Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2026-05-13
ECLI:NL:CRVB:2026:572
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
8,080 tokens
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:572 text/xml public 2026-05-20T13:49:00 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 25/818 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:572 text/html public 2026-05-15T14:13:02 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:572 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 25/818 ZW Verlaging ZW-uitkering met 50% onterecht. Geen sprake van benadelingsbehandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Het dienstverband van appellante is per 2 juli 2022 beëindigd en haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag is op 4 juli 2022. 25/818 ZW, 25/1557 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2025, 23/7269 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante terecht een maatregel van verlaging van 50% van de ZW-uitkering heeft opgelegd, omdat zij verwijtbaar haar loonaanspraken tijdens ziekte heeft prijsgegeven. Appellante vindt dat zij geen benadelingshandeling heeft verricht, zodat het opleggen van een maatregel onterecht is. De Raad is het met appellante eens. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 4 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hiertegen gronden aangevoerd. Het Uwv heeft een aanvullend verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante werkte sinds 1 maart 2022 voor onbepaalde tijd in dienst van [naam werkgever] (werkgever) voor 28 uur per week als ambulant gezinsondersteuner. Op 18 mei 2022 heeft appellante zich ziekgemeld in verband met burn-out klachten. De werkgever heeft deze ziekmelding niet geaccepteerd. Op 2 juli 2022 heeft de werkgever appellante schriftelijk te kennen gegeven dat zij met onmiddellijke ingang is ontslagen. Op 4 juli 2022 heeft appellante zich bij het Uwv ziekgemeld. Met een besluit van 12 augustus 2022 heeft het Uwv aan appellante met inachtneming van twee wachtdagen vanaf 6 juli 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. De werkgever heeft tegen het besluit van 12 augustus 2022 bezwaar gemaakt. 1.2. Appellante heeft aan de kantonrechter verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen, dan wel haar een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen. Bij beschikking van 28 februari 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, omdat de werkgever na zijn onderzoeksbevindingen niet onverwijld tot ontslag is overgegaan. Op basis van het door de werkgever overgelegde dossier heeft de kantonrechter geconcludeerd dat sprake was van een redelijke grond voor ontslag en dat de arbeidsovereenkomst met appellante daarom niet lang meer zou hebben voortgeduurd. De kantonrechter heeft het handelen van appellante, dat aanleiding gaf voor het ontslag, als ernstig verwijtbaar gekwalificeerd. Appellante heeft in reactie op het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, op de zitting te kennen gegeven geen herstel van haar dienstverband meer te willen. De kantonrechter heeft daaruit geconcludeerd dat zij haar verzoek tot vernietiging van het ontslag per 2 juli 2022 niet meer handhaaft en enkel verzoekt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kantonrechter heeft de werkgever vervolgens veroordeeld om aan appellante de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen en het anders of meer verzochte afgewezen. 1.3. Bij besluit van 10 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever ongegrond verklaard. Volgens het Uwv blijkt uit de beschikking van de kantonrechter dat het dienstverband van appellante is beëindigd op 2 juli 2022 door een onregelmatige opzegging van de werkgever en niet door ontslag op staande voet. Dat betekent volgens het Uwv dat geen sprake is van een benadelingshandeling door appellante. Er zijn geen loonaanspraken prijsgegeven, omdat het dienstverband al was beëindigd voordat appellante ziek werd. Verder blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 4 juli 2022 arbeidsongeschikt is. De werkgever heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van de werkgever tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Volgens de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zorgvuldig verricht. Anders dan het Uwv is de rechtbank echter van oordeel dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante zich op 18 mei 2022 bij haar werkgever heeft ziekgemeld, dat deze ziekmelding door de werkgever niet is geaccepteerd, dat appellante op 2 juli 2022 een brief heeft ontvangen waarin haar het ontslag op staande voet is meegedeeld, waarna appellante zich op 4 juli 2022 bij het Uwv heeft ziekgemeld. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat het ontslag op 5 juli 2022 is ingegaan. