Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2022-06-02
ECLI:NL:RBNHO:2022:6114
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,083 tokens
Inleiding
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/4371
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2022 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. A.T. Leigh),
en
de burgemeester van de gemeente Zandvoort (verweerder)
(gemachtigden: mr. R. Braeken en M. van Schip).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het primaire besluit van verweerder van 7 januari 2021 waarin eiser is gelast om in de gemeente Zandvoort geen verdovende middelen meer te verhandelen of in zijn bezit te hebben, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per dag tot een maximum van € 25.000,-.
Met het bestreden besluit van 12 augustus 2021 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van verweerder.
Beoordeling
Bestuurlijke rapportage
1. Op 9 december 2020 heeft de Politie Noord-Holland, basisteam Kennemer Kust, een bestuurlijke rapportage overgelegd aan verweerder. Uit de bestuurlijke rapportage blijkt dat de politie op 24 november 2020 een voertuig zag rijden over de Zandvoortselaan in Zandvoort. Bij het controleren van het kenteken, kwam naar voren dat het voertuig meerdere malen betrokken is geweest bij verdachte omstandigheden. Het voertuig stopte plotseling ter hoogte van een tankstation, waarna de bestuurder uitstapte. Eiser werd als bijrijder van het voertuig ambtshalve herkend door de politie, omdat hij meerdere malen is aangehouden voor bezit en handel in harddrugs. De politie heeft het voertuig vervolgens gecontroleerd, waarbij drie biljetten van vijftig euro, meerdere attributen voor het roken van hennep zoals flu en tips, een potje gevuld met wit poeder (ambtshalve bekend als cocaïne), een potje met de tekst Ëuropowder Inositol 20 gr en een digitale weegschaal zijn aangetroffen. Hierop zijn eiser en de bestuurder aangehouden en overgebracht naar het politiebureau in Zandvoort. Bij de insluiting zijn zij gefouilleerd. Eiser bleek bij de fouillering in zijn bezit te hebben een plastic zak met 15,7 gram witte brokken cocaïne, meerdere lege smart-seals en twee smartphones. Deze goederen, op de smartphones na, werden aangetroffen in de onderbroek van eiser. Gelet op het voorgaande kan volgens de Politie Noord-Holland geconcludeerd worden dat eiser artikel 2:74 van de Algemene plaatselijke verordening Zandvoort 2017 (APV) heeft overtreden.
2. Verweerder heeft eiser gelast om binnen de gemeente Zandvoort geen verdovende middelen meer te verhandelen of in zijn bezit te hebben. Het gaat om verdovende middelen die volgens de Opiumwet zijn verboden. Als eiser hier niet aan voldoet, dan legt verweerder eiser een dwangsom op. Dit houdt in dat eiser vanaf de datum van het primaire besluit per geconstateerde overtreding aan de gemeente een dwangsom van € 2.500,- per dag moet betalen, tot een maximum van € 25.000,-.
3. Ter zitting heeft verweerder medegedeeld dat eiser reeds een dwangsom heeft verbeurd.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1
Eiser betoogt dat artikel 2:74 van de APV in strijd is met het lex certa-beginsel als bedoeld in artikel 5:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hij voert daartoe aan dat artikel 2:74 van de APV vaag en onbepaald is. Niet duidelijk is wat wordt verstaan onder een “kennelijk doel”. In de APV wordt ook niet toegelicht wat leidt tot het hebben van een “kennelijk doel”. Het gevolg hiervan is dat verweerder zonder concrete onderbouwing en aanwijzingen een last onder dwangsom kan opleggen.
5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 2:74 van de APV duidelijk aangeeft welke gedraging is verboden en dat door de verwijzing naar de Opiumwet duidelijk is om welke verboden middelen het gaat. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wordt een hoeveelheid harddrugs van 0,5 gram of meer beschouwd als een handelshoeveelheid. De enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid harddrugs vormt al voldoende grond voor het opleggen van een last onder dwangsom. Hiermee is dus ook duidelijk wat onder het “kennelijke doel” wordt verstaan. Verder is aangegeven dat de dwangsom € 2.500,- per dag bedraagt, met een maximum van € 25.000,-. Gelet hierop zijn de strafbare feiten en de op te leggen straffen nauwkeurig, duidelijk en ondubbelzinnig geformuleerd.
5.3
Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 2:74 van de APV vanwege de koppeling met artikel 2 en 3 van de Opiumwet in beginsel voldoende duidelijk en objectief. De omschrijving “met het kennelijke doel” zal per geval moeten worden onderbouwd. Dat hiervoor geen nadere regels zijn vastgesteld of een toelichting in de APV is opgenomen, maakt niet dat moet worden geoordeeld dat de bepaling daarom onvoldoende duidelijk of objectief is. Het betoog slaagt niet.
6.1
Eiser betoogt dat geen sprake is van een overtreding van artikel 2:74 van de APV. Hij voert daartoe aan dat in zijn geval niet is komen vast te staan dat sprake was van een “kennelijk doel”. Dat sprake is van handel in verdovende middelen, leidt verweerder voornamelijk af uit de bestuurlijke rapportage. In de bestuurlijke rapportage wordt echter geen onderscheid gemaakt tussen zaken die in de auto zijn aangetroffen en hetgeen bij eiser is aangetroffen. Het feit dat bij eiser twee smartphones en sealbags zijn aangetroffen, zegt niets over de intenties van eiser. Voorts is een beperkte hoeveelheid cocaïne aangetroffen. De wijze waarop de cocaïne was verwerkt (brokvorm) duidt al op de afwezigheid van een intentie tot handelen. De enkele hoeveelheid aanwezige verdovende middelen was voor de strafrechter onvoldoende om eiser te veroordelen wegens handel in verdovende middelen.
6.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de bestuurlijke rapportage onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat de daarin opgenomen feiten niet kloppen. De enkele aanwezigheid van 0,5 gram of meer harddrugs, zijnde een handelshoeveelheid, is al voldoende voor het opleggen van een last onder dwangsom. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst verweerder naar de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738. Bovendien kunnen de overige goederen die bij de aanhouding zijn aangetroffen redelijkerwijs worden gerelateerd aan de handel in verdovende middelen. Gelet hierop zijn er voldoende redenen om vast te stellen dat eiser het kennelijke doel had om te handelen in verdovende middelen en daarmee artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Dat eiser hiervoor niet strafrechtelijk is veroordeeld maakt dat niet anders, aldus verweerder.
6.3
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling met verweerder in beginsel uitgaan van informatie in een bestuurlijke rapportage (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2022:400). Naar het oordeel van de rechtbank wekt hetgeen heeft aangevoerd geen twijfel aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage. Eiser heeft de bevindingen inhoudelijk namelijk niet betwist, maar stelt alleen dat hij niet de intentie tot handelen had. Hoewel de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2018 waar verweerder naar heeft verwezen gaat over een andersoortige zaak, acht de rechtbank het door de Afdeling gehanteerde uitgangspunt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking in dit geval zaak ook van toepassing. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat uit de informatie in de bestuurlijke rapportage volgt dat aannemelijk is dat eiser zich in Zandvoort ophield met het kennelijke doel om drugs te verhandelen. Bovendien wordt artikel 2:74 van de APV reeds overtreden door het ophouden met het kennelijke doel, zonder dat vaststaat dat de betrokkene op dat moment al drugs heeft verhandeld (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:400). Dat eiser strafrechtelijk niet is veroordeeld voor het handelen in verdovende middelen is niet relevant, omdat het strafrechtelijke traject losstaat van het bestuurlijke traject en in het bestuurlijke traject andere normen, doelen en bewijsregels gelden. Het betoog slaagt niet.
7.1
Eiser betoogt dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden. Hij voert daartoe aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de feiten en de belangen die in deze zaak spelen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Excel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
Opiumwet
Artikel 2
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Artikel 3
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
Algemene plaatselijke verordening Zandvoort 2017
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.