Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-11-28
ECLI:NL:RBMNE:2024:6609
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
7,780 tokens
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/582306 / KG ZA 24-506
Vonnis in kort geding van 28 november 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. K.M.G. Verkleij,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H. Giard.
1Het verloop van de procedure
1.1.
[eiseres] heeft op 30 oktober 2024 een dagvaarding met 14 producties uitgebracht en [gedaagde] opgeroepen om te verschijnen in kort geding. Voorafgaande aan de mondeling behandeling heeft [gedaagde] 7 producties toegestuurd.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 14 november 2024. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eiseres] aanwezig mevrouw [A] , bestuurder bij [eiseres] , mevrouw [B] , manager zorg bij [eiseres] en mevrouw [C] , teammanager bij [eiseres] , bijgestaan door mr. Verkleij. [gedaagde] was samen met mr. Giard eveneens bij de mondelinge behandeling aanwezig. Door en namens beide partijen zijn, mede aan de hand van pleitaantekeningen, de standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna volgt dit vonnis.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] is een zorginstelling met als doel het bieden van specialistische jeugdhulp aan 0 tot 23 jarigen. Op basis van een door het buurtteam namens de gemeente [gemeente] afgegeven beschikking verblijft [gedaagde] sinds 16 november 2021 bij [eiseres] . [eiseres] heeft in dat verband een woning aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: de Woning) ter beschikking gesteld. [gedaagde] nam deel aan het zogenaamde [.] -traject, waarin de zorg door [eiseres] aan [gedaagde] wordt verleend. Volgens [eiseres] is in het afgelopen jaar gebleken dat het [.] -traject voor [gedaagde] niet (meer) geschikt is. [eiseres] heeft in dit verband onder meer naar voren gebracht dat [gedaagde] afspraken niet nakomt en geen gebruik meer maakt van de aangeboden begeleiding. Na tussentijdse verlenging en in overleg met alle betrokken instanties, is de beschikking op 15 mei 2024 geëindigd. [eiseres] stelt dat daarmee het recht van [gedaagde] is vervallen om zorg te ontvangen en in de Woning te blijven.
2.2.
Gezien het voorgaande en gelet op het feit dat [gedaagde] de Woning niet heeft verlaten vordert [eiseres] – samengevat – [gedaagde] te veroordelen om de Woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, met machtiging van [eiseres] om de ontruiming zo nodig zelf door middel van een deurwaarder te doen uitvoeren, met compensatie van de proces- en nakosten.
2.3.
[gedaagde] stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat [eiseres] niet handelt volgens de op haar rustende zorgplicht en verantwoordelijkheid. Volgens [gedaagde] zijn er geen valide redenen om de zorgverlening aan haar te beëindigen. Zij concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
Beoordeling
Spoedeisend belang
3.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen van [eiseres] in kort geding alleen toewijsbaar zijn indien in hoge mate aannemelijk is dat ook de bodemrechter tot toewijzing van de vordering zal komen. Daarnaast dient [eiseres] ook voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen te hebben. [gedaagde] heeft het spoedeisende karakter van de vorderingen van [eiseres] betwist.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] de Woning momenteel zonder recht of titel gebruikt. De Woning maakt deel uit van een beperkte hoeveelheid woonvoorzieningen die beschikbaar zijn voor het [.] -traject waarin jongeren woonbegeleiding krijgen. Mede gelet op de schaarste aan dit soort type voorzieningen leidt het beëindigen van de door [eiseres] gestelde onrechtmatige bewoning door [gedaagde] tot een voldoende spoedeisend belang.
Kwalificatie van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde]
3.3.
