Rechtspraak
Centrale Raad van Beroep
2017-10-04
ECLI:NL:CRVB:2017:3431
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Hoger beroep
2,258 tokens
Inleiding
16/858 WAJONG
Datum uitspraak: 4 oktober 2017
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 december 2014, 13/5973 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Procesverloop
Namens appellante heeft mr. J.B.M. Swart, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Swart. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen doormr. M.J. van Steenwijk.
Het onderzoek is ter zitting geschorst. Ter uitvoering van de ter zitting gemaakte afspraken heeft appellante rapporten overgelegd van A-REA van 24 december 2013, 27 december 2013, 9 juni 2015, 10 juni 2015 en 15 juni 2015.
Partijen hebben over en weer gereageerd op die rapporten.
Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, geboren [in] 1992, heeft een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong), gedagtekend 7 januari 2013. Zij acht zich arbeidsongeschikt als gevolg van psychische klachten. Bij besluit van19 maart 2013 heeft het Uwv die aanvraag afgewezen, omdat appellante in staat wordt geacht meer dan 75% van het wettelijk minimumloon te verdienen. Dit besluit is gebaseerd op een rapport en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 11 februari 2013, opgesteld door een verzekeringsarts en een rapport van 15 maart 2013 opgesteld door een arbeidsdeskundige.
1.2. Bij beslissing op bezwaar van 10 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 19 maart 2013 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 augustus 2013, aangevuld op 18 september 2013, en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 oktober 2013.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen grond is voor het oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten op onvoldoende zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, onvoldoende begrijpelijk, dan wel onjuist zijn. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben het dossier bestudeerd, appellante medisch onderzocht en informatie van 28 februari 2013 van de behandelend psychiater en psycholoog bij hun beoordeling betrokken. Over de informatie van 27 december 2013 van A-REA heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv gericht is op het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid op medische gronden, terwijl het onderzoek door A-REA, in het kader van de Wet werk en bijstand, gericht is op mogelijke belemmeringen in verband metre-integratie. De rechtbank volgt daarnaast het standpunt van het Uwv dat de informatie van A-REA niet ziet op de datum in geding. Uitgaande van de juistheid van de verzekeringsgeneeskundige beoordeling wordt in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies de belastbaarheid van appellante niet overschreden. Het bestreden besluit berust dan ook op een deugdelijke arbeidskundige grondslag, aldus de rechtbank.
3.1. In hoger beroep heeft appellante, samengevat, aangevoerd dat in de FML haar lichamelijke en psychische beperkingen zijn onderschat. De rechtbank heeft het belang van het rapport van 27 december 2013 van A-REA op haar 17/18-jarige leeftijd en vijf jaar daarna onvoldoende onderkend. Daarnaast houdt appellante staande dat zij niet in staat is de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
3.2. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Gelet op de dagtekening van de aanvraag, 7 januari 2013, en de geboortedatum van appellante, zijn op deze aanvraag van toepassing de bepalingen van hoofdstuk 2 van deWet Wajong. Er is sprake van een laattijdige aanvraag.
4.2. Op grond van artikel 2:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Wajong is jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk de ingezetene die aansluitend op de dag waarop hij zeventien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling gedurende 52 weken niet in staat is geweest met arbeid meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen, terwijl niet aannemelijk is dat hij binnen een jaar volledig zal herstellen.
Op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong wordt de ingezetene die geen jonggehandicapte is en binnen vijf jaar na afloop van de periode van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen als gevolg van een oorzaak die reeds aanwezig was na afloop van de termijn van 52 weken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, terwijl niet aannemelijk is dat de ingezetene binnen een jaar volledig zal herstellen, alsnog jonggehandicapte met ingang van de dag waarop hij niet meer in staat is om meer dan 75% van het maatmaninkomen te verdienen.
4.3. Er is geen grond om de verzekeringsgeneeskundig beoordeling over de periode van29 januari 2009 tot en met 52 weken nadien onzorgvuldig of onjuist te achten. Hiertoe wordt overwogen dat de verzekeringsarts volgens het rapport van 11 februari 2013 zijn onderzoek heeft gericht op de bij appellante voor haar 17e verjaardag, 29 januari 2009, en bij einde wachttijd, 29 januari 2010, aanwezige medische beperkingen. Hij heeft een FML opgesteld waarbij rekening is gehouden met beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid als gevolg van psychische klachten, heupklachten rechts, aspecifieke rugklachten en een zeer lichte verstandelijke beperking. De door de verzekeringsarts bezwaar en beroep betrokken informatie van 28 februari 2013 van de behandelend psychiater en psycholoog sluit aan bij de door de verzekeringsarts vastgestelde diagnoses PTSS en persoonlijkheidsproblematiek. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn er geen nieuwe feiten of objectieve gegevens naar voren gekomen op grond waarvan het standpunt van de verzekeringsarts moet worden herzien. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv in het rapport van het rapport van 27 december 2013 van A-REA terecht geen reden heeft gezien de FML aan te passen, nu dit rapport niet ziet op de periode van 29 januari 2009 tot en met 52 weken nadien, wordt gevolgd. In hoger beroep heeft appellante haar claim dat zij wegens gezondheidsproblemen als jonggehandicapte moet worden aangemerkt niet nader onderbouwd met medische informatie die nog niet in de beschouwingen van het Uwv over haar gezondheidssituatie in 2009-2010 is betrokken. Het bestreden besluit, voor zover het ziet op de periode van29 januari 2009 tot en met 52 weken nadien, berust op een deugdelijke verzekeringsgeneeskundige grondslag.
4.4. Er is evenmin grond voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het ziet op de periode van 29 januari 2009 tot en met 52 weken nadien, niet berust op een deugdelijke arbeidskundige grondslag. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 oktober 2013 aan de schatting ten grondslag gelegd de functies met SBC-code 111190 (inpakker, handmatig), SBC-code 111220 magazijn/expeditiemedewerker) en SBC-code 111180 (productiemedewerker industrie). In het rapport van 7 oktober 2013, gelezen in samenhang met het rapport van 15 maart 2013, is toereikend gemotiveerd dat de geselecteerde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante.
4.5.1. Op verzoek van de Raad heeft het Uwv, gelet op de uitspraak van 27 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:680), hangende het hoger beroep beoordeeld of appellante op grond van artikel 2:3, tweede lid, van de Wet Wajong alsnog jonggehandicapte is geworden omdat binnen vijf jaar na 29 januari 2010 alsnog aan de voorwaarden uit het eerste lid is voldaan.
4.5.2.
Dictum
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal € 2.970,-;
- bepaalt dat het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal € 167,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2017.
(getekend) E. Dijt
(getekend) B. Dogan
AB