Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-04-11
ECLI:NL:RBMNE:2025:2358
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
2,430 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/215
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2025 in de zaak tussen
Dutch Golden Group B.V., uit Nagele, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, het college
(gemachtigde: M.E. Wierstra).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van het college van 20 december 2024. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2024.
Hij heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college op 13 januari 2025 dit besluit heeft ingetrokken.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college niet aan verzoeker tegemoet is gekomen. Aan verzoeker is bij besluit van 20 december 2024 een last onder bestuursdwang opgelegd. Het college heeft het pand van verzoeker aan de Hakstraat 22 te Nagele gesloten totdat de elektriciteit en gas in het pand weer op een veilige manier gebruikt kunnen worden en de voorzieningen voor het overnachten binnen het bedrijf verwijderd zijn.
5. Op 13 januari 2025 heeft het college de last onder bestuursdwang ingetrokken, nadat een installateur heeft geconstateerd dat de herstelpunten zijn hersteld en/of verwijderd en dat de veiligheid in het pand is hersteld. Verzoeker heeft het pand daarna weer in gebruik mogen nemen.
6. Verzoeker heeft dit niet bestreden en de voorzieningenrechter ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening was dus niet de aanleiding om het besluit tot het opleggen van bestuursdwang in te trekken, maar het feit dat verzoeker aan de last had voldaan. Het college is dus niet tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/215
uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 april 2025 in de zaak tussen
Dutch Golden Group B.V., uit Nagele, verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Noordoostpolder, het college
(gemachtigde: M.E. Wierstra).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn verzoek tegen het besluit van het college van 20 december 2024. Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 december 2024.
Hij heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college op 13 januari 2025 dit besluit heeft ingetrokken.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift tegemoet is gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
3. In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, als het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college niet aan verzoeker tegemoet is gekomen. Aan verzoeker is bij besluit van 20 december 2024 een last onder bestuursdwang opgelegd. Het college heeft het pand van verzoeker aan de Hakstraat 22 te Nagele gesloten totdat de elektriciteit en gas in het pand weer op een veilige manier gebruikt kunnen worden en de voorzieningen voor het overnachten binnen het bedrijf verwijderd zijn.
5. Op 13 januari 2025 heeft het college de last onder bestuursdwang ingetrokken, nadat een installateur heeft geconstateerd dat de herstelpunten zijn hersteld en/of verwijderd en dat de veiligheid in het pand is hersteld. Verzoeker heeft het pand daarna weer in gebruik mogen nemen.
6. Verzoeker heeft dit niet bestreden en de voorzieningenrechter ziet geen reden om hieraan te twijfelen. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening was dus niet de aanleiding om het besluit tot het opleggen van bestuursdwang in te trekken, maar het feit dat verzoeker aan de last had voldaan. Het college is dus niet tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.