Om de vraag te kunnen beantwoorden of [gedaagde] in de Woning mag blijven dient eerst te worden ingegaan op de kwalificatie van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] . De plaatsing van [gedaagde] bij [eiseres] wordt als jeugdhulp op grond van de Jeugdwet bekostigd waarvoor, zoals hiervoor beschreven, door het buurtteam namens de gemeente [gemeente] een beschikking is afgegeven. [gedaagde] is [eiseres] voor het verblijf in de Woning dus geen financiële vergoeding verschuldigd. De Woning is aan [gedaagde] alleen in gebruik gegeven in verband met de zorg en begeleiding binnen het [.] -traject. Gezien de voorgaande omstandigheden is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter tussen partijen sprake van een zorgovereenkomst nu het zorgelement in de tussen partijen bestaande relatie overheerst. Dat brengt met zich dat [eiseres] als zorgaanbieder met betrekking tot de Woning andere verplichtingen heeft jegens [gedaagde] , dan in de verhouding verhuurder en huurder het geval zou zijn.
3.4.
Uit de door [eiseres] geschetste feiten en omstandigheden en de door haar overgelegde correspondentie blijkt voorts voldoende dat het begeleidingsprogramma bestaande uit het [.] -traject niet (meer) passend is voor [gedaagde] . [eiseres] heeft toegelicht dat [gedaagde] kampt met forse psychische problematiek, zoals een eet- en slaapstoornis, depressie en suïcidale gedachten. In het verleden heeft zij ook PTSS gehad. Door [eiseres] is verder toegelicht dat het [.] -traject uitsluitend is gericht op het helpen van jongeren naar zelfstandigheid. Dit ziet puur op de ontwikkeling van praktische vaardigheden. Het [.] -traject ziet nadrukkelijk dus niet op het leveren van psychologische zorg. [eiseres] heeft uitgelegd dat de begeleiders van het [.] -traject daarin ook niet zijn gespecialiseerd. Zij heeft daarom geadviseerd om [gedaagde] aan te melden voor een beschermd wonen voorziening op de grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). [eiseres] heeft toegelicht dat beschermd wonen [gedaagde] stabiliteit in een woonplek biedt waarbij specialistische hulp vanuit de GGZ kan worden ingeschakeld. Vanwege het ontbreken van de doelmatigheid van de huidige hulp is de beschikking niet verlengd en uiteindelijk op 15 mei 2024 geëindigd.
Ontruiming van de Woning
3.5.
Vaststaat dat er tussen partijen sprake is van een zorgovereenkomst en de onderliggende beschikking niet is verlengd. De vervolgvraag die in dit kort geding vervolgens moet worden beantwoord is of [gedaagde] het recht heeft om in de Woning te blijven. De voorzieningenrechter overweegt dat met het aflopen van de beschikking op
15 mei 2024 de grond waarop [gedaagde] zorg van [eiseres] in het [.] -traject ontvangt is komen te vervallen. Daarmee is de zorgovereenkomst tussen partijen dus beëindigd. Het aflopen van de beschikking heeft tot gevolg dat [eiseres] geen financiering vanuit de gemeente meer krijgt en de vergoeding voor de zorg en het verblijf van [gedaagde] is stopgezet. Omdat het verblijf van [gedaagde] , zoals ook onder 3.3 aan de orde is gekomen, onlosmakelijk is verbonden met de zorg die [gedaagde] van [eiseres] in het [.] -traject ontvangt, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook dit verblijf te eindigen. Met andere woorden: met het aflopen van de beschikking heeft [gedaagde] geen recht meer om in de Woning te blijven wonen. De voorzieningenrechter weegt daarbij zwaar mee dat het besluit om de beschikking niet te verlengen en de daarmee samenhangende beëindiging van de zorgovereenkomst zorgvuldig is genomen. De voorzieningenrecht licht dat als volgt toe.
3.6.
Uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie blijkt voldoende dat de door [eiseres] geboden zorg via het [.] -traject niet toereikend is, [gedaagde] geen gebruik meer maakt van de aangeboden zorg en afspraken niet nakomt. Uit de door [gedaagde] als productie 1 overgelegde situatieschets volgt bovendien dat dat zij erkent dat de zorg die zij nodig heeft de praktische hulp voorbij gaat. [gedaagde] schrijft onder meer: “Het is al enige tijd duidelijk dat ik meer begeleiding nodig heb in het wonen wat voorbij praktische hulp gaat.” Uit diezelfde situatieschets volgt ook dat [gedaagde] [eiseres] wantrouwt. Dit wantrouwen zorgt ervoor dat [gedaagde] andere hulpverleners, zoals onder andere het buurtteam, geen toestemming verleent om contact te hebben met [eiseres] . De begeleiding binnen het [.] -traject is daardoor niet alleen ontoereikend, maar voor [eiseres] ook onmogelijk geworden. Dat de manier van zorgverlening niet adequaat is voor [gedaagde] wordt bovendien onderschreven door andere deskundigen, nu de beslissing om de beschikking niet te verlengen is genomen in samenspraak met de andere betrokken zorginstanties zoals het buurtteam en [instelling 1] .
3.7.
Uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie blijkt voorts dat [gedaagde] – met hulp van [eiseres] en de andere instanties – al gedurende lange tijd op zoek zou gaan naar een vervolgplek, maar dat vervolgens niet doet. In diverse gesprekken en correspondentie met [gedaagde] heeft [eiseres] [gedaagde] gewaarschuwd dat de zorg en het verblijf bij [eiseres] zou eindigen na het aflopen van de beschikking. Zij heeft getracht om [gedaagde] te activeren onder begeleiding van medewerkers van het [.] -traject op zoek te gaan naar een passende vervolgplek maar dit heeft tot niets geleid. [eiseres] heeft zich ook zelf ingezet om een vervolgplek te vinden voor [gedaagde] en deze gevonden bij zorginstelling [instelling 2] in de vorm van een beschermd wonen voorziening. Dit lijkt een zeer geschikte plek voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze plek echter zelf afgewezen, waardoor deze naar een ander is gegaan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze vervolgplek bij [instelling 2] voor haar te snel kwam en dat zij daarop niet was voorbereid. Op zich is – zeker gelet op de problematiek van [gedaagde] – voorstelbaar dat die voorgestelde verhuizing [gedaagde] zwaar viel. Daar staat echter wel tegenover dat het [gedaagde] , gelet op het hele traject, bekend was dat zij niet langer kon blijven en [eiseres] ook herhaaldelijk hulp heeft aangeboden bij de praktische zaken rondom de verhuizing en [gedaagde] de tijd bood. De beschikking is bovendien juist verlengd met als doel een passende vervolgplek voor [gedaagde] te vinden. Hoe lastig een verhuizing voor [gedaagde] gezien haar psychische problematiek ook is, [eiseres] heeft hierin wel zorgvuldig gehandeld en daarmee aan haar zorgplicht voldaan. [gedaagde] had, op enig moment, zelf met de aangeboden hulp moeten meewerken aan het vinden (en accepteren) van een andere woonplek.
Conclusie
3.12.
Hetgeen in dit vonnis is overwogen leidt tot de conclusie dat [gedaagde] momenteel zonder recht of titel in de Woning verblijft. Daarmee is voldoende aannemelijk dat ook de bodemrechter de ontruimingsvordering van [eiseres] zal toewijzen. Een belangenafweging maakt dat gezien de hiervoor beschreven omstandigheden niet anders. Nu is voldaan aan het criterium onder 3.1 zal de vordering tot ontruiming van de Woning worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] erkend dat het lastig is in te schatten wanneer een andere, passende vervolgplek voor [gedaagde] beschikbaar komt omdat dit van veel factoren afhankelijk is. Bovendien vindt eind november tussen [gedaagde] en [instelling 2] een herstelgesprek plaats waaruit wellicht meer duidelijkheid volgt over (alsnog) een eventuele vervolgplek bij [instelling 2] . Om die redenen wordt de termijn voor ontruiming bepaald op één maand na betekening van dit vonnis, waarbij [eiseres] , indien [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder kan bewerkstelligen.
