Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-24
ECLI:NL:RBMNE:2024:5612
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,111 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Almere
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 23/4206 en UTR 23/4772
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 september 2024 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. M.J. Meijer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: W.A. Postma).
Inleiding
Eiseres was werkzaam als pedagogisch medewerker bij [bedrijf] voor gemiddeld 30,34 uur per
week. Op 4 september 2019 heeft eiseres zich ziekgemeld. Op 11 juni 2021 heeft eiseres een
uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
aangevraagd. Op 16 oktober 2021 heeft eiseres een uitkering op grond van de
Werkloosheidswet (WW) aangevraagd. Bij besluit van 18 oktober 2021 heeft het Uwv
bepaald dat eiseres met ingang van september 2021 geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Met ingang van 1 september 2021 tot en met 15 januari 2023 had eiseres recht op een
uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 9 december 2022 meldde eiseres
zich ziek voor haar verzekerde arbeid (administratief medewerker
notaris/advocaat/rechtbank, receptionist, administratief medewerker en administratief
ondersteunende medewerker).
Bij besluit van 11 januari 2023 (het primaire besluit 1) heeft het Uwv bepaald dat eiseres met ingang van 9 december 2022 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering, omdat eiseres vanaf 9 december 2022 arbeidsgeschikt is.
Bij besluit van 23 mei 2023 (het primaire besluit 2) heeft het Uwv bepaald dat eiseres vanaf 22 mei 2023 geen recht (meer) heeft op een ZW-uitkering.
Bij besluit van 3 augustus 2023 (het bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 3 augustus 2023 (het bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2024. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft na afloop van de zitting de onderzoeken in beide zaken heropend, omdat de WIA-zaak van eiseres nog op zitting behandeld moest worden en deze zaak invloed kan hebben op de onderhavige ZW-zaken. Onderhavige zaken zijn daarom samen met de WIA-zaak op de zitting van 4 september 2024 gepland. Eiseres en het Uwv hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Beoordeling
Toetsingskader
1. Bij de beoordeling van de zaak van eiser moet de rechtbank beoordelen of het Uwv de regels uit de wet goed heeft toegepast. Daarbij is het zo dat het Uwv dit soort besluiten mag baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen:
- de rapporten moeten op een zorgvuldige manier tot stand zijn gekomen;
- ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten, en
- de conclusies moeten voldoende begrijpelijk zijn.
2. Verder is het zo dat degene die het niet eens is met het oordeel van een verzekeringsarts dat moet onderbouwen met medische stukken. Bij de rechtbank werken namelijk geen artsen en de rechtbank kan zelf dus niet zomaar zeggen dat een verzekeringsarts een onjuiste medische conclusie heeft getrokken. Dit betekent dat hoe iemand zich zelf voelt zonder dat daar een medische onderbouwing van is, niet genoeg is om bij de rechtbank gelijk te krijgen.
Zorgvuldigheid van het medisch onderzoek
3. Eiseres voert aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is verricht omdat zij zowel in de primaire fase als in de bezwaarfase niet door een verzekeringsarts in persoon is gezien/onderzocht. Er heeft geen fysiek onderzoek plaatsgevonden, terwijl er sprake is van lichamelijke klachten bij eiseres. Er heeft slechts een telefonisch gesprek en dossierstudie plaatsgevonden. Het Uwv heeft niet voldoende gemotiveerd dat een spreekuurcontact geen toegevoegde waarde heeft. Het telefoongesprek was ook niet met een geregistreerde verzekeringsarts. Een onderzoek door een niet als verzekeringsarts geregistreerde arts heeft niet dezelfde kwaliteit als een onderzoek die verricht is door een geregistreerde verzekeringsarts. Eiseres voert tot slot aan dat het Uwv geen informatie heeft opgevraagd bij derden.
4. Naar het oordeel van de rechtbank is het onderzoek voldoende zorgvuldig uitgevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep was ook aanwezig bij de hoorzitting. Eiseres was niet aanwezig bij de hoorzitting omdat zij het vergeten was en thuis zat met een ziek kind. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de beschikbare informatie meegewogen. Het Uwv geeft in het verweerschrift aan dat de afwijzingen van de ZW-uitkering mede tot stand zijn gekomen op basis van alle beschikbare medische informatie in het dossier, waaronder de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 mei 2022 in de WIA-zaak. Tijdens dit onderzoek is eiseres gedurende 65 minuten gezien door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Eiseres heeft na deze WIA-beoordeling aangegeven zich met dezelfde klachten en beperkingen ziek te hebben gemeld. De rechtbank overweegt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep eiseres voor onderhavige ziektemeldingen niet heeft gezien, maar op basis van alle bekende medische gegevens, waaronder het feit dat geen sprake is van toegenomen klachten en beperkingen na de eerdere beoordeling door een verzekeringsarts bezwaar en beroep, in de rapportage van 24 juli 2023, tot een weloverwogen oordeel is gekomen dat eiseres niet nog een keer opgeroepen hoefde te worden voor een spreekuurcontact. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de onderhavige ZW-zaken geen eigen fysiek onderzoek heeft verricht, maakt het onderzoek gelet op het voorgaande dus niet onzorgvuldig. De rechtbank overweegt verder dat het aan de verzekeringsarts zelf is om af te wegen of het opvragen van medische informatie bij behandelaars van toegevoegde waarde is. Uit de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat zij op de hoogte was van alle klachten van eiseres. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft haar conclusies dan ook gebaseerd op een compleet medisch beeld. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep eenduidig, inzichtelijk en zonder tegenstrijdigheden uitgelegd hoe zij tot haar oordeel is gekomen. De beroepsgronden slagen niet.
Medische beoordeling
5. Eiseres voert aan dat de medische beoordeling onjuist is, omdat haar beperkingen zijn onderschat. Eiseres voert aan dat zij maximaal 15 minuten achtereen kan lopen en dat zij gedurende een werkdag ongeveer één uur kan lopen. Daarnaast is er ten aanzien van traplopen onterecht geen beperking aangenomen. Eiseres heeft sinds september 2020 een gehandicaptenparkeerkaart. Men heeft recht op een gehandicaptenparkeerkaart als er sprake is van een handicap en iemand ten minste een half jaar niet meer dan 100 meter kan lopen met hulpmiddelen als een stok of krukken. Hier is sprake van bij eiseres. Eiseres is dus sterk beperkt ten aanzien van lopen (tijdens werk). Eiseres voert aan dat zij ook meer beperkt is ten aanzien van zitten en zitten tijdens werk. Zij kan niet twee uur achter elkaar zitten. Eiseres voert verder aan dat er een groot verschil bestaat tussen de Functionelemogelijkhedenlijst (FML) van de bedrijfsarts en de FML van het Uwv. De verschillen zien op het buigen, buigen tijdens werk, duwen en trekken. Het Uwv heeft niet gemotiveerd waarom de beperkingen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep minder ernstig zijn dan door de bedrijfsarts is aangenomen.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Anders dan eiseres stelt, heeft het Uwv voldoende rekening gehouden met de beperkingen van eiseres. Daarvoor is het volgende van belang.
7. In het rapport van 18 mei 2022 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er een beperking is voor het buigen van 45 graden of meer, bij een geringere uitslag is sprake van een lichte beperking. Voor het torderen geldt dat 45 graden maximaal is. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep een logische samenhang tussen de aard en ernst van de onderliggende medische problematiek, de bevindingen van de verzekeringsarts en de geduide beperkingen. Het advies van de orthopedisch chirurg is meegewogen in de lichamelijke belastbaarheid. Daarnaast komt de ernst van de ervaren belemmeringen niet terug in de behandeling. De fysiotherapie is ruim voor de datum in geding afgerond. Er zijn verder geen aanwijzingen in het sociaal functioneren die een wijziging in de belastbaarheid noodzaken. De drie uur hulp in de huishouding, de invalideparkeerkaart en de standplaats voor de deur doen hier niet aan af. Uit de informatie van de bedrijfsarts blijkt dat deze voorzieningen thuis balans geven. Er is verder volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende rekening gehouden met de rug, het bekken en de benen. Er is verder geen aanleiding om een urenbeperking aan te nemen.
8. In het rapport van 24 juli 2023 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen aanleiding is om van een ander medisch oordeel uit te gaan. Tijdens de ZW-beoordeling heeft eiseres aangegeven dat zij zich heeft ziekgemeld met dezelfde klachten als welke zij had bij de WIA-beoordeling. Uit de informatie van de huisarts (journaal betreffende de rugklachten) blijkt geen sprake van nieuwe medische feiten ten aanzien van de rugklachten: de laatste melding van de huisarts is van 27 mei 2021, dus van vóór de WIA-beoordeling. De uitgebrachte brieven zijn ook van vóór de WIA-beoordeling en dus al betrokken bij de WIA-beoordeling. Uit de informatie met betrekking tot de psychische problematiek van eiseres blijkt dat er sprake is van stressklachten zonder dat hieruit kan worden opgemaakt dat er op de in geding zijnde data sprake was van psychopathologie in engere zin (d.w.z. een psychische stoornis/ziekte).
9. In het rapport van 24 juli 2023 concludeert de verzekeringsarts bezwaar en beroep verder dat uit het contact tussen de ZW-arts en eiseres niet blijkt dat er sprake is geweest van restklachten voortkomend uit de operatieve ingreep noch dat de overige klachten zouden zijn veranderd. In bezwaar is geen medische informatie ingebracht de conflicteert met het voorgaande. Er is verder geen sprake van een situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden (GBM)’.
Conclusie
15. Gelet op het voorgaande heeft het Uwv terecht bepaald dat eiseres met ingang van 9 december 2022 en 22 mei 2023 geen recht heeft op een ZW-uitkering. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Belhadi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
UTR 22/5780.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1896 onder 4.1.