Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2023-08-16
ECLI:NL:RBMNE:2023:4294
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,804 tokens
Dictum
op de vordering tot machtiging gijzeling van de officier van justitie in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 1961,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: veroordeelde.
1Het onderzoek in raadkamer
De rechtbank heeft de vordering ter openbare terechtzitting behandeld op 2 augustus 2023. Daarbij zijn gehoord:
- de officier van justitie, mr. S. Mirshahi;
- de raadsman, mr. P.E. van Zon, advocaat te Eindhoven.
De veroordeelde is niet op zitting verschenen. De raadsman achtte zichzelf niet gemachtigd om namens veroordeelde het woord te voeren.
De rechtbank constateert dat veroordeelde niet op de juiste wijze is opgeroepen. De rechtbank heeft echter voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat veroordeelde kennis had van de zitting van vandaag. De raadsman heeft ter zitting bevestigd dat veroordeelde weet had van de zitting (hij had telefonisch contact gehad met veroordeelde en hij verwachtte de aanwezigheid van veroordeelde ook). Uit de e-mail van het CJIB van 6 juli 2023 blijkt daarnaast dat veroordeelde kennis heeft genomen van de beslisisng van de rechtbank van 1 februari 2023, waarin de datum en het tijdstip van de zitting stonden vermeld. De rechtbank verbindt daarom geen verdere gevolgen aan de onjuiste oproeping van veroordeelde.
2Het onderzoek van de zaak
Op 13 september 2016 is veroordeelde bij arrest van de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een maatregel opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: ontnemingsmaatregel) ter hoogte van € 228.009,61.
Deze ontnemingsmaatregel is onherroepelijk geworden.
Na aftrek van het conservatoir beslag en de op dit geldbedrag gegenereerde rente, totaal € 57.014,84, en de reeds gedane termijnbetalingen, dient veroordeelde nog een bedrag van € 150.956,53 te betalen.
De officier van justitie heeft een schriftelijke vordering ingediend, gedateerd op 20 december 2022, die strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen.
Op 18 januari 2023 is de vordering behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank. De rechtbank heeft op 1 februari 2023 een tussenbeslissing gewezen, inhoudende dat – kort gezegd – de rechtbank voldoende bereidheid zag bij veroordeelde om hem de gelegenheid te geven in een periode van zes maanden (tot de zitting van 2 augustus 2023) een betalingsregeling te treffen met het CJIB.
3De vordering van het Openbaar Ministerie
Veroordeelde heeft het verschuldigde bedrag van de betalingsverplichting in verband met de aan hem opgelegde ontnemingsmaatregel niet volledig betaald.
Veroordeelde heeft de kans die hem in februari van dit jaar is geboden door de rechtbank, om alsnog een betalingsregeling te treffen met het CJIB, niet gegrepen. Veroordeelde heeft zich ook niet laten inschrijven op het adres van zijn broer, of op een ander adres. Hij stelt zich (opnieuw) onvindbaar op. Het enige contact dat veroordeelde met het CJIB heeft gelegd is een telefoontje op 3 februari 2023. Daarna heeft het CJIB, anders dan veroordeelde deed voorkomen, geen enkele betaling van veroordeelde ontvangen. Ook heeft veroordeelde vervolgens geen poging gedaan om een betalingsregeling met het CJIB te treffen of nogmaals contact op te nemen.
Het Openbaar Ministerie stelt dat er (nog steeds) sprake is van betalingsonwil en vordert toewijzing van de vordering, die strekt tot het verlenen van een machtiging tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen.
4Het standpunt van veroordeelde
Ter zitting is er geen standpunt ingenomen. In het dossier staat in de e-mail van het CJIB van 6 juli 2023 vermeld dat veroordeelde op 3 februari 2023 telefonisch contact opnam met het CJIB, waarbij hij vermeldde dat hij de volgende dag de openstaande zaken zou betalen.
Beoordeling
Veroordeelde heeft de kans die hem is geboden door de rechtbank op 1 februari van dit jaar niet benut: hij heeft zich na zijn vrijlating uit detentie niet laten inschrijven in de basisregistratie personen, hij heeft in de afgelopen zes maanden geen betalingen in het kader van zijn betalingsverplichting verricht en hij heeft ook geen betalingsregeling met het CJIB getroffen, of een poging daartoe gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van het hiervoor geschetste verloop genoegzaam is gebleken dat veroordeelde niet volledig aan de hem opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan. Door veroordeelde is niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat moet worden geacht om op maandelijkse basis een reëel bedrag te betalen en daarmee aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Veroordeelde had op 1 februari 2023 namelijk de verwachting een voldoende inkomen te hebben en in staat te zijn een betalingsregeling te treffen met het CJIB, maar heeft daartoe geen actie ondernomen.
Op grond van het voorgaande zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie toewijzen.
Over de duur van de gijzeling overweegt de rechtbank als volgt. In het arrest waarbij de ontnemingsmaatregel is opgelegd – dat dateert van vóór de inwerkingtreding van de Wet USB op 1 januari 2020 – is geen maximale duur van de gijzeling bepaald. Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 26 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:109, volgt dat de rechter in zo’n geval zelf de duur van de gijzeling bepaalt. Daarbij rekent hij, overeenkomstig de vierde volzin van artikel 6:6:25 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, voor elke volle € 25,- van het bedrag waarvoor verhaal is gezocht, niet meer dan één dag aan gijzeling. Uit artikel 36e lid 11 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