Proceskosten
3.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [gedaagde] voorgesteld om haar niet in de proceskosten te veroordelen wanneer de vorderingen van [eiseres] worden toegewezen. Zij voert daartoe aan dat dit voor meer stress en psychische druk zorgt omdat [gedaagde] niet over voldoende financiële middelen beschikt. [eiseres] wil hierin niet meegaan en heeft in dat verband aangevoerd dat deze procedure met zorggeld is gefinancierd. Geld dat zij aan zorg had kunnen besteden indien [gedaagde] vrijwillig de Woning had verlaten. Zij handhaaft daarom de vordering ten aanzien van de proceskosten.
Gelet op het voorgaande en het feit de vordering van [eiseres] wordt toegewezen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van de hoofdregel af te wijken en zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 136,72
- griffierecht € 87,00
- salaris advocaat € 1.107,00
Totaal € 1.330,72
3.14.
[eiseres] vordert ook betaling van de nakosten. Nakosten zijn de kosten die worden gemaakt om de partij die in het ongelijk is gesteld te bewegen aan het vonnis te voldoen. De nakosten zullen als onweersproken op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om de Woning aan de [adres] in [plaats 2] binnen één maand na de betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en de Woning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. in samenhang met artikel 444 Rv bepaalde;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.330,72;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 173,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen met € 90,00, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
type: BEv / 4998
coll:
Inleiding
RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/582306 / KG ZA 24-506
Vonnis in kort geding van 28 november 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. K.M.G. Verkleij,
tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H. Giard.
1Het verloop van de procedure
1.1.
[eiseres] heeft op 30 oktober 2024 een dagvaarding met 14 producties uitgebracht en [gedaagde] opgeroepen om te verschijnen in kort geding. Voorafgaande aan de mondeling behandeling heeft [gedaagde] 7 producties toegestuurd.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 14 november 2024. Bij de mondelinge behandeling waren namens [eiseres] aanwezig mevrouw [A] , bestuurder bij [eiseres] , mevrouw [B] , manager zorg bij [eiseres] en mevrouw [C] , teammanager bij [eiseres] , bijgestaan door mr. Verkleij. [gedaagde] was samen met mr. Giard eveneens bij de mondelinge behandeling aanwezig. Door en namens beide partijen zijn, mede aan de hand van pleitaantekeningen, de standpunten verder toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de voorzieningenrechter. Van de mondelinge behandeling heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3.
Daarna volgt dit vonnis.
2Waar gaat deze zaak over?
2.1.
[eiseres] is een zorginstelling met als doel het bieden van specialistische jeugdhulp aan 0 tot 23 jarigen. Op basis van een door het buurtteam namens de gemeente [gemeente] afgegeven beschikking verblijft [gedaagde] sinds 16 november 2021 bij [eiseres] . [eiseres] heeft in dat verband een woning aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: de Woning) ter beschikking gesteld. [gedaagde] nam deel aan het zogenaamde [.] -traject, waarin de zorg door [eiseres] aan [gedaagde] wordt verleend. Volgens [eiseres] is in het afgelopen jaar gebleken dat het [.] -traject voor [gedaagde] niet (meer) geschikt is. [eiseres] heeft in dit verband onder meer naar voren gebracht dat [gedaagde] afspraken niet nakomt en geen gebruik meer maakt van de aangeboden begeleiding. Na tussentijdse verlenging en in overleg met alle betrokken instanties, is de beschikking op 15 mei 2024 geëindigd. [eiseres] stelt dat daarmee het recht van [gedaagde] is vervallen om zorg te ontvangen en in de Woning te blijven.
2.2.