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat appellante verweer heeft gevoerd tegen het ontslag op staande voet en de kantonrechter heeft verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen dan wel ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen en de werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Ter zitting van de kantonrechter heeft appellante echter gekozen voor vertrek en aangegeven dus geen herstel van het dienstverband te willen. Door op deze manier niet verder verweer te voeren tegen haar ontslag, maar mee te werken aan beëindiging van haar dienstverband, heeft appellante volgens de rechtbank het recht op loon prijsgegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Hiermee heeft appellante een onnodig beroep gedaan op de ZW. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv zo begrepen, dat van appellante redelijkerwijs niet kon worden verwacht in dienst te blijven, waardoor zij een deugdelijke grond had geen verweer bij de kantonrechter te voeren. De rechtbank ziet dit anders. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat appellante was voorzien van professionele bijstand, waardoor zij een weloverwogen beslissing heeft kunnen nemen over het al dan niet aanvechten van het ontslag om daarmee het voortzetten van haar dienstverband en het daaruit voortvloeiende recht op loon te behouden. Daarnaast blijkt uit de beschikking dat de kantonrechter de gedragingen van appellante die tot het ontslag hebben geleid als ernstig verwijtbaar heeft beoordeeld. Ook de rechtbank vindt deze ernstige verwijtbaarheid aannemelijk. 2.2. De benadelingshandeling valt volgens de rechtbank in de vierde categorie, waarbij de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Naar de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel moet het Uwv nog onderzoek doen, waartoe het Uwv vervolgens is opgedragen. Nieuw besluit 3. Het Uwv heeft op 4 april 2025 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2).
Volledig
ECLI:NL:CRVB:2026:572 text/xml public 2026-05-20T13:49:00 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Centrale Raad van Beroep 2026-05-13 25/818 ZW Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2026:572 text/html public 2026-05-15T14:13:02 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:CRVB:2026:572 Centrale Raad van Beroep , 13-05-2026 / 25/818 ZW Verlaging ZW-uitkering met 50% onterecht. Geen sprake van benadelingsbehandeling in de zin van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW. Het dienstverband van appellante is per 2 juli 2022 beëindigd en haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag is op 4 juli 2022. 25/818 ZW, 25/1557 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2025, 23/7269 (aangevallen uitspraak) Partijen: [appellante] te [woonplaats] (appellante) de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) Datum uitspraak: 13 mei 2026 SAMENVATTING Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv aan appellante terecht een maatregel van verlaging van 50% van de ZW-uitkering heeft opgelegd, omdat zij verwijtbaar haar loonaanspraken tijdens ziekte heeft prijsgegeven. Appellante vindt dat zij geen benadelingshandeling heeft verricht, zodat het opleggen van een maatregel onterecht is. De Raad is het met appellante eens. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S. van Andel, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het Uwv op 4 april 2025 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Appellante heeft hiertegen gronden aangevoerd. Het Uwv heeft een aanvullend verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord. De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 8 april 2026. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Andel. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. I.M. Veringmeier. OVERWEGINGEN Inleiding 1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang. 1.1. Appellante werkte sinds 1 maart 2022 voor onbepaalde tijd in dienst van [naam werkgever] (werkgever) voor 28 uur per week als ambulant gezinsondersteuner. Op 18 mei 2022 heeft appellante zich ziekgemeld in verband met burn-out klachten. De werkgever heeft deze ziekmelding niet geaccepteerd. Op 2 juli 2022 heeft de werkgever appellante schriftelijk te kennen gegeven dat zij met onmiddellijke ingang is ontslagen. Op 4 juli 2022 heeft appellante zich bij het Uwv ziekgemeld. Met een besluit van 12 augustus 2022 heeft het Uwv aan appellante met inachtneming van twee wachtdagen vanaf 6 juli 2022 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. De werkgever heeft tegen het besluit van 12 augustus 2022 bezwaar gemaakt. 1.2. Appellante heeft aan de kantonrechter verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever te vernietigen, dan wel haar een billijke vergoeding, transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen. Bij beschikking van 28 februari 2023 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, omdat de werkgever na zijn onderzoeksbevindingen niet onverwijld tot ontslag is overgegaan. Op basis van het door de werkgever overgelegde dossier heeft de kantonrechter geconcludeerd dat sprake was van een redelijke grond voor ontslag en dat de arbeidsovereenkomst met appellante daarom niet lang meer zou hebben voortgeduurd. De kantonrechter heeft het handelen van appellante, dat aanleiding gaf voor het ontslag, als ernstig verwijtbaar gekwalificeerd. Appellante heeft in reactie op het verzoek van de werkgever om de arbeidsovereenkomst te ontbinden, op de zitting te kennen gegeven geen herstel van haar dienstverband meer te willen. De kantonrechter heeft daaruit geconcludeerd dat zij haar verzoek tot vernietiging van het ontslag per 2 juli 2022 niet meer handhaaft en enkel verzoekt om een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging. De kantonrechter heeft de werkgever vervolgens veroordeeld om aan appellante de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen en het anders of meer verzochte afgewezen. 1.3. Bij besluit van 10 november 2023 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever ongegrond verklaard. Volgens het Uwv blijkt uit de beschikking van de kantonrechter dat het dienstverband van appellante is beëindigd op 2 juli 2022 door een onregelmatige opzegging van de werkgever en niet door ontslag op staande voet. Dat betekent volgens het Uwv dat geen sprake is van een benadelingshandeling door appellante. Er zijn geen loonaanspraken prijsgegeven, omdat het dienstverband al was beëindigd voordat appellante ziek werd. Verder blijkt uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante per 4 juli 2022 arbeidsongeschikt is. De werkgever heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft het beroep van de werkgever tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Volgens de rechtbank is het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door het Uwv zorgvuldig verricht. Anders dan het Uwv is de rechtbank echter van oordeel dat appellante een benadelingshandeling heeft gepleegd. 2.1. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellante zich op 18 mei 2022 bij haar werkgever heeft ziekgemeld, dat deze ziekmelding door de werkgever niet is geaccepteerd, dat appellante op 2 juli 2022 een brief heeft ontvangen waarin haar het ontslag op staande voet is meegedeeld, waarna appellante zich op 4 juli 2022 bij het Uwv heeft ziekgemeld. Vervolgens heeft de rechtbank vastgesteld dat het ontslag op 5 juli 2022 is ingegaan. Uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat appellante verweer heeft gevoerd tegen het ontslag op staande voet en de kantonrechter heeft verzocht de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen dan wel ten laste van de werkgever een billijke vergoeding toe te kennen en de werkgever te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding en vergoeding wegens onregelmatige opzegging. Ter zitting van de kantonrechter heeft appellante echter gekozen voor vertrek en aangegeven dus geen herstel van het dienstverband te willen. Door op deze manier niet verder verweer te voeren tegen haar ontslag, maar mee te werken aan beëindiging van haar dienstverband, heeft appellante volgens de rechtbank het recht op loon prijsgegeven op een moment waarop het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden. Hiermee heeft appellante een onnodig beroep gedaan op de ZW. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv zo begrepen, dat van appellante redelijkerwijs niet kon worden verwacht in dienst te blijven, waardoor zij een deugdelijke grond had geen verweer bij de kantonrechter te voeren. De rechtbank ziet dit anders. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit de beschikking van de kantonrechter blijkt dat appellante was voorzien van professionele bijstand, waardoor zij een weloverwogen beslissing heeft kunnen nemen over het al dan niet aanvechten van het ontslag om daarmee het voortzetten van haar dienstverband en het daaruit voortvloeiende recht op loon te behouden. Daarnaast blijkt uit de beschikking dat de kantonrechter de gedragingen van appellante die tot het ontslag hebben geleid als ernstig verwijtbaar heeft beoordeeld. Ook de rechtbank vindt deze ernstige verwijtbaarheid aannemelijk. 2.2. De benadelingshandeling valt volgens de rechtbank in de vierde categorie, waarbij de uitkering blijvend geheel wordt geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting appellante niet in overwegende mate kan worden verweten. Naar de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel moet het Uwv nog onderzoek doen, waartoe het Uwv vervolgens is opgedragen. Nieuw besluit 3. Het Uwv heeft op 4 april 2025 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nieuw besluit genomen (bestreden besluit 2).
