Rechtspraak Rechtbank Midden-Nederland 2026-01-23
ECLI:NL:RBMNE:2026:137
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 25/2443 (verhoogde last onder dwangsom [eiseres 1] B.V.); UTR 25/2444 (verhoogde last onder dwangsom [eiseres 2] B.V.); UTR 25/2440 en UTR 25/2446 (invorderingsbesluiten [eiseres 1] B.V.); UTR 25/2442 en UTR 25/2447 (invorderingsbesluiten [eiseres 2] B.V.) uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaken tussen [eiseres 1] B.V. en [eiseres 2] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseressen (gemachtigde: mr. F. Krol-Postma), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college (gemachtigde: M. Venema). Waar gaat de zaak over? 1. Deze einduitspraak heeft betrekking op twee verhoogde lasten onder dwangsom en vier eerder opgelegde invorderingsbesluiten. Deze besluiten hebben betrekking op een door het college geconstateerde overtreding bij het tankstation aan [adres] in Almere. De op 14 maart 2025 opgelegde verhoogde lasten houden in dat eiseressen binnen twee weken de geconstateerde overtreding moeten beëindigen door de CNG-bufferopslag in overeenstemming te brengen met de regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: het Bal). Eiseressen vinden dat er geen sprake is van een overtreding. De CNG-bufferopslag met afblaasvoorzieningen kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel in de zin van artikel 4.483 van het Bal. Procesverloop 1.1. Op 23 oktober 2024 heeft het college een last onder dwangsom aan eiseressen opgelegd in verband met overtreding van artikel 4.486 van het Bal. De dwangsom bedraagt € 3.750,- wanneer na het verstrijken van de begunstigingstermijn van acht weken de overtreding niet is beëindigd. Voor elke vier weken dat de overtreding voortduurt, verbeuren eiseressen een dwangsom van € 3.750,- met een maximum van € 7.000,-. Eiseressen hebben geen rechtsmiddelen tegen deze besluiten ingesteld. 1.2. Het college heeft in twee invorderingsbesluiten van 18 februari 2025 een bedrag van € 3.750,- van beide eiseressen afzonderlijk gevorderd. Daarnaast heeft het college in twee invorderingsbesluiten van 18 maart 2025 een bedrag van € 3.250,- van eiseressen gevorderd, waarmee het maximum van beide lasten is bereikt. 1.3. Op 14 maart 2025 heeft het college twee verhoogde lasten onder dwangsom aan eiseressen opgelegd in verband met dezelfde overtreding. Eiseressen moeten de overtreding beëindigen door de toegepaste buffer-/compressor behuizing (van de CNG-opslag) aan te passen zodat deze een brandwerendheid heeft van 60 minuten conform de NEN 6069. Eiseressen kunnen de overtreding ook beëindigen door in een straal van 10 meter om de buffer/compressor geen objecten neer te zetten. De dwangsom bedraagt € 11.250,- wanneer na het verstrijken van de begunstigingstermijn van twee weken de overtreding niet is beëindigd. Voor elke twee weken dat de overtreding voortduurt, verbeuren eiseressen een dwangsom van € 11.250,-, met een maximum van € 22.500,-. Eiseressen hebben hier bezwaar tegen gemaakt. 1.4. Op 18 maart 2025 hebben eiseressen de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft deze verzoeken op 1 april 2025 op zitting behandeld. Op deze zitting heeft de rechtbank met partijen afgesproken dat: verzoeksters met instemming van het college rechtstreeks beroep zullen instellen; de rechtbank de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB) zal vragen om advies uit te brengen. 1.5. Eiseressen hebben met instemming van het college op 8 april 2025 rechtstreeks beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Zij hebben op 11 april 2025 inhoudelijke beroepsgronden ingediend. 1.6. De voorzieningenrechter heeft op 15 april 2025 uitspraak gedaan. De voorzieningenrechter heeft in haar uitspraak de twee verhoogde lasten onder dwangsom op basis van een belangenafweging geschorst tot 17 juli 2025. Deze voorziening is tevens gekoppeld aan het ingestelde rechtstreekse beroep door eiseressen. 