Gezien het voorgaande en gelet op het feit dat [gedaagde] de Woning niet heeft verlaten vordert [eiseres] – samengevat – [gedaagde] te veroordelen om de Woning binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten, met machtiging van [eiseres] om de ontruiming zo nodig zelf door middel van een deurwaarder te doen uitvoeren, met compensatie van de proces- en nakosten.
2.3.
[gedaagde] stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat [eiseres] niet handelt volgens de op haar rustende zorgplicht en verantwoordelijkheid. Volgens [gedaagde] zijn er geen valide redenen om de zorgverlening aan haar te beëindigen. Zij concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] .
Beoordeling
Spoedeisend belang
3.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de vorderingen van [eiseres] in kort geding alleen toewijsbaar zijn indien in hoge mate aannemelijk is dat ook de bodemrechter tot toewijzing van de vordering zal komen. Daarnaast dient [eiseres] ook voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorzieningen te hebben. [gedaagde] heeft het spoedeisende karakter van de vorderingen van [eiseres] betwist.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak. [eiseres] heeft aangevoerd dat [gedaagde] de Woning momenteel zonder recht of titel gebruikt. De Woning maakt deel uit van een beperkte hoeveelheid woonvoorzieningen die beschikbaar zijn voor het [.] -traject waarin jongeren woonbegeleiding krijgen. Mede gelet op de schaarste aan dit soort type voorzieningen leidt het beëindigen van de door [eiseres] gestelde onrechtmatige bewoning door [gedaagde] tot een voldoende spoedeisend belang.
Kwalificatie van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde]
3.3.
Om de vraag te kunnen beantwoorden of [gedaagde] in de Woning mag blijven dient eerst te worden ingegaan op de kwalificatie van de overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] . De plaatsing van [gedaagde] bij [eiseres] wordt als jeugdhulp op grond van de Jeugdwet bekostigd waarvoor, zoals hiervoor beschreven, door het buurtteam namens de gemeente [gemeente] een beschikking is afgegeven. [gedaagde] is [eiseres] voor het verblijf in de Woning dus geen financiële vergoeding verschuldigd. De Woning is aan [gedaagde] alleen in gebruik gegeven in verband met de zorg en begeleiding binnen het [.] -traject. Gezien de voorgaande omstandigheden is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter tussen partijen sprake van een zorgovereenkomst nu het zorgelement in de tussen partijen bestaande relatie overheerst. Dat brengt met zich dat [eiseres] als zorgaanbieder met betrekking tot de Woning andere verplichtingen heeft jegens [gedaagde] , dan in de verhouding verhuurder en huurder het geval zou zijn.
3.4.
Uit de door [eiseres] geschetste feiten en omstandigheden en de door haar overgelegde correspondentie blijkt voorts voldoende dat het begeleidingsprogramma bestaande uit het [.] -traject niet (meer) passend is voor [gedaagde] . [eiseres] heeft toegelicht dat [gedaagde] kampt met forse psychische problematiek, zoals een eet- en slaapstoornis, depressie en suïcidale gedachten. In het verleden heeft zij ook PTSS gehad. Door [eiseres] is verder toegelicht dat het [.] -traject uitsluitend is gericht op het helpen van jongeren naar zelfstandigheid. Dit ziet puur op de ontwikkeling van praktische vaardigheden. Het [.] -traject ziet nadrukkelijk dus niet op het leveren van psychologische zorg. [eiseres] heeft uitgelegd dat de begeleiders van het [.] -traject daarin ook niet zijn gespecialiseerd. Zij heeft daarom geadviseerd om [gedaagde] aan te melden voor een beschermd wonen voorziening op de grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). [eiseres] heeft toegelicht dat beschermd wonen [gedaagde] stabiliteit in een woonplek biedt waarbij specialistische hulp vanuit de GGZ kan worden ingeschakeld. Vanwege het ontbreken van de doelmatigheid van de huidige hulp is de beschikking niet verlengd en uiteindelijk op 15 mei 2024 geëindigd.
Ontruiming van de Woning
3.5.
