zijn verhaal dat er geen behandelmogelijkheden meer waren. Voor wat betreft de fysieke klachten heeft de verzekeringsarts van eiseres aangevoerd dat de (ex-)werknemer alle genoemde behandelopties (fysiotherapie, medicatie, cognitieve gedragstherapie en multidisciplinaire behandeling) al heeft gevolgd en dus uitbehandeld is. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de (ex-)werknemer op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van zijn medische situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 7 januari 2026 inzichtelijk gemotiveerd dat de beperkingen van de (ex-)werknemer niet duurzaam zijn. Daarbij is aandacht besteed aan de concrete situatie van de (ex-)werknemer en voldoende onderbouwd dat hij nog behandelmogelijkheden heeft. Ten tijde van de datum in geding had hij nog behandeling voor de psychische klachten. Daarnaast waren op de datum in geding nog behandelmogelijkheden beschikbaar in de vorm van medicamenteuze behandeling en ook cognitieve gedragstherapie. Bij de (ex-)werknemer is sprake van fysieke inactiviteit met als gevolg daarvan deconditionering. Een multidisciplinair traject behoort nog tot de mogelijkheden. In een dergelijk traject worden naast de fysieke en psychische klachten, ook factoren meegenomen als coping en deconditionering die van invloed kunnen zijn op de klachten. Vanwege deze behandelingen is verbetering van zowel de psychische als fysieke belastbaarheid nog te verwachten. Vanwege de complexiteit van de problematiek die bij de (ex-)werknemer spelen, waarbij de fysieke klachten een negatieve invloed hebben op de psychische klachten, is de verwachting dat verbetering van de psychische klachten kan optreden in een periode van één tot twee jaar na het starten van adequate behandeling. Voor wat betreft de fysieke klachten wordt verbetering van de medische situatie en belastbaarheid mogelijk geacht in de eerste maanden tot een jaar na het starten van een voldoende intensieve en adequate behandeling. Conclusie en gevolgen 7. Het bestreden besluit is, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gelet op het spreekuurcontact en de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2026, pas in beroep voorzien van een toereikende medische onderbouwing. Dit besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Ook is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het is echter niet aannemelijk dat eiseres daardoor benadeeld is. Ook als deze gebreken zich niet zouden hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, omdat het Uwv hier in de besluitvorming al inhoudelijk rekening mee had gehouden en de (ex-)werknemer op basis van de medische rapportage 80-100% arbeidsongeschikt blijft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. 7.1. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de volgende kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het Uwv moet het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-. 7.2. Daarnaast is op de zitting afgesproken dat het Uwv de kosten van de inzet van verzekeringsarts Lek van [bedrijf] vergoedt. Dit betreft in totaal 9 uur tegen een tarief van € 184,42, te verhogen met BTW. Het totaal te vergoeden bedrag voor de kosten van een deskundige komt daarmee uit op € 2.008,33. 7.3. In totaal veroordeelt de rechtbank het Uwv dus tot betaling van een bedrag van € 4.542,33 (€ 2.534,- + €2.008,33). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het Uwv tot betaling van € 4.542,33aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met toepassing van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 4 van de Wet WIA. Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep, 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:557. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikelen 8 en 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.
Volledig
Zo wijst het dossier volgens de verzekeringsarts van eiseres niet naar een lopende behandeling van de psychische klachten per datum in geding en was de behandeling toen hoogstwaarschijnlijk al afgerond. De verzekeringsarts van eiseres heeft verder aangevoerd dat de verwijzing van de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar richtlijnen met behandelopties te algemeen van aard is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had voor de situatie van de (ex-)werknemer moeten aangeven met welke behandeling verbetering verwacht kon worden. Hierdoor is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er nog behandelmogelijkheden resteren voor de psychische problematiek die konden leiden tot verbetering van de functionele mogelijkheden. De (ex-)werknemer was uitbehandeld, als wordt uitgegaan van zijn verhaal dat er geen behandelmogelijkheden meer waren. Voor wat betreft de fysieke klachten heeft de verzekeringsarts van eiseres aangevoerd dat de (ex-)werknemer alle genoemde behandelopties (fysiotherapie, medicatie, cognitieve gedragstherapie en multidisciplinaire behandeling) al heeft gevolgd en dus uitbehandeld is. 6.3. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat de (ex-)werknemer op de datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Uit de beschikbare gegevens kan niet worden afgeleid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van zijn medische situatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 7 januari 2026 inzichtelijk gemotiveerd dat de beperkingen van de (ex-)werknemer niet duurzaam zijn. Daarbij is aandacht besteed aan de concrete situatie van de (ex-)werknemer en voldoende onderbouwd dat hij nog behandelmogelijkheden heeft. Ten tijde van de datum in geding had hij nog behandeling voor de psychische klachten. Daarnaast waren op de datum in geding nog behandelmogelijkheden beschikbaar in de vorm van medicamenteuze behandeling en ook cognitieve gedragstherapie. Bij de (ex-)werknemer is sprake van fysieke inactiviteit met als gevolg daarvan deconditionering. Een multidisciplinair traject behoort nog tot de mogelijkheden. In een dergelijk traject worden naast de fysieke en psychische klachten, ook factoren meegenomen als coping en deconditionering die van invloed kunnen zijn op de klachten. Vanwege deze behandelingen is verbetering van zowel de psychische als fysieke belastbaarheid nog te verwachten. Vanwege de complexiteit van de problematiek die bij de (ex-)werknemer spelen, waarbij de fysieke klachten een negatieve invloed hebben op de psychische klachten, is de verwachting dat verbetering van de psychische klachten kan optreden in een periode van één tot twee jaar na het starten van adequate behandeling. Voor wat betreft de fysieke klachten wordt verbetering van de medische situatie en belastbaarheid mogelijk geacht in de eerste maanden tot een jaar na het starten van een voldoende intensieve en adequate behandeling. Conclusie en gevolgen 7. Het bestreden besluit is, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gelet op het spreekuurcontact en de aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 januari 2026, pas in beroep voorzien van een toereikende medische onderbouwing. Dit besluit is dan ook in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Awb. Ook is het bestreden besluit genomen in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het is echter niet aannemelijk dat eiseres daardoor benadeeld is. Ook als deze gebreken zich niet zouden hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, omdat het Uwv hier in de besluitvorming al inhoudelijk rekening mee had gehouden en de (ex-)werknemer op basis van de medische rapportage 80-100% arbeidsongeschikt blijft. De rechtbank ziet daarom aanleiding om deze gebreken met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. 7.1. Op de zitting hebben partijen afgesproken dat de volgende kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het Uwv moet het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.534,-. 7.2. Daarnaast is op de zitting afgesproken dat het Uwv de kosten van de inzet van verzekeringsarts Lek van [bedrijf] vergoedt. Dit betreft in totaal 9 uur tegen een tarief van € 184,42, te verhogen met BTW. Het totaal te vergoeden bedrag voor de kosten van een deskundige komt daarmee uit op € 2.008,33. 7.3. In totaal veroordeelt de rechtbank het Uwv dus tot betaling van een bedrag van € 4.542,33 (€ 2.534,- + €2.008,33). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden; - veroordeelt het Uwv tot betaling van € 4.542,33aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. B.M.M. Tijink, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Met toepassing van artikel 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 4 van de Wet WIA. Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep, 20 maart 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:557. Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht in samenhang met artikelen 8 en 15 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003.