1.7. Op 12 juni 2025 heeft de STAB een advies uitg De STAB heeft in haar advisering de werking van de CNG-bufferopslag feitelijk uiteengezet, wat voor de leesbaarheid van deze uitspraak en de begrijpelijkheid ervan hieronder eerst (verkort) wordt weergegeven. Werking van de CNG-bufferopslag 4.5. De CNG-bufferopslag en compressor bevinden zich in een zeecontainer van gegolfd koolstofstaal. De bufferopslag bestaat uit 18 stalen drukhouders (hierna: gasflessen) van elk 80 liter die in stalen rekken liggen. In deze gasflessen is het gecomprimeerde aardgas opgeslagen bij 250 tot maximaal 280 bar. De bufferopslag is voorzien van twee afblaasvoorzieningen voor het opgeslagen gecomprimeerde aardgas, die in het geval van een calamiteit, zoals een externe brand, in werking kunnen treden. 4.6. De eerste afblaasvoorziening wordt geactiveerd op basis van druk in de gasflessen en beschermt tegen overdruk van het systeem. Op het moment dat de druk in de gasflessen hoger wordt dan 314 bar, dan wordt het gas uit de gasflessen afgeblazen naar de buitenlucht tot de werkdruk van 280 bar. Deze voorziening betreft een veiligheidsklep die werkt met een drukveer. In het geval de druk in de bufferopslag weer oploopt tot boven de 314 bar, opent de veiligheidsklep opnieuw en wordt een hoeveelheid gas afgeblazen tot de druk is gedaald tot 280 bar. Er is sprake van met tussenpozen, zogenoemd intermitterend afblazen van gas, waarbij niet al het gas in één keer wordt afgeblazen. Voor het afblazen van het gas naar de buitenlucht zijn op de bufferopslag (westzijde) twee blaasventielen aangebracht waaruit het gas vrijkomt. Deze bevinden zich ruim drie meter boven maaiveld. 4.7. De tweede afblaasvoorziening wordt geactiveerd op basis van temperatuur in de bufferopslag. Op het moment dat de temperatuur in de container stijgt boven de 110 graden Celsius dan wordt het gas naar de buitenlucht afgeblazen. Deze voorziening werkt met een bimetaal. Bij een temperatuur van boven de 110 graden Celsius zal het bimetaal vervormen en de veiligheidsklep openen. Al het aanwezige gas zal op dat moment worden afgeblazen naar de buitenlucht. Er is bij deze afblaasvoorziening dus geen sprake van intermitterend afblazen van gas. 4.8. De afblaasvoorzieningen werken onafhankelijk van elkaar. Volgens de STAB hebben deze voorzieningen een hoog niveau van betrouwbaarheid omdat voor het in werking stellen van de veiligheidsfunctie geen elektriciteit of elektronica nodig is. Conclusies van de STAB over gelijkwaardigheid 4.9. De STAB heeft in haar advies van 12 juni 2025 en ook op de zitting van 3 juli 2025 toegelicht dat het principe van de bufferopslag met afblaasvoorzieningen op basis van druk en temperatuur als een gelijkwaardige maatregel zou kunnen worden aangemerkt. 4.10. Met het afblazen van het aardgas wordt volgens de STAB echter een nieuw risico geïntroduceerd. Dit risico bestaat er uit dat door een externe brand de temperatuur in de container in zeer korte tijd (4 minuten) zal stijgen naar boven de 110 graden Celsius waardoor de afblaasvoorziening (geregeld op basis van temperatuur) snel in werking treedt en de gehele gasinhoud van de opslag in zeer korte tijd afblaast. Het aardgas dat wordt afgeblazen, kan worden ontstoken als dit afblazen niet op een veilige plaats gebeurt. Het belang van het afblazen op een veilige plaats is in deze situatie groter, omdat de volledige inhoud van de bufferopslag zal worden afgeblazen. Het ontsteken van aardgas kan leiden tot een fakkelbrand wat een nieuw risico tot gevolg heeft voor de omgeving, wat niet is onderzocht. Aldus komt de STAB tot de conclusie dat de CNG-bufferopslag in dit geval niet als een gelijkwaardige maatregel kan worden aangemerkt. 