Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland
2025-05-22
ECLI:NL:RBNHO:2025:6928
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,636 tokens
Inleiding
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/4886
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen
[eiser]
, wonende te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: A. van Velsen),
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Bij beschikking heeft verweerder aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2022 toegekend.
Verweerder heeft bij beslissing op bezwaar het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.
Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken en een verweerschrift ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025 te Haarlem. De zaak is tegelijk behandeld met het ter zitting ingetrokken beroep met zaaknummer HAA 24/5261. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] .
Overwegingen
Feiten
Voorschotbeschikking
1. Bij beschikking met dagtekening 28 december 2021 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2022 toegekend van € 2.645. Bij het vaststellen van het voorschot is verweerder uitgegaan van een geschat inkomen van € 22.545, een rekenhuur van € 467,61 en van een meerpersoonshuishouden gedurende het hele jaar 2022. Uit de specificatie volgt dat de huurtoeslag is berekend op € 220 per maand.
2. Op 6 mei 2022 heeft verweerder een melding ontvangen vanuit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) dat de kinderen van eiser per 2 maart 2022 zijn verhuisd naar [land] .
3. Bij beschikking met dagtekening 23 juni 2022 is het voorschot huurtoeslag herzien en bepaald op € 1.428. Bij het vaststellen van het herziene voorschot huurtoeslag is verweerder uitgegaan van een geschat inkomen van € 22.545, een rekenhuur van € 467,61, een meerpersoonshuishouden tot en met 31 maart 2022 en een eenpersoonshuishouden vanaf 1 april 2022. Uit de specificatie van de huurtoeslag volgt dat de huurtoeslag in de maanden januari tot en met maart € 220 per maand bedroeg en in de maanden april tot en met december € 85 per maand.
4. Eiser heeft met dagtekening 4 augustus 2022 een bezwaarschrift ingediend gericht tegen de voorschotbeschikking huurtoeslag, dat door verweerder op 5 augustus 2022 is ontvangen.
5. Eveneens op 4 augustus 2022 heeft verweerder een elektronisch systeembericht ontvangen dat eiser het inkomensgegeven voor het jaar 2022 heeft gewijzigd naar € 17.000.
6. Bij beschikking met dagtekening 22 september 2022 is het voorschot huurtoeslag herzien en bepaald op € 2.654. Bij het vaststellen van het herziene voorschot is verweerder uitgegaan van een geschat inkomen van € 17.000, een rekenhuur van € 467,61, een meerpersoonshuishouden tot en met 31 maart 2022 en een eenpersoonshuishouden vanaf 1 april 2022. Uit de specificatie van de huurtoeslag volgt dat de huurtoeslag in de maanden januari tot en met december van het jaar 2022 € 221 per maand bedroeg.
7. Bij beslissing op bezwaar van 30 mei 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voorschotbeschikking huurtoeslag ongegrond verklaard.
Definitieve beschikking
8. De huurtoeslag voor het jaar 2022 is ten tijde van de zitting bij de rechtbank nog niet definitief berekend.
Geschil
9. In geschil is de hoogte van het toegekende voorschot huurtoeslag voor het jaar 2022.
10. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte op het bezwaar heeft beslist zonder eerst eiser te horen en inzage in het dossier te verschaffen, terwijl eiser daar wel om heeft verzocht. Voor de overige beroepsgronden verwijst eiser naar wat hij in de bezwaarfase heeft aangevoerd. Eiser verzoekt de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren, de beslissing op bezwaar te vernietigen en de zaak terug te wijzen naar verweerder om opnieuw op het bezwaar te beslissen.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat bij de berekening van de huurtoeslag voor het jaar 2022 de juiste inkomensgegevens zijn gebruikt en dat terecht is uitgegaan van de gegevens uit de BRP, zodat eisers kinderen per 1 april 2022 niet meer zijn meegenomen in de berekening. Verder stelt verweerder dat de beslissing op bezwaar niet prematuur is genomen en dat de hoorplicht niet is geschonden. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Overwegingen
Beroep op betalingsonmacht griffierecht
12. Eiser heeft de rechtbank in deze zaak gevraagd om ontheffing van betaling van griffierecht in verband met betalingsonmacht. Naar aanleiding van de door eiser op verzoek van de rechtbank verstrekte informatie heeft de griffier van de rechtbank eiser meegedeeld voorlopig van mening te zijn dat eiser niet voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht en dat de rechter die het beroep behandelt definitief zal beslissen of eiser in staat is het griffierecht te betalen. Eiser heeft vervolgens het voor de onderhavige zaak verschuldigde griffierecht voldaan. Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard zijn verzoek om ontheffing van betaling van griffierecht in verband met betalingsonmacht te handhaven. De rechtbank dient daarom vast te stellen of het voorlopig oordeel van de griffier moet worden bevestigd.
13. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of een beroep op betalingsonmacht slaagt, is of het netto-inkomen waarover de rechthebbende maandelijks kan beschikken minder bedraagt dan 95 percent van de voor een alleenstaande geldende (maximale) bijstandsnorm, en voorts of hij of zij niet beschikt over vermogen waaruit het verschuldigde griffierecht kan worden betaald.
14. De periode die van belang is voor de beoordeling van het onderhavige beroep op betalingsonmacht (beoordelingsperiode), loopt vanaf de datum dat de griffier eiser voor de eerste maal op de verschuldigdheid van griffierecht heeft gewezen tot en met de datum waarop het griffierecht voorafgaand aan de zitting uiterlijk op de rekening van de rechtbank moest zijn bijgeschreven of ter griffie zijn gestort. De termijn gerekend vanaf de aan eiser toegestuurde griffienota en eventuele herinnering is daarbij leidend. In deze zaak is de eerste nota griffierecht gedateerd 18 augustus 2023 en de aangetekende herinnering 16 september 2023, en had de betaling uiterlijk vier weken na de betreffende datum binnen moeten zijn dus uiterlijk op 14 oktober 2023. Vanaf 1 juli 2023 tot 1 januari 2024 bedroeg de maximale bijstandsnorm voor een alleenstaande € 1.216,62 per maand, zodat het drempelbedrag € 1.155,78 bedraagt.