Vaststaat dat er tussen partijen sprake is van een zorgovereenkomst en de onderliggende beschikking niet is verlengd. De vervolgvraag die in dit kort geding vervolgens moet worden beantwoord is of [gedaagde] het recht heeft om in de Woning te blijven. De voorzieningenrechter overweegt dat met het aflopen van de beschikking op
15 mei 2024 de grond waarop [gedaagde] zorg van [eiseres] in het [.] -traject ontvangt is komen te vervallen. Daarmee is de zorgovereenkomst tussen partijen dus beëindigd. Het aflopen van de beschikking heeft tot gevolg dat [eiseres] geen financiering vanuit de gemeente meer krijgt en de vergoeding voor de zorg en het verblijf van [gedaagde] is stopgezet. Omdat het verblijf van [gedaagde] , zoals ook onder 3.3 aan de orde is gekomen, onlosmakelijk is verbonden met de zorg die [gedaagde] van [eiseres] in het [.] -traject ontvangt, dient naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook dit verblijf te eindigen. Met andere woorden: met het aflopen van de beschikking heeft [gedaagde] geen recht meer om in de Woning te blijven wonen. De voorzieningenrechter weegt daarbij zwaar mee dat het besluit om de beschikking niet te verlengen en de daarmee samenhangende beëindiging van de zorgovereenkomst zorgvuldig is genomen. De voorzieningenrecht licht dat als volgt toe.
3.6.
Uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie blijkt voldoende dat de door [eiseres] geboden zorg via het [.] -traject niet toereikend is, [gedaagde] geen gebruik meer maakt van de aangeboden zorg en afspraken niet nakomt. Uit de door [gedaagde] als productie 1 overgelegde situatieschets volgt bovendien dat dat zij erkent dat de zorg die zij nodig heeft de praktische hulp voorbij gaat. [gedaagde] schrijft onder meer: “Het is al enige tijd duidelijk dat ik meer begeleiding nodig heb in het wonen wat voorbij praktische hulp gaat.” Uit diezelfde situatieschets volgt ook dat [gedaagde] [eiseres] wantrouwt. Dit wantrouwen zorgt ervoor dat [gedaagde] andere hulpverleners, zoals onder andere het buurtteam, geen toestemming verleent om contact te hebben met [eiseres] . De begeleiding binnen het [.] -traject is daardoor niet alleen ontoereikend, maar voor [eiseres] ook onmogelijk geworden. Dat de manier van zorgverlening niet adequaat is voor [gedaagde] wordt bovendien onderschreven door andere deskundigen, nu de beslissing om de beschikking niet te verlengen is genomen in samenspraak met de andere betrokken zorginstanties zoals het buurtteam en [instelling 1] .
3.7.
Uit de door [eiseres] overgelegde correspondentie blijkt voorts dat [gedaagde] – met hulp van [eiseres] en de andere instanties – al gedurende lange tijd op zoek zou gaan naar een vervolgplek, maar dat vervolgens niet doet. In diverse gesprekken en correspondentie met [gedaagde] heeft [eiseres] [gedaagde] gewaarschuwd dat de zorg en het verblijf bij [eiseres] zou eindigen na het aflopen van de beschikking. Zij heeft getracht om [gedaagde] te activeren onder begeleiding van medewerkers van het [.] -traject op zoek te gaan naar een passende vervolgplek maar dit heeft tot niets geleid. [eiseres] heeft zich ook zelf ingezet om een vervolgplek te vinden voor [gedaagde] en deze gevonden bij zorginstelling [instelling 2] in de vorm van een beschermd wonen voorziening. Dit lijkt een zeer geschikte plek voor [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze plek echter zelf afgewezen, waardoor deze naar een ander is gegaan. [gedaagde] heeft aangevoerd dat deze vervolgplek bij [instelling 2] voor haar te snel kwam en dat zij daarop niet was voorbereid. Op zich is – zeker gelet op de problematiek van [gedaagde] – voorstelbaar dat die voorgestelde verhuizing [gedaagde] zwaar viel. Daar staat echter wel tegenover dat het [gedaagde] , gelet op het hele traject, bekend was dat zij niet langer kon blijven en [eiseres] ook herhaaldelijk hulp heeft aangeboden bij de praktische zaken rondom de verhuizing en [gedaagde] de tijd bood. De beschikking is bovendien juist verlengd met als doel een passende vervolgplek voor [gedaagde] te vinden. Hoe lastig een verhuizing voor [gedaagde] gezien haar psychische problematiek ook is, [eiseres] heeft hierin wel zorgvuldig gehandeld en daarmee aan haar zorgplicht voldaan. [gedaagde] had, op enig moment, zelf met de aangeboden hulp moeten meewerken aan het vinden (en accepteren) van een andere woonplek.