4.11. Naar aanleiding van de tussenuitspraak hebben eiseressen een rapport “OG Clean Fuels opslag PGS 25 [adres] Almere, Modelberekeningen brandscenario’s” van Peutz van 1 augustus 2025 ingebracht (hierna: het rapport van Peutz). In het rapport van Peutz is aan de hand van diverse modelberekeningen onderbouwd dat op basis van een meest kritisch Deze conclusies van de STAB zijn niet opnieuw aan het LEC IV voorgelegd. 4.15. Eiseressen zijn het eens met de conclusie van de STAB dat het principe van de bufferopslag met afblaasvoorzieningen kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel. Peutz zet in de rapportages uiteen dat hoewel de bufferbehuizing niet 60 minuten brandwerend is, de wanden van de container een groot deel van de warmtestraling van de brand weren, waardoor de temperatuur relatief langzaam zal stijgen. Zoals de deskundige van Peutz ter zitting heeft uitgelegd, biedt de bufferopslag bestaande uit een container met enigszins warmtewerende wanden in combinatie met de beide afblaasvoorzieningen een gelijkwaardige oplossing voor de maatregelen die op grond van voorschrift 5.1.1 uit de PGS-richtlijn zijn voorgeschreven. De aanpassingen zoals voorgesteld door de STAB zijn naar mening van eiseressen niet nodig, omdat er geen sprake is van de introductie van een nieuw risico. Mocht de rechtbank dat anders zien, dan zijn zij bereid deze aanpassingen te doen. 5. Beoordeling rechtbank 5.1. De rechtbank zal aan de hand van wat partijen in reactie op het STAB-advies naar voren hebben gebracht, bezien of zij de STAB kan volgen in haar conclusies. Vervolgens zal zij de overige beroepsgronden van eiseressen tegen de besluiten bespreken. 5.2. Zoals de rechtbank op de zitting heeft uitgelegd, is het vaste rechtspraak dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het verslag van de STAB, nu zij als onafhankelijke deskundige door de rechtbank is benoemd. Dat is slechts anders als dat verslag onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zodanige gebreken bevat dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd. Vertrekpunt voor de beoordeling van de rechtbank of er in dit geval sprake is van een gelijkwaardige maatregel, is dan ook de advisering door de STAB op dit punt. Toetsingskader gelijkwaardigheid 5.3. Partijen zijn het erover eens dat het treffen van een gelijkwaardige maatregel voor voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn is toegestaan. Dat volgt ook uit de systematiek van de PGS-richtlijn. Uit paragraaf 1.6 van de PGS-richtlijn volgt dat een andere dan de beschreven maatregel mogelijk is, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid. 5.4. Hoe inhoudelijk moet worden beoordeeld of sprake is van een gelijkwaardige maatregel, wordt in de PGS-richtlijn niet verder uitgewerkt. Voor de beoordeling van gelijkwaardigheid kan de handreiking “Beoordeling gelijkwaardigheid PGS-maatregelen” (hierna: handreiking gelijkwaardigheid) als hulpmiddel worden gebruikt. Ook al is deze handreiking opgesteld in het kader van de aankomende, nieuwe PGS-richtlijn, staat tussen partijen niet ter discussie dat de handreiking kan worden gebruikt als hulpmiddel bij de beantwoording van de vraag naar gelijkwaardigheid van een maatregel. Volgens deze handreiking is een gelijkwaardige maatregel een maatregel waarmee ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als de wetgever met de voorgeschreven maatregel heeft beoogd. Het gaat daarbij om het doel van de voorgeschreven maatregel. Het uitgangspunt is verder dat bij de toepassing van een gelijkwaardige maatregel het totale risico gelijk blijft of lager wordt. Er mogen geen nieuwe (onbeheerste) risico’s worden geïntroduceerd, tenzij deze afdoende worden gemitigeerd. Gelijkwaardigheid: doel voorschrift 5.1.1 5.5. Het opslaan van gecomprimeerd aardgas in gasflessen leidt tot specifieke risico’s voor de omgeving en hulpdiensten, met name in het geval blootstelling aan brand. Hierbij gaat het om het vrijkomen van het zeer licht ontvlambare aardgas dat onder hoge druk is opgeslagen in gasflessen en/of explosie van deze gasflessen. 