15. Ter onderbouwing van zijn beroep op betalingsonmacht heeft eiser één salarisstrook overgelegd van [bedrijf 1] CV (hierna: [bedrijf 1] ). De overgelegde salarisstrook heeft betrekking op de periode 14 augustus 2023 tot en met 10 september 2023. Hierin staat een nettoloon van € 794,48 vermeld.
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser zijn beroep op betalingsonmacht onvoldoende onderbouwd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de door eiser overgelegde salarisstrook maakt de rechtbank op dat eiser in de betreffende periodes van vier weken waarop de salarisstrook betrekking heeft telkens in totaal 40 uur heeft gewerkt voor [bedrijf 1] , verdeeld over 20 werkdagen, hetgeen neerkomt op 2 uur per werkdag. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat eiser naast zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] ook nog werkzaamheden verricht via zijn eenmanszaak [bedrijf 2] . De enkele niet nader onderbouwde stelling is onvoldoende om aan te nemen dat eiser geen dan wel onvoldoende inkomsten genoot om boven de inkomensgrens te komen. Nu eiser verder geen inzicht heeft verschaft in de inkomsten van [bedrijf 2] , ziet de rechtbank geen aanleiding om het verzoek van eiser om ontheffing van betaling van griffierecht in verband met betalingsonmacht alsnog toe te wijzen. Gelet op het voorgaande wijst de rechtbank eisers beroep op betalingsonmacht af. Eiser is daarom voor deze zaak griffierecht verschuldigd.
Procesbelang
17. De rechtbank ziet zich vervolgens (ambtshalve) voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
18. Procesbelang is het belang dat een partij heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat zou krijgen (zie bijv. ABRvS 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:291). Daarbij gaat het erom of het doel dat de partij voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor die partij van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft de partij die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie CRvB 8 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1529 en CRvB 18 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1432).
19. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De rechtbank stelt vast dat aan eiser bij de herziene voorschotbeschikking van 22 september 2022 het maximumbedrag aan huurtoeslag is toegekend op basis van het toetsingsinkomen en de huursom. Uit de specificaties bij de voorschotbeschikkingen huurtoeslag leidt de rechtbank af dat bij een geschat inkomen van € 17.000 en een rekenhuur van € 467,61 het niet uitmaakt of de kinderen van eiser al dan niet als medebewoners zijn aangemerkt. Met de beschikking van 22 september 2022 is met andere woorden het belang bij de beoordeling van de beschikking van 23 juni 2022 komen te vervallen. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel hoeft te geven over de vraag of de kinderen van eiser al dan niet terecht in de maanden april tot en met december 2022 niet als medebewoners zijn aangemerkt en evenmin een oordeel hoeft te geven over de door eiser aangevoerde procedurele grieven, omdat eiser geen (proces)belang meer heeft bij een oordeel daarover (vgl. de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323).
20. In de onder 19. genoemde uitspraak heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in rechtsoverweging 11.2 het volgende overwogen:
“11.2 De Afdeling overweegt dat het niet inwilligen van een verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar tot nu toe een zelfstandig procesbelang oplevert.
De Centrale Raad van Beroep heeft in twee uitspraken van 2 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:635 en ECLI:NL:CRVB:2024:636) overwogen dat voortaan uitgangspunt is dat het enkele niet vergoeden van bezwaarkosten niet langer een zelfstandig procesbelang oplevert. Wel geldt hierop de volgende uitzondering. Mede in verband met het ontbreken van een bepaling als artikel 8:75a van de Awb voor de bezwaarfase, moet nog steeds procesbelang aanwezig worden geacht als het betrokken bestuursorgaan zijn besluit in bezwaar heeft herroepen zonder daarbij een vergoeding van bezwaarkosten toe te kennen terwijl daar wel om was gevraagd, of als de hoogte van een toegekende vergoeding van bezwaarkosten in geschil is. De rechterlijke beoordeling blijft dan in beginsel beperkt tot de gegeven beslissing over de bezwaarkosten als zodanig.
In het kader van de rechtseenheid sluit de Afdeling zich hierbij aan. De Afdeling hanteert voortaan ook dit uitgangspunt en de uitzondering daarop.”
De situatie waarvoor de uitzondering geldt, doet zich naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser niet voor. De hogere toekenning van het voorschot van 22 september 2022 vloeide immers niet voort uit het door eiser gemaakte bezwaar, maar uitsluitend uit de door eiser zelf op 4 augustus 2022 doorgegeven lagere schatting van zijn inkomen.
Conclusie
21. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
Verzoek vergoeding van immateriële schade
22. Eiser heeft een verzoek tot vergoeding van immateriële schade gedaan wegens overschrijding van de redelijke termijn. Vaststaat dat de redelijke termijn is overschreden op het moment van het doen van uitspraak door deze rechtbank. Desalniettemin bestaat geen aanleiding om uit te gaan van de veronderstelling dat de lange duur van de procedure spanning en frustratie bij eiser heeft veroorzaakt omdat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 19. is overwogen, er geen sprake is van een financieel belang bij deze procedure (vgl. ABRvS 26 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7604). De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en zal het verzoek om vergoeding van immateriële schade afwijzen.
Proceskosten
23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is per post aan partijen verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.