Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-09
ECLI:NL:RBMNE:2025:2863
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,959 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1873
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. A.E.M.C. Koudijs),
en
de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden
(gemachtigde: mr. M. van Ommeren en N. van Schaik).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen een last onder dwangsom wegens overtreding van artikel 2:44 van de Algemene plaatselijke verordening Vijfheerenlanden 2023 (Apv).
1.1.
Uit de bestuurlijke rapportage van 29 augustus 2023 blijkt dat eiser op 25 juli 2023 om 03:15 uur is aangehouden, omdat de kentekenplaat van zijn motorscooter vermoedelijk vals was. Bij controle in de politiesystemen blijkt dat eiser een groot aantal registraties op zijn naam heeft staan met betrekking tot vermogensdelicten, waarna de politie besluit om de buddyseat van de motorscooter te controleren. Hierbij zijn spullen aangetroffen waarvan ambtshalve bekend is dat die veelvuldig gebruikt worden bij het inbreken in voertuigen en woningen.
1.2.
Op 14 september 2023 is aan eiser een last onder dwangsom opgelegd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
1.3.
Op 19 december 2023 is een hoorzitting gehouden.
1.4.
Met het bestreden besluit van 17 januari 2024 op het bezwaar van eiser is de burgemeester bij dat besluit gebleven.
1.5.
De burgemeester heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de burgemeester.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het opleggen van de last onder dwangsom. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is er sprake van een motiveringsgebrek?
4. Eiser voert aan dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd op zijn bezwaargronden in het bestreden besluit. In bezwaar heeft hij aangevoerd dat de hoogte van de dwangsom onduidelijk is omdat er meerdere bedragen worden genoemd, dat er ten onrechte geen eindtermijn is genoemd voor de last onder dwangsom en dat de spullen die eiser bij zich had niet moeten worden gezien als inbrekerswerktuigen. In het advies van de commissie bezwaarschriften Vijfheerenlanden van 8 januari 2024 wordt alleen ingegaan op de betrouwbaarheid van de bestuurlijke rapportage, niet op de bezwaargronden van eiser. In het bestreden besluit wordt voor de motivering verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften Vijfheerenlanden.
5. De burgemeester heeft ter onderbouwing van het bestreden besluit de volgende motivering gegeven:
“Ik besluit hierbij om het advies van de commissie, dat bij dit besluit hoort en als bijlage wordt meegestuurd, over te nemen. Ook vindt u in de bijlage het verslag van de commissie. De redenen waarom vindt u, volgens artikel 3:49 van de Algemene wet bestuursrecht, in het advies van de commissie.”
6. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat de burgemeester in het bestreden besluit onvoldoende heeft gereageerd op de bezwaargronden van eiser. In het advies wordt alleen ingegaan op de vraag of het proces-verbaal in het algemeen ten grondslag mag worden gelegd aan het besluit. De punten over inbrekerswerktuigen en hoogte en termijn van de dwangsom komen in het advies niet aan de orde. Het enkel bijvoegen van het verslag van de hoorzitting, waar de bezwaargronden wel inhoudelijk met eiser zijn besproken, is onvoldoende om als expliciete motivering op de bezwaren van eiser te worden aangemerkt. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit daarmee onvoldoende is gemotiveerd en voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is reeds hierom al gegrond. De rechtbank zal uit het oogpunt van finale geschilbeslechting beoordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank zal daarom inhoudelijk ingaan op de overige beroepsgronden van eiser. De rechtbank zal daarbij de motivering zoals die door de burgemeester ter zitting is gegeven (een verwijzing naar hetgeen in het verslag van de hoorzitting en het verweerschrift hangende bezwaar is opgenomen) meenemen.
De beroepsgronden van eiser
7. Eiser voert aan dat er geen sprake was van overtreding van artikel 2:44 van de Apv. De burgemeester mocht niet uitgaan van de bestuurlijke rapportage, omdat deze onjuistheden bevat. Ten aanzien van de registratie van het kenteken als ‘vermoedelijk vals’, daarvan is achteraf gebleken dat eiser niets te verwijten viel. Het tijdstip van de staandehouding van eiser is te verklaren, omdat hij vaker in de nacht gaat rijden om zijn zinnen te verzetten. Ook de antecedenten van eiser van de afgelopen vijf jaar zien niet op woninginbraak. Verder is eiser niet bekend met een last onder dwangsom in Nieuwegein voor een vergelijkbare overtreding, waar de politie wel vanuit gaat. Ook was de zus van eiser ook aanwezig bij de staandehouding, maar hier staat ten onrechte niets over in de bestuurlijke rapportage. Het gereedschap wat eiser bij zich had is voor het repareren van zijn scooter, dit zijn geen inbrekerswerktuigen. Verder voert eiser aan dat de hoogte en de einddatum van de last onder dwangsom ten onrechte niet staan vermeld in het bestreden besluit.
Het bestreden besluit
8. De burgemeester heeft ter zitting nader toegelicht dat hij bij het opleggen van de last onder dwangsom is uitgegaan van de volgende informatie uit de bestuurlijke rapportage:
“[eiser] werd in de gemeente Vijfheerenlanden in Leerdam al rijdend gezien op een motorscooter met een valse kentekenplaat. Bij de staandehouding zijn er inbrekerswerktuigen gevonden. Gelet op het bovenstaande is het aannemelijk dat [eiser] artikel 2 44 Vervoer inbrekerswerktuigen van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Vijfheerenlanden heeft overtreden.
Feiten
Op dinsdag 25 juli 2023 om 03. 15 uur zag de politie in Leerdam een motorscooter rijden waarvan de kentekenplaat vermoedelijk vals was Hierop heeft de politie op de [straat] te Leerdam de bestuurder van de motorscooter staande gehouden De bestuurder bleek te zijn
[eiser] geboren op [geboortedatum] 1978
Bij controle in de politiesystemen blijkt dat [eiser] een groot aantal registraties op zijn naam heeft staan met betrekking tot vermogensdelicten Derhalve besluit de politie, gelet op het tijdstip van de controle, bij de staandehouding om de buddyseat van de motorscooter te controleren Dit gebeurt met toestemming van [eiser] Hierin trof de politie de volgende zaken aan:
- 3 schroevendraaiers,
- 1 combinatietang,
-1 waterpomptang;
- 1 nijptang,
- 1 zaklamp,
- 1 zogenaamde ‘Hidden Camera Finder’. Deze kastjes worden gebruikt voor het opsporen
van verborgen camera's
Ambtshalve is het bij de politie bekend dat bovenstaande zaken veelvuldig gebruikt worden bij het inbreken in voertuigen en woningen en bekend staan als zogenaamde 'inbrekerswerktuigen’.
Overige relevante informatie
[eiser] heeft op 25 mei 2023 door de burgemeester van Nieuwegein een Last Onder Dwangsom (LOD) opgelegd gekregen voor het aanwezig hebben van inbrekerswerktuigen.
Criminele antecedenten
Uit de politiesystemen blijkt dat [eiser] in de afgelopen vijfjaar in meerdere gemeenten 5 keer een strafbeschikking heeft gekregen terzake het vervoeren danwel voorhanden hebben van inbrekerswerktuigen Daarnaast is [eiser] in de afgelopen 5 jaar 3 keer aangemerkt als verdachte van vermogensdelicten.”
Daarnaast heeft de burgemeester voor de onderbouwing van zijn standpunt ter zitting nog verwezen naar de hoorzitting en het verweerschrift voor de hoorzitting.
8.1.
De rechtbank overweegt allereerst dat de burgemeester een beginselplicht tot handhaving heeft. Deze beginselplicht tot handhaving volgt uit vaste rechtspraak. Deze beginselplicht houdt in dat in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren dit te doen. Ook volgt uit de rechtspraak dat beleid dat inhoudt dat tegen overtredingen die in het handhavingsbeleid een lage prioriteit hebben in het geheel niet handhavend zal worden opgetreden, rechtens niet aanvaardbaar is, omdat daarmee het te handhaven wettelijk voorschrift wordt ondergraven.
Mocht de burgemeester afgaan op het proces-verbaal?
8.2.
De rechtbank overweegt dat de burgemeester volgens vaste rechtspraak in beginsel uit mag gaan van een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal, tenzij er vanwege tegenbewijs van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage. Dat de zus van eiser niet is vermeld in de rapportage, betekent niet dat de overige informatie uit de bestuurlijke rapportage niet zou kloppen. Verder heeft eiser niet gemotiveerd betwist dat de last onder dwangsom in Nieuwegein niet aan hem zou zijn opgelegd. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het aangetroffen gereedschap geen inbrekerswerktuigen betreft, overweegt de rechtbank dat hiervan al snel sprake is. De burgemeester heeft hierbij verwezen naar de uitspraak van 19 augustus 2021 van rechtbank Utrecht. Bij de beoordeling of sprake is van inbrekerswerktuigen is het geheel van de omstandigheden van belang. Gelet op de aard van de aangetroffen gereedschappen, het tijdstip waarop en de plaats waar eiser met deze gereedschappen is aangetroffen, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was inbrekerswerktuigen in de zin van artikel 2.44 van de Apv. De burgemeester heeft daarbij van belang mogen achten dat uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat eiser vermogensdelicten op zijn naam had staan en een last onder dwangsom opgelegd door de burgemeester van Nieuwegein voor het aanwezig hebben van inbrekerswerktuigen. De rechtbank stelt vast dat eiser de punten uit het proces-verbaal weliswaar heeft betwist, maar niet (gemotiveerd) heeft weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester daarmee uit mogen gaan van het proces-verbaal en vast kunnen stellen dat er sprake was van een overtreding van artikel 2.44 van de Apv. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn de aangetroffen werktuigen aan te merken als inbrekerswerktuigen?
9. In het verweerschrift hangende bezwaar en tijdens de hoorzitting is door de burgemeester verwezen naar de uitspraak van 19 augustus 2021 van rechtbank Utrecht. Bij de beoordeling of sprake is van inbrekerswerktuigen is het geheel van de omstandigheden van belang. Gelet op de aard van de aangetroffen gereedschappen, het tijdstip waarop en de plaats waar eiser met deze gereedschappen is aangetroffen, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake was inbrekerswerktuigen in de zin van artikel 2.44 van de Apv. Dit is een afdoende motivering.
Hoogte en duur van de last onder dwangsom
9.1.
Motivering
10. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die zouden moeten leiden tot afzien van handhaving.
Conclusie
11. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat tijdens de zitting en met het verweerschrift de burgemeester alsnog een voldoende motivering heeft gegeven. Daarbij komt dat de informatie al in de bezwaarfase bij eiser bekend was, omdat het tijdens de hoorzitting is besproken. Dat betekent dat de rechtsgevolgen van de last onder dwangsom in stand blijven.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet de burgemeester het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 647,-. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Eiser heeft in bezwaar gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.108,-.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 januari 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester tot betaling van € 3.108,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1982, r.o. 2.2-2.4.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:961.
ECLI:NL:RBMNE:2021:3991.
ECLI:NL:RBMNE:2021:3991.
ECLI:NL:RVS:2022:400