5.6. De STAB zet in de beo Aldus volgt de rechtbank het uitgangspunt van de STAB dat de bufferopslag met afblaasvoorzieningen (op basis van temperatuur en druk) in combinatie met de thermische isolatie van de containerwand een maatregel is die op zichzelf beschouwd kan voorkomen dat de bufferopslag bezwijkt en daarmee direct vlamcontact met opgeslagen gasflessen en/of kritische installatie-onderdelen in de bufferopslag voorkomt. Met de combinatie van maatregelen in de bufferopslag kan het doel van de maatregelen uit voorschrift 5.1.1 van de PGS-richtlijn in beginsel worden bereikt. Op de vraag of door de werking van de bufferopslag, in het bijzonder het (eerder) afblazen van het aardgas, een nieuw risico wordt geïntroduceerd, zal de rechtbank vervolgens ingaan. Introductie van een nieuw risico? 5.14. Zoals hiervoor uiteen is gezet, blijft de STAB in haar advies van oktober 2025 bij haar conclusie dat de CNG-bufferopslag zoals deze nu is gerealiseerd, niet als een gelijkwaardige maatregel kan worden aangemerkt. Echter, in aanvulling op deze conclusie merkt de STAB op dat indien eiseressen de feitelijke situatie rondom de bufferopslag aanpassen én de afblaasventielen verplaatsen en verhogen, zij de conclusies van het rapport van Peutz kan volgen dat het risico dat met het afblazen van het aardgas wordt geïntroduceerd, wordt gemitigeerd. In die situatie zou er volgens de STAB sprake zijn van een gelijkwaardige maatregel. 5.15. Het college is het niet eens met de conclusie van de STAB dat na feitelijke aanpassingen aan en nabij de bufferopslag er sprake is van een gelijkwaardige maatregel. Volgens het college zal met het afblazen van het aardgas een nieuw risico worden geïntroduceerd. Ook na de door de STAB voorgestelde aanpassingen, staat volgens het college niet vast dat het risico gemitigeerd wordt. Hij heeft op de zitting een aantal technische uitgangspunten die de STAB heeft gehanteerd, bestreden. 5.16. Eiseressen zijn van mening dat de CNG-bufferopslag ook in de huidige situatie kan worden aangemerkt als gelijkwaardige maatregel. Zij zijn echter bereid om de door de STAB voorgestelde aanpassingen aan en nabij de bufferopslag uit te voeren. Zij hebben voorafgaand aan de zitting desgevraagd op tekeningen inzichtelijk gemaakt hoe deze aanpassingen er feitelijk uit zouden zien. Deze overzichtstekeningen zijn als bijlagen 1 en 2 bij deze uitspraak gevoegd. 5.17. Voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van de introductie van een nieuw risico en of dit risico voldoende wordt gemitigeerd zijn er een aantal (technische) uitgangspunten relevant. Nu beide partijen het niet eens zijn met de conclusies van de STAB op dit punt, zal de rechtbank de (technische) uitgangspunten waarover discussie bestaat, bespreken en bezien of in de argumenten van partijen aanleiding geven om het STAB-advies niet aan haar oordeelsvorming ten grondslag te leggen. Uitgangspunten STAB-advies 5.18. Partijen zijn het met elkaar eens dat voor de beoordeling of er een nieuw risico wordt geïntroduceerd, moet worden uitgegaan van een realistisch scenario voor een externe brand. Partijen zijn het er ook over eens dat het meest kritische brandscenario bestaat uit drie tegelijk brandende elektrische SUV-auto’s op de drie meest nabij de bufferopslag gelegen opstelvakken voor elektrisch laden. Peutz heeft berekend dat de behuizing van de CNG-bufferopslag in dit scenario wordt blootgesteld aan een warmtestralingsbelasting die circa 13 kW/m² bedraagt. Ter zitting is vastgesteld dat deze warmtebelasting een goed uitgangspunt vormt om de gelijkwaardigheid van de maatregel te beoordelen en is daarmee niet langer in discussie tussen partijen. 