Volledig
Het Uwv heeft daarin vermeld dat appellante na haar uitdiensttreding een ZW-uitkering heeft ontvangen van 6 juli 2022 tot en met 8 juni 2023 die aan de werkgever wordt toegerekend. Op grond van de aangevallen uitspraak dient over deze periode een maatregel te worden opgelegd wegens benadeling. Omdat appellante inmiddels geen ZW-uitkering meer ontvangt, gaat de maatregel in met ingang van de eerste uitkeringsdag, 6 juli 2022. Volgens het Uwv is sprake van verminderde verwijtbaarheid bij appellante, die aanleiding geeft om een maatregel op te leggen van 50% in plaats van een algehele weigering. Hierbij heeft het Uwv van belang geacht dat appellante wel een procedure aanhangig heeft gemaakt tegen haar ontslag op staande voet bij de kantonrechter, waardoor het niet zo is dat zij helemaal geen verweer heeft gevoerd. Het standpunt van appellante 4. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij is geoordeeld dat sprake is van een benadelingshandeling en dat die benadelingshandeling ertoe moet leiden dat een maatregel wordt opgelegd. Tegen bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat het alsnog met terugwerkende kracht opleggen van een maatregel in dit geval in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Bij brieven van 20 april 2023 en 5 juni 2023 heeft het Uwv naar aanleiding van het niet-tijdig beslissen op bezwaar immers te kennen gegeven dat de uitkering (of betaling daarvan) uitsluitend per toekomstige datum zou worden beëindigd. Tot slot is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de kantonrechter bij zijn oordeel om geen billijke vergoeding toe te kennen, heeft meegewogen dat appellante niet volledig van inkomsten verstoken was omdat zij een ZW-uitkering ontving. Het standpunt van het Uwv 5. Met de aangevallen uitspraak is pas duidelijk geworden dat sprake was van een benadelingshandeling. Doordat is berust in de aangevallen uitspraak dient het Uwv uit te gaan van een door appellante gepleegde benadelingshandeling. Het bestreden besluit 2 komt daarom niet in strijd met de rechtszekerheid of zorgvuldigheid. Als gevolg van deze benadelingshandeling is door eigen schuld of toedoen van appellante te veel uitkering verstrekt. Artikel 30b, eerste lid, van de ZW staat dan niet in de weg aan een maatregel met terugwerkende kracht. Bij brief van 25 maart 2026 heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd in die zin dat de maatregel pas kan worden opgelegd per 9 november 2022, de dag waarop appellante op de zitting bij de kantonrechter alsnog heeft besloten geen verder verweer te voeren tegen de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Het oordeel van de Raad 6.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 1 heeft vernietigd aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Omdat het Uwv met het bestreden besluit 2 uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak, wordt het bestreden besluit gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze beoordeling betrokken. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6.2. In artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW is bepaald dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Op grond van het zevende lid van dit artikel wordt onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de ZW. 6.3. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat appellante zich op 18 mei 2022 bij haar werkgever heeft ziekgemeld en dat deze ziekmelding door de werkgever niet is geaccepteerd. Verder staat vast dat appellante op 2 juli 2022 op staande voet is ontslagen. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld is het dienstverband van appellante daardoor niet geëindigd op 5 juli 2022, maar per 2 juli 2022. Ook de kantonrechter is hiervan in zijn beschikking uitgegaan. Hierna, op 4 juli 2022, heeft appellante zich bij het Uwv ziekgemeld. In het kader van een zogeheten plausibiliteitsbeoordeling heeft een verzekeringsarts op 15 augustus 2022 desgevraagd aangegeven dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet gewijzigd wordt naar 18 mei 2022, maar deze 4 juli 2022 blijft. Hieruit volgt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 4 juli 2022 is ingetreden, dus nadat het dienstverband per 2 juli 2022 is beëindigd. Volgens vaste rechtspraak ziet de benadelingshandeling van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in het bijzonder op situaties waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Daarvan is in het geval van appellante geen sprake. Gelet hierop is geen sprake van een benadelingshandeling en ontbreekt de grondslag voor het opleggen van een maatregel. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en, het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond moet worden verklaard. Omdat met de vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag van het bestreden besluit 2 is komen te ontvallen, komt dit besluit ook voor vernietiging in aanmerking. 6.4. Omdat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd omdat geen sprake is van een benadelingshandeling, behoeven de overige gronden tegen de aangevallen uitspraak geen verdere bespreking. Conclusie en gevolgen 7. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van de werkgever tegen bestreden besluit 1 zal alsnog ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat bestreden besluit 1 in stand blijft en bestreden besluit 2 moet worden vernietigd. 8.1. In verband met de vernietiging van de aangevallen uitspraak bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep. Appellante heeft de Raad verzocht om onder toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), af te wijken van het eerste lid van het Bpb en haar een integrale vergoeding van de door haar gemachtigde gefactureerde bedragen toe te kennen. 8.2. Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van de Awb gebaseerde Bpb bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt hierover dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten – kan verhogen of verlagen. 8.3. Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van bijzondere omstandigheden, dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft. In dit geval is geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen. Niet is gebleken van ernstig onzorgvuldig handelen van het Uwv of van een hardnekkige houding van het Uwv waardoor appellante ter bestrijding van het standpunt van het Uwv in een positie is gebracht dat zij uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Het gegeven dat een besluit ten onrechte is genomen levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op. 8.4.
Volledig
Het Uwv heeft daarin vermeld dat appellante na haar uitdiensttreding een ZW-uitkering heeft ontvangen van 6 juli 2022 tot en met 8 juni 2023 die aan de werkgever wordt toegerekend. Op grond van de aangevallen uitspraak dient over deze periode een maatregel te worden opgelegd wegens benadeling. Omdat appellante inmiddels geen ZW-uitkering meer ontvangt, gaat de maatregel in met ingang van de eerste uitkeringsdag, 6 juli 2022. Volgens het Uwv is sprake van verminderde verwijtbaarheid bij appellante, die aanleiding geeft om een maatregel op te leggen van 50% in plaats van een algehele weigering. Hierbij heeft het Uwv van belang geacht dat appellante wel een procedure aanhangig heeft gemaakt tegen haar ontslag op staande voet bij de kantonrechter, waardoor het niet zo is dat zij helemaal geen verweer heeft gevoerd. Het standpunt van appellante 4. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens, voor zover daarbij is geoordeeld dat sprake is van een benadelingshandeling en dat die benadelingshandeling ertoe moet leiden dat een maatregel wordt opgelegd. Tegen bestreden besluit 2 heeft appellante aangevoerd dat het alsnog met terugwerkende kracht opleggen van een maatregel in dit geval in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Bij brieven van 20 april 2023 en 5 juni 2023 heeft het Uwv naar aanleiding van het niet-tijdig beslissen op bezwaar immers te kennen gegeven dat de uitkering (of betaling daarvan) uitsluitend per toekomstige datum zou worden beëindigd. Tot slot is ten onrechte geen rekening gehouden met het feit dat de kantonrechter bij zijn oordeel om geen billijke vergoeding toe te kennen, heeft meegewogen dat appellante niet volledig van inkomsten verstoken was omdat zij een ZW-uitkering ontving. Het standpunt van het Uwv 5. Met de aangevallen uitspraak is pas duidelijk geworden dat sprake was van een benadelingshandeling. Doordat is berust in de aangevallen uitspraak dient het Uwv uit te gaan van een door appellante gepleegde benadelingshandeling. Het bestreden besluit 2 komt daarom niet in strijd met de rechtszekerheid of zorgvuldigheid. Als gevolg van deze benadelingshandeling is door eigen schuld of toedoen van appellante te veel uitkering verstrekt. Artikel 30b, eerste lid, van de ZW staat dan niet in de weg aan een maatregel met terugwerkende kracht. Bij brief van 25 maart 2026 heeft het Uwv zijn standpunt gewijzigd in die zin dat de maatregel pas kan worden opgelegd per 9 november 2022, de dag waarop appellante op de zitting bij de kantonrechter alsnog heeft besloten geen verder verweer te voeren tegen de beëindiging van haar arbeidsovereenkomst. Het oordeel van de Raad 6.1. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit 1 heeft vernietigd aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. Omdat het Uwv met het bestreden besluit 2 uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak, wordt het bestreden besluit gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze beoordeling betrokken. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 6.2. In artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW is bepaald dat het Uwv het ziekengeld geheel of gedeeltelijk, tijdelijk of blijvend weigert, indien de verzekerde door zijn doen of laten het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Uitvoeringsfonds voor de overheid, de Werkhervattingskas of de eigenrisicodrager benadeelt of zou kunnen benadelen. Op grond van het zevende lid van dit artikel wordt onder benadeling als bedoeld in het eerste lid, onderdeel j, mede verstaan de situatie dat de verzekerde zonder deugdelijke grond heeft nagelaten verweer te voeren tegen of heeft ingestemd met een beëindiging van de dienstbetrekking in de periode, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de ZW. 6.3. Met de rechtbank wordt vastgesteld dat appellante zich op 18 mei 2022 bij haar werkgever heeft ziekgemeld en dat deze ziekmelding door de werkgever niet is geaccepteerd. Verder staat vast dat appellante op 2 juli 2022 op staande voet is ontslagen. Anders dan de rechtbank heeft vastgesteld is het dienstverband van appellante daardoor niet geëindigd op 5 juli 2022, maar per 2 juli 2022. Ook de kantonrechter is hiervan in zijn beschikking uitgegaan. Hierna, op 4 juli 2022, heeft appellante zich bij het Uwv ziekgemeld. In het kader van een zogeheten plausibiliteitsbeoordeling heeft een verzekeringsarts op 15 augustus 2022 desgevraagd aangegeven dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet gewijzigd wordt naar 18 mei 2022, maar deze 4 juli 2022 blijft. Hieruit volgt dat de arbeidsongeschiktheid van appellante op 4 juli 2022 is ingetreden, dus nadat het dienstverband per 2 juli 2022 is beëindigd. Volgens vaste rechtspraak ziet de benadelingshandeling van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder j, van de ZW in het bijzonder op situaties waarin de werknemer zijn recht op loon prijsgeeft op een moment dat het ongeschiktheidsrisico al is ingetreden. Daarvan is in het geval van appellante geen sprake. Gelet hierop is geen sprake van een benadelingshandeling en ontbreekt de grondslag voor het opleggen van een maatregel. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit betekent dat het hoger beroep slaagt, de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd en, het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond moet worden verklaard. Omdat met de vernietiging van de aangevallen uitspraak de grondslag van het bestreden besluit 2 is komen te ontvallen, komt dit besluit ook voor vernietiging in aanmerking. 6.4. Omdat de aangevallen uitspraak wordt vernietigd omdat geen sprake is van een benadelingshandeling, behoeven de overige gronden tegen de aangevallen uitspraak geen verdere bespreking. Conclusie en gevolgen 7. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en het beroep van de werkgever tegen bestreden besluit 1 zal alsnog ongegrond worden verklaard. Dit betekent dat bestreden besluit 1 in stand blijft en bestreden besluit 2 moet worden vernietigd. 8.1. In verband met de vernietiging van de aangevallen uitspraak bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in hoger beroep. Appellante heeft de Raad verzocht om onder toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), af te wijken van het eerste lid van het Bpb en haar een integrale vergoeding van de door haar gemachtigde gefactureerde bedragen toe te kennen. 8.2. Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van de Awb gebaseerde Bpb bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt hierover dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding – zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten – kan verhogen of verlagen. 8.3. Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van bijzondere omstandigheden, dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft. In dit geval is geen sprake van een uitzonderlijk geval waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen. Niet is gebleken van ernstig onzorgvuldig handelen van het Uwv of van een hardnekkige houding van het Uwv waardoor appellante ter bestrijding van het standpunt van het Uwv in een positie is gebracht dat zij uitzonderlijk hoge kosten heeft moeten maken. Het gegeven dat een besluit ten onrechte is genomen levert op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op. 8.4.