Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-13
ECLI:NL:RBMNE:2025:358
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,531 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3885
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser]
, uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Jozefzoon-Flipse),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: E. Siemeling).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzingen van de bijstandsaanvragen van eiser en terugvordering van het voorschot op eiser.
1.1.
In twee afzonderlijke besluiten van 29 augustus 2023 heeft het college de bijstandsaanvraag van eiser van 15 juni 2023 afgewezen (besluit I) en het voorschot van € 850,- teruggevorderd (besluit II).
1.2.
Bij besluit van 6 november 2023 heeft het college de bijstandsaanvraag van eiser van 12 september 2023 afgewezen (besluit III).
1.3.
Op 12 februari 2024 heeft een hoorzitting plaatsgevonden waarbij eisers’ bezwaren tegen de drie besluiten zijn toegelicht.
1.4.
Met het bestreden besluit van 14 maart 2024 op de bezwaren van eiser is het college bij de afwijzingen van de aanvragen en het terugvorderen van het voorschot gebleven. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld bij de rechtbank. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2024 op zitting behandeld. De gemachtigde van het college is ter zitting verschenen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
1.6.
De griffier heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch contact gehad met gemachtigde van eiser. Zij heeft de rechtbank verzocht de zaak op basis van de stukken te beoordelen.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het college terecht de bijstandsaanvragen van 15 juni 2023 en 12 september 2023 heeft afgewezen en het voorschot van € 850,- heeft teruggevorderd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. Het beroep is ongegrond, eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De afwijzing van de bijstandsaanvragen
4. Het college heeft op 20 januari 2023 een anonieme melding ontvangen inhoudende dat eiser in november 2020 een schadevergoeding van € 110.500,00 heeft ontvangen, deze in contanten delen heeft opgenomen, gedeeltelijk via moneytransfer heeft overgemaakt naar een Marokkaans rekeningnummer en van het geld drie appartementen in de stad [naam] (Marokko) heeft gekocht. Het college heeft eiser gevraagd hierover informatie te verstrekken. Op dat moment ontving eiser namelijk een bijstandsuitkering. Omdat eiser niet alle gevraagde informatie heeft overgelegd aan het college, is de bijstandsuitkering opgeschort en ingetrokken. Deze besluiten zijn onherroepelijk geworden en zijn niet in geschil.
5. In de periode tussen de opschorting van de bijstandsuitkering en het onherroepelijk worden van bovengenoemde besluiten heeft eiser, op 15 juni 2023, opnieuw een aanvraag van een bijstandsuitkering ingediend. Om deze aanvraag te kunnen beoordelen heeft het college eiser verzocht om concrete stukken, zoals een geldige verblijfsvergunning, het huurcontract, alle afschriften van betaal- en spaarrekeningen en bewijsstukken die eiser zegt te hebben waaruit blijkt dat hij niet beschikt over vermogen in Marokko. Eiser heeft deze informatie niet overlegd. Verweerder heeft daarop de aanvraag wegens schending van de inlichtingen- en medewerkingsplicht afgewezen en het uitgekeerde voorschot van 19 juli 2023 van € 850,- teruggevorderd (besluit I en II). Na deze afwijzing heeft eiser op 12 september 2023 opnieuw een aanvraag ingediend, die op basis van dezelfde gronden is afgewezen (besluit III).
6. Volgens eiser heeft het college ten onrechte geconcludeerd dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De aanvraag van 15 juni 2023 is daardoor onterecht afgewezen. Eiser benadrukt dat hij alle stukken waarover hij tijdens de aanvraag beschikte heeft overlegd. Tijdens de bezwaarfase heeft hij bovendien inspanningen verricht om alsnog zoveel mogelijk stukken te verzamelen en te overleggen. Het college heeft daarnaast ten onrechte de aanvraag van 12 september 2023 afgewezen, omdat het recht op bijstand niet aannemelijk zou zijn gemaakt. Eiser betwist dit en is bereid om indien mogelijk aanvullende informatie te verzamelen en te verstrekken.
Schending inlichtingen- en medewerkingsplicht
7. Iemand die een bijstandsaanvraag doet moet aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. Dit betekent dat de bewijslast op eiser rust. Aan de hand van feiten en omstandigheden moet eiser duidelijkheid geven aan het college over zijn financiële situatie en zijn woon- en leefsituatie. Voor zover eiser niet voldoet aan zijn inlichtingen- en medewerkingsplicht, kan dit voor het college reden zijn de aanvraag af te wijzen als het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.
8. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB hoeft eiser in beginsel geen verantwoording af te leggen over hoe hij in zijn levensonderhoud heeft voorzien in een afgesloten periode, voorafgaand aan de bijstandsaanvraag. Dit is anders in gevallen waarin aanknopingspunten bestaan waaruit blijkt dat een onbekende inkomstenbron bestaat die ook nog in de te beoordelen periode aanwezig is.
9. In lijn met deze rechtspraak overweegt de rechtbank dat het college beide aanvragen niet op het al dan niet bezitten van de appartementen in Marokko en de gekregen schadevergoeding mag afwijzen, maar dat de onduidelijkheid over wat eiser met de in november 2020 ontvangen schadevergoeding heeft gedaan wel voldoende aanleiding geeft om verder onderzoek te verrichten naar de financiële situatie van eiser ten tijde van de aanvragen.
10. Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het college bij de bijstandsaanvragen om informatie heeft gevraagd die noodzakelijk is voor de beoordeling van de bijstandsaanvragen. Het gaat daarbij om:
een rechtsgeldig huurcontract;
alle afschriften van (nationale en eventueel internationale) betaal- en spaarrekeningen van 1 januari 2023 tot en met 15 juni 2023;
bewijsstukken over het niet hebben van vermogen in Marokko, waarover eiser zelf heeft aangegeven dat ze bestaan;
een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van november 2021, waarin zou zijn aangegeven dat eiser al dan niet over een vermogen zou beschikken;
bewijsstukken van de ontvangst van DH 35.000,- die eiser volgens zijn eigen verklaring heeft teruggevorderd bij het bedrijf dat de appartementen in Marokko in beheer had;
bewijsstukken dat het bedrijf dat de appartementen in beheer had, het verzoek om afstand te doen van de twee appartementen heeft ingewilligd.
Het opvragen van bovengenoemde informatie is in lijn met vaste rechtspraak, waaruit volgt dat het college gegevens mag opvragen die voor een goede beoordeling van die aanvraag redelijkerwijs nodig zijn. Verder gaat het hier gaat om informatie op basis van stukken waarover eiser redelijkerwijs heeft moeten, dan wel kunnen, beschikken.
11. Eiser stelt dat de ontvangen schadevergoeding inmiddels op is gemaakt, maar heeft dit niet met verifieerbare en objectieve gegevens onderbouwd. Zo heeft eiser geen enkel rekeningoverzicht heeft overgelegd, waardoor zijn financiële situatie onduidelijk blijft. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden vastgesteld of hij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. De rechtbank oordeelt dat het college terecht stelt dat eiser de inlichtingen- en medewerkingsverplichting heeft geschonden en het recht op bijstand daardoor niet is vast te stellen. De beroepsgrond over de afwijzingen van de bijstandsaanvragen van 15 juni en 12 september 2023 slaagt niet.
Terugvordering voorschot
12. Eiser stelt zich op het standpunt dat het college ten onrechte het verstrekte voorschot van € 850,- heeft teruggevorderd omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld en er geen dringende redenen bestaan die maken dat van terugvordering had moeten worden afgezien. Volgens eiser is het college bekend met het gegeven dat eiser kampt met een drankprobleem en daarom vaak in ernstige geldnood verkeert. Hierdoor heeft hij meerdere malen geld moeten lenen, van familieleden maar ook van zijn voormalig advocaat. Er is sprake van een vicieuze cirkel van verslaving en financiële problemen die maakt dat elke nieuwe financiële verplichting zijn schuld en stress vergroot, en de kans op herstel verkleint.
13. Bij de afwijzing van een bijstandsaanvraag kan het college het verleende voorschot terugvorderen. Het college moet bij de uitoefening van deze bevoegdheid een belangenafweging maken. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB.
Dringende redenen
14. Wanneer daarvoor dringende redenen bestaan kan het college gedeeltelijk of geheel van terugvordering afzien. Hiervan is sprake als de terugvordering leidt tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene. Het moet in dat geval gaan om gevallen waarbij zich iets uitzonderlijks of bijzonders voordoet. In dergelijke situaties moet het college een individuele belangenafweging maken waarbij alle relevante omstandigheden moeten worden meegewogen. Degene die een beroep doet op de dringende redenen moet aannemelijk maken dat deze redenen zich voordoen in het specifieke geval.
15.
Conclusie
20. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de bijstandsaanvragen van eiser van 15 juni en 12 september 2023 terecht heeft afgewezen en het verleende voorschot van
€ 850,- terecht heeft teruggevorderd. Het bestreden besluit komt niet voor vernietiging in aanmerking. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van B.J.H. van der Avoird , griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2025.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 17 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2024-07-01), eerste en tweede lid, van de Participatiewet (Pw). Zie daarnaast onder meer de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:171 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2023:171), r.o. 4.7 en 6 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1738 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), r.o. 4.6.
Zie de uitspraak van de CRvB van 28 februari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:396 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2023:396).
Zie de uitspraak van de CRvB van 1 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1544 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1544).
Zie de uitspraken van de CRvB van 8 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1526 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2023:1526), en 1 maart 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:398 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2022:398).
Zie ter vergelijking de uitspraak van de CRvB van 14 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:934 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2024:934).
Artikel 58 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2024-07-01), tweede lid, aanhef en onder d, van de Pw in samenhang met artikel 52 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2024-07-01) van de Pw.
Zie bijv. de uitspraak van de CRvB van 25 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2332 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2022:2332).
Artikel 58 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0015703/2024-07-01), achtste lid, van de Pw.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de CRvB, zie de uitspraak van 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/deeplink/ecli?id=ECLI:NL:CRVB:2024:726).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 14 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:934 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/) en de uitspraak van de CRvB van 30 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:866 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/).