Conclusie
3.12.
Hetgeen in dit vonnis is overwogen leidt tot de conclusie dat [gedaagde] momenteel zonder recht of titel in de Woning verblijft. Daarmee is voldoende aannemelijk dat ook de bodemrechter de ontruimingsvordering van [eiseres] zal toewijzen. Een belangenafweging maakt dat gezien de hiervoor beschreven omstandigheden niet anders. Nu is voldaan aan het criterium onder 3.1 zal de vordering tot ontruiming van de Woning worden toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] erkend dat het lastig is in te schatten wanneer een andere, passende vervolgplek voor [gedaagde] beschikbaar komt omdat dit van veel factoren afhankelijk is. Bovendien vindt eind november tussen [gedaagde] en [instelling 2] een herstelgesprek plaats waaruit wellicht meer duidelijkheid volgt over (alsnog) een eventuele vervolgplek bij [instelling 2] . Om die redenen wordt de termijn voor ontruiming bepaald op één maand na betekening van dit vonnis, waarbij [eiseres] , indien [gedaagde] niet vrijwillig aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, de ontruiming met inschakeling van een gerechtsdeurwaarder kan bewerkstelligen.
Proceskosten
3.13.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft (de advocaat van) [gedaagde] voorgesteld om haar niet in de proceskosten te veroordelen wanneer de vorderingen van [eiseres] worden toegewezen. Zij voert daartoe aan dat dit voor meer stress en psychische druk zorgt omdat [gedaagde] niet over voldoende financiële middelen beschikt. [eiseres] wil hierin niet meegaan en heeft in dat verband aangevoerd dat deze procedure met zorggeld is gefinancierd. Geld dat zij aan zorg had kunnen besteden indien [gedaagde] vrijwillig de Woning had verlaten. Zij handhaaft daarom de vordering ten aanzien van de proceskosten.
Gelet op het voorgaande en het feit de vordering van [eiseres] wordt toegewezen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van de hoofdregel af te wijken en zal [gedaagde] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:
- dagvaarding € 136,72
- griffierecht € 87,00
- salaris advocaat € 1.107,00
Totaal € 1.330,72
3.14.
[eiseres] vordert ook betaling van de nakosten. Nakosten zijn de kosten die worden gemaakt om de partij die in het ongelijk is gesteld te bewegen aan het vonnis te voldoen. De nakosten zullen als onweersproken op de in de beslissing weergegeven wijze worden toegewezen.
Dictum
De voorzieningenrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om de Woning aan de [adres] in [plaats 2] binnen één maand na de betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en de Woning onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiseres] te stellen, welke ontruiming zo nodig door de deurwaarder bewerkstelligd kan worden met behulp van de sterke arm conform het in artikel 555 e.v. in samenhang met artikel 444 Rv bepaalde;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.330,72;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door [eiseres] volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 173,00 aan salaris advocaat,
- te vermeerderen met € 90,00, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden;
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H. Erich en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 november 2024.
type: BEv / 4998
coll: