Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-12-23
ECLI:NL:RBMNE:2024:7734
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,425 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6042
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 december 2024 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. I. van der Steen),
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, het college
(gemachtigde: L. Buwalda-Alilouch).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 16 augustus 2024. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 augustus 2024, waarbij haar verzoek om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is afgewezen.
2. Verzoekster heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken omdat het college op 2 oktober 2024 dit besluit heeft ingetrokken en in plaats daarvan heeft besloten om verzoekster noodopvang toe te kennen.
3. De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat zij overgaat tot vergoeding van de proceskosten.
4. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
6. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
7. In een procedure over een voorlopige voorziening is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt.
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
8. Het college is op 2 oktober 2024 aan verzoekster tegemoetgekomen door haar alsnog noodopvang toe te kennen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken, is de voorzieningenrechter niet gebleken.
9. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college aan het verzoek van verzoekster is tegemoetgekomen. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
10. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 875,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die het college moet vergoeden € 875,- bedragen.
Conclusie
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- kan vergoeden. Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Dictum
De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 875,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
23 december 2024.
De voorzieningenrechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb.