Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-04-16
ECLI:NL:RBMNE:2024:7721
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,626 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/6019
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. E.D.B. Groeneweg),
en
Het dagelijks bestuur van de RDWI, Regionale Sociale Dienst, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
Bij besluit van 16 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder in het kader van artikel 9 van de Participatiewet (Pw) een plan van aanpak opgesteld, waarin de afspraken in verband met de re-integratie van eiser zijn opgenomen. Afgesproken is onder andere dat eiser het voorschakeltraject arbeidsparticipatie bij BIGA gaat volgen. De duur van het traject is zes maanden. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een medisch advies van MedTadvies van 3 juli 2023. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
Bij besluit van 18 december 2023 heeft verweerder eiser vanwege zijn medische situatie tot 5 december 2024 vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op een medisch advies van Calder Werkt van 5 december 2023.
De rechtbank heeft het beroep op 10 april 2024 op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling
6. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van 18 december 2023 als een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet worden aangemerkt. Zoals in dat besluit staat vermeld zijn de aan eiser opgelegde arbeidsverplichtingen gewijzigd naar aanleiding van het medisch advies van [bedrijf] . Verder heeft het besluit van 18 december 2023 deels op dezelfde periode betrekking als de periode waar het primaire besluit op ziet.
7. Eiser heeft op 26 januari 2024 tegen het besluit van 18 december 2023 bezwaar gemaakt. Daaruit leidt de rechtbank af dat eiser het niet eens is met dit besluit. Het beroep is daarom nu ook gericht tegen het besluit van 18 december 2023. De gronden van het bezwaar merkt de rechtbank aan als gronden van het beroep tegen het besluit van 18 december 2023.
8. Niet is gesteld of gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep, voor zover dat is gericht tegen het bestreden besluit. Voor zover eiser van mening is dat er nog procesbelang is in verband met de weigering in dat besluit om de kosten van het bezwaar te vergoeden faalt dat betoog. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 2 april 2024, anders dan voorheen, in rechtsoverweging 4.6 geoordeeld dat het enkele niet toekennen van een gevraagde vergoeding van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert.
9. Uit de gronden van beroep van 26 januari 2024 leidt de rechtbank af dat eiser het niet eens is met de in het besluit van 18 december 2023 genoemde einddatum van 5 december 2024. Volgens eiser is die datum willekeurig.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. In artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel ontheffing arbeidsplicht RDWI 2021 (de Beleidsregel) staat dat een tijdelijke ontheffing voor de duur van maximaal twaalf maanden wordt verleend. Het rapport van [bedrijf] , op basis waarvan verweerder concludeert dat er wegens medische redenen aanleiding is eiser tijdelijk te ontheffen van de arbeidsverplichting, dateert van 5 december 2023. Daarom heeft verweerder niet ten onrechte de tijdelijke vrijstelling verleend tot 5 december 2024. Dat sprake is van een bijzonder geval om op grond van artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregel af te wijken is niet gesteld of gebleken.
11. Wat eiser verder nog heeft aangevoerd in de gronden van beroep van 26 januari 2024 ziet op het bestreden besluit. Omdat het beroep daartegen niet ontvankelijk is, laat de rechtbank dit verder onbesproken.
Conclusie
12. Het beroep tegen het bestreden besluit is niet ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 18 december 2023 is ongegrond. Verweerder heeft na het instellen van het beroep het primaire besluit, dat bij het bestreden besluit is gehandhaafd, gewijzigd (zie r.o. 6). De rechtbank ziet daarom aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Toegekend wordt € 875,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 50,- vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het besluit van 18 december 2023 ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 875,-;
bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J.J.M. Kock, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:CRVB:2024:635