5.19. Uitgangspunten die wel ter discussie staan én relevant zijn voor de beoordeling of er een nieuw risico wordt geïntroduceerd, zijn (1) het temperatuurverloop in de bufferopslag (en daarmee samenhangend het moment dat de afblaasvoorzieningen in werking zullen treden), (2) de hoeveelheid aardgas die de bufferopslag in het geval van een externe brand za Wel heeft de STAB erop gewezen dat voor deze conclusie de feitelijke situatie rondom de bufferopslag in overeenstemming moet worden gebracht met het uitgangspunt uit de berekeningen van Peutz dat er niet op een kortere afstand dan 4,75 meter van de bufferopslag (op opstelvak A) kan worden geladen. 5.25. Aan de hand van de afbeelding 3.3 uit het STAB-advies van oktober 2025 en de overzichtstekeningen is op de zitting met partijen geconstateerd dat het feitelijk mogelijk is om op een kortere afstand tussen opstelvak A en de bufferopslag te parkeren en te laden. De naar aanleiding van de tussenuitspraak geplaatste paaltjes voorkomen dit niet. De minimum afstand tot dit opstelvak bedraagt nu 2,5 meter. In de berekeningen voor zowel de temperatuurstijging in de bufferopslag (alsook de berekening van het invloedsgebied van het vlamlichaam) is gerekend met een afstand van 4,75 meter. 5.26. De STAB heeft op de zitting onderschreven dat als eiseressen de parkeermogelijkheden aanpassen zoals aangegeven op de overzichtstekening, dit in overeenstemming is met de door Peutz uitgevoerde berekeningen. Op de overzichtstekening van eiseressen in bijlage 1 bij deze uitspraak is een afstand van 4,77 meter getekend tussen de bufferopslag en opstelvak A waar elektrische auto’s kunnen parkeren om te laden. De paaltjes tussen de opslag en opstelvak A zijn op een afstand van 4,27 van de bufferopslag getekend. Hiermee wordt een halve meter ruimte gelaten voor het openen van een autodeur van een auto in opstelvak A. Daarbij gaat de STAB ervan uit dat het de bedoeling is dat in de parkeervakken wordt geparkeerd en niet daarbuiten. De parkeervakken zijn ook maatgevend geweest voor de berekeningen van Peutz. De rechtbank kan dit volgen en geeft eiseressen ten overvloede in overweging mee om op de locatie duidelijk te maken dat in de buurt van de bufferopslag, anders dan de opstelvakken voor elektrisch laden, niet mag worden geparkeerd (bijvoorbeeld met een wit kruis op het wegdek). Hoeveelheid af te blazen gas op basis van druk (2) 5.27. Zoals de STAB uiteen heeft gezet, is voor de beoordeling of er een nieuw risico wordt geïntroduceerd relevant dat het intermitterend afblazen van het aardgas op basis van druk kan plaatsvinden voordat de bufferopslag een temperatuur van 110 graden Celsius bereikt. Peutz heeft uiteengezet dat bij een meest kritisch brandscenario de luchttemperatuur in de bufferopslag na circa 24 minuten een temperatuur van 95 °C bereikt. Het drukgeregeld ventiel zal een beperkte hoeveelheid gas afblazen (305 bar) om de druk in de cilinder te beheersen. Een verdere temperatuurstijging is niet aan de orde, dus de hoeveelheid afgeblazen gas blijft beperkt. Volgens Peutz zal na het bereiken van een druk van 305 bar binnen tien seconden circa 5 tot 10% van het aardgas worden afgeblazen. 5.28. Volgens de STAB heeft Peutz deze conclusie onvoldoende onderbouwd. De STAB heeft daarom een eigen berekening uitgevoerd. Uit die berekening volgt dat een afname van de druk van 314 tot 280 bar, leidt tot een af te blazen gasvolume van circa 6%. Dit ligt binnen de bandbreedte van circa 5 tot 10% waar Peutz in zijn berekeningen van uitgaat, zodat dit het uitgangspunt kan zijn bij de beoordeling of er een nieuw risico wordt geïntroduceerd. 