Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2025-01-16
ECLI:NL:RBMNE:2025:2171
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,222 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4036
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Hillenaar).
Inleiding
1. Eiser woont aan de [adres] in [plaats] . Hij huurt deze woning van woningcorporatie Mitros. Bij besluit van 23 september 2011 is aan Mitros een omgevingsvergunning verleend voor het verwijderen van asbesthoudende materialen en het vervangen en veranderen van gevelkozijn en dakkapellen bij woningen aan de [straat] en aangrenzende straten. De woning van eiser valt ook onder dit renovatieproject.
2. Bij brief van 1 april 2024 is door eiser een handhavingsverzoek ingediend dat verband houdt met voormeld renovatieproject. Eiser heeft op 27 mei 2024 een ingebrekestelling gestuurd aan het college wegens het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek. Vanwege het niet tijdig beslissen op zijn verzoek is vervolgens door hem beroep aangetekend.
3. De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
4. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Overwegingen
6. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat pas op 14 juni 2024 alsnog een besluit is genomen op het handhavingsverzoek van eiser. De eerdere beslissing van het college van 29 mei 2024 is namelijk door het college naar een onjuist adres gestuurd en om die reden niet op de juiste wijze bekendgemaakt.
8. Tussen partijen is wel in geschil of de ingebrekestelling van 27 mei 2024 prematuur was, wat het geval is wanneer een ingebrekestelling wordt verstuurd wanneer de beslistermijn nog niet is verstreken.
9. Omdat er geen wettelijke beslistermijn bestaat voor het beslissen op een verzoek om handhaving hanteert het college de algemene redelijke termijn van 8 weken na ontvangst van het verzoek om te beslissen op een verzoek om handhaving.
10. Uitgaande van deze termijn van 8 weken, welke gaat lopen de dag na ontvangst van het verzoek, liep de beslistermijn nog toen eiser zijn ingebrekestelling stuurde aan het college op 27 mei 2024. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de ingebrekestelling niet als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb kan worden aangemerkt. Om die reden voldoet het beroep niet-tijdig niet aan de wettelijke vereisten uit artikel 6:12 van de Awb.
11. Voorgaande betekent dat het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen door verweerder niet-ontvankelijk is. Er zijn geen dwangsommen verbeurd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug.
12. De rechtbank stelt vast dat eiser bezwaren heeft ingediend tegen het besluit van 14 juni 2024. Verweerder dient deze bezwaren zelf te behandelen in een bezwaarprocedure.
13. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.E.H.G. Visser, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 4:13, lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 februari 2011: ECLI:NL:RVS:2011:BP3711.