5.29. Het college heeft naar voren gebracht dat het afblazen van 6% van de gashoeveelheid zich zal herhalen en vindt dat de STAB hier bij de beoordeling van de introductie van een nieuw risico onvoldoende rekening mee heeft gehouden. Desgevraagd door het college heeft de STAB op de zitting toegelicht dat 6% van de gashoeveelheid ongeveer 16 kilogram gas is. Volgens het college is dit een grote hoeveelheid gas die gevaar oplevert. Verder wordt namens het college opgemerkt dat als de temperatuur binnen de opslag oploopt, er binnen de omhulling een explosie zal plaatsvinden. 5.30. De STAB heeft in haar advies inzichtelijk uitgelegd dat de temperatuur kan oplopen tot 95 °C en dat er bij die temperatuur intermitterend gas wordt De rechtbank volgt daarmee eiseressen niet in hun standpunt dat deze aanpassingen van de afblaasventielen niet noodzakelijk zijn omdat deze voldoen aan voorschrift 7.3.2 van de PGS-richtlijn. Nog los van het feit of geheel voldaan wordt aan de inhoud van dit voorschrift, dient dit voorschrift een ander doel. Bovendien gaat het hier om de vraag of het risico van het afblazen van aardgas in het geval van een externe brand geheel wordt weggenomen. Slechts dan is immers sprake van een gelijkwaardige maatregel. De rechtbank kan voornoemde conclusies van de STAB dan ook volgen dat de bufferopslag in de huidige vorm niet kan worden aangemerkt als een gelijkwaardige maatregel. 5.35. Het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat ook na aanpassing van de feitelijke situatie nabij de bufferopslag en het verplaatsen en verhogen van de afblaasventielen onvoldoende vast staat dat het risico van het afblazen van aardgas, het ontstaan van een fakkelbrand, zich niet zal verwezenlijken. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat er op kortere afstand van de bufferopslag elektrisch kan worden geladen (opstelvak B) en ook dat de externe brand kan overslaan op het naast de bufferopslag gelegen transformatorhuisje. De gevolgen hiervan zijn volgens het college niet onderzocht. Om het gevaar hiervan aan te tonen, heeft het college op zitting een foto getoond van een brandend transformatorhuisje. 5.36. De deskundige van Peutz heeft op de zitting toegelicht dat een brand op opstelvak A in een rechte lijn warmte aanstraalt op de bufferopslag, terwijl deze lijn schuin loopt vanaf opstelvak B, waardoor de warmte snel afneemt. De STAB heeft op de zitting toegelicht dat zij de deskundige van Peutz kan volgen in zijn toelichting dat de afstand van de bufferopslag tot opstelvak B niet maatgevend is, omdat de vuurlast als gevolg van een brand in dit opstelvak veel minder groot is dan van een brandende elektrische auto op opstelvak A. Dit heeft ermee te maken dat opstelvak A in de lengte ten opzichte van de afblaasvoorziening staat. Er wordt dus een groter oppervlakte van de bufferopslag aangestraald. De STAB heeft hier op de zitting aan toegevoegd dat deze conclusie is af te leiden uit een tekening in het NIPV-rapport. 5.37. Ook een mogelijke (overslaande) brand van het transformatorhuisje is niet maatgevend. De deskundige van Peutz heeft uitgelegd dat in juni en augustus 2025 is gerapporteerd dat uit de door hen gehanteerde rekenmodellen volgt dat voor een transformatorbrand de thermische belasting zodanig is dat de temperatuur in de bufferopslag niet verder oploopt dan 50 graden Celsius. Op de zitting heeft Peutz toegelicht dat het invloedsgebied van het vlamlichaam aanmerkelijk kleiner is dan het invloedsgebied van een brandende elektrische auto. Dit komt omdat een transformatiehuisje een veel kleiner brandend vermogen heeft. De STAB heeft op de zitting toegelicht dat bovendien met een warmtebelasting als gevolg van een externe brand in het transformatiehuisje geen temperatuur of druk wordt bereikt waarin de afblaasvoorzieningen in werking zullen treden. Er wordt in die situatie niet afgeblazen op basis van druk of temperatuur. 5.38. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Nog los van het feit dat het college dit punt voor het eerst op de zitting naar voren brengt, is het zoals ook op zitting is uitgelegd, aan het college om te onderbouwen op welk punt de berekeningen van Peutz die zijn gecontroleerd en gevalideerd door de STAB, niet juist zouden zijn. Van het college mag verwacht worden dat na het uitbrengen van een STAB-advies, en meerdere zittingen in deze procedure, hij dit op een onderbouwde wijze naar voren had gebracht. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding in wat het college op de zitting naar voren heeft gebracht om de conclusies van de STAB op dit punt niet te volgen. Tussenconclusie 5.39. De rechtbank komt daarmee tot de conclusie dat in wat partijen naar voren hebben gebracht geen aanleiding bestaat om de uitgangspunten en conclusies De rechtbank is, het advies van de STAB op dit punt volgend, tot een andere conclusie gekomen. Dit maakt echter niet dat er sprake is van onzorgvuldige besluitvorming omdat het college dit anders zag. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. Verhoogde lasten onder dwangsom 7. Door het college zijn er twee verhoogde lasten onder dwangsom opgelegd: aan [eiseres 2] B.V. en [eiseres 1] B.V. Aan beide ondernemingen is een dwangsom van € 11.250,- opgelegd als de geconstateerde overtreding niet wordt beëindigd, met een maximum te verbeuren dwangsombedrag van € 22.500,-. De begunstigingstermijn is twee weken. Overtrederschap 7.1. Eiseressen hebben op de zitting van 3 juli 2025 het standpunt ingenomen dat alleen de werkmaatschappij [werkmaatschappij] B.V. als overtreder kan worden aangemerkt, omdat dit de onderneming is die de overtreding kan beëindigen. Zowel [eiseres 2] B.V. als [eiseres 1] B.V. hebben geen zeggenschap en kunnen de overtreding niet beëindigden zodat zij ten onrechte als overtreder zijn aangeschreven. 7.2. Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067), houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om rechtspersonen in dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. 7.3. Uit het handelsregister blijkt dat [eiseres 2] B.V. en [eiseres 1] B.V. beide algemeen directeur en bestuurder zijn van de onderneming [werkmaatschappij] B.V. Beide rechtspersonen zijn zelfstandig bevoegd. Enig aandeelhouder van [werkmaatschappij] B.V. is [eiseres 1] B.V. Uit de statuten van [werkmaatschappij] B.V. blijkt verder dat het bestuur belast is met het besturen van de vennootschap en de vennootschap vertegenwoordigt. Bij deze constructie en zonder nadere onderbouwing van eiseressen op dit punt waarom deze gedraging redelijkerwijs niet aan beide rechtspersonen kan worden toegerekend, heeft het college deze rechtspersonen als overtreder kunnen aanmerken. De beroepsgrond faalt. De hoogte van de dwangsom 7.4. Eiseressen voeren aan dat de dwangsom niet in verhouding staat tot de overtreding. Zij hebben geen financieel voordeel bij de door het college gestelde overtreding. De dwangsom is onevenredig voor hen, reden waarom deze geen stand kan houden. 7.5. Het college heeft bij de eerdere lasten onder dwangsom van 23 oktober 2024 een dwangsom van € 3.750,- opgelegd om de overtreding ongedaan te maken. Deze lasten onder dwangsom zijn onherroepelijk geworden. Omdat deze lasten zijn volgelopen en de overtreding niet ongedaan is gemaakt, heeft het college op 14 maart 2025 twee verhoogde lasten onder dwangsom van € 11.250,- opgelegd aan eiseressen. 7.6. Het college komt bij het bepalen van de hoogte van de verhoogde lasten onder dwangsom een ruime mate van de beleidsvrijheid toe, die de rechtbank terughoudend toetst. Het college heeft de dwangsommen met een factor drie vermenigvuldigd omdat is gebleken dat de eerder opgelegde lasten onder dwangsom onvoldoende effect hebben gehad om de overtreding te beëindigen. Het college heeft de hoogte van deze verhoogde lasten gebaseerd op bijlage 11 van de “Standaard dwangsombedragen en begunstigingstermijnen” van de Regionale Uitvoering en Handhaving Strategie 2024-2027.” Dit kader is vastgesteld door het college en heeft als doel uniformiteit te bereiken en inzicht te geven met betrekking tot handhaving in de provincie Flevoland en de regio Gooi en Vechtstreek. 7.7. Volgens vaste rechtspraak heeft het opleggen van een last onder dwangsom tot doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van een dwangsom moet een zodanige financiële prikkel uitgaan dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De rechtbank s Hoewel eiseressen hebben aangevoerd dat onvoorziene omstandigheden ervoor kunnen zorgen dat het langer dan acht weken kan duren, duurt de overtreding al langere tijd voort en bestaat er voor eiseressen de mogelijkheid om de overtreding per direct te beëindigen door de toevoer van gas af te sluiten en de installatie gecontroleerd te ontluchten. De gewijzigde last onder dwangsom is opgenomen in het dictum van deze uitspraak, waarbij de wijzigingen zijn onderstreept. 8.4. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het college het griffierecht dat in deze zaken is betaald (€ 385,-) vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. 8.5. De proceskosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend, waarbij het uitgangspunt is gehanteerd dat de beroepen worden aangemerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eiseressen een vast bedrag per proceshandeling. Nu de bezwaarfase is overgeslagen door het instellen van rechtstreeks beroep, heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift (1 punt) ingediend, een nadere reactie ingediend naar aanleiding van de tussenuitspraak (0,5 punt), tweemaal een schriftelijke zienswijze ingediend na de STAB-verslagen (samen 1 punt) en deelgenomen aan de zittingen in juli en november 2025 (samen 2 punten). De proceskostenvergoeding bedraagt daarmee in totaal (4,5 x € 934,-) = € 4.203,-. 8.6. De beroepen tegen de vier invorderingsbesluiten (UTR 25/2440, UTR 25/2446, UTR 25/2442 en UTR 25/2447) verklaart de rechtbank ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat in die beroepen dan ook geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen tegen de invorderingsbesluiten (UTR 25/2440, UTR 25/2446, UTR 25/2442 en UTR 25/2447) ongegrond; - verklaart de beroepen tegen de verhoogde lasten onder dwangsom (UTR 25/2443 en UTR 25/2444) gegrond; - vernietigt en herroept uitsluitend de lasten van deze besluiten; - bepaalt dat de lasten van deze besluiten als volgt komen te luiden: “U dient de overtreding van artikel 4.486 van het Bal in combinatie met PGS 25:2021 voorschrift 5.1.1 te beëindigen door de toegepaste buffer-/compressor behuizing aan te passen zodat deze een brandwerendheid heeft van 60 minuten, conform de NEN 6069. U kunt de overtreding ook beëindigen en beëindigd houden door in een straal van 10 meter om de buffer/compressor geen objecten neer te zetten of de directe omgeving van de CNG-bufferopslag en de afblaasventielen van de CNG-bufferopslag in overeenstemming te brengen met de overzichtstekeningen, gevoegd als bijlagen 1 en 2 bij deze uitspraak . Het betreft een dwangsom van € 11.250,- wanneer na het verstrijken van de begunstigingstermijn de overtreding niet is beëindigd. De begunstigingstermijn bedraagt acht weken na verzenddatum van de uitspraak . Voor elke twee weken dat de overtreding voortduurt, verbeurt u weer een dwangsom van € 11.250,-. Het maximum te verbeuren dwangsombedrag is € 25.000,-. en - bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van deze besluiten; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseressen moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 4.203,- aan proceskosten aan eiseressen. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Spee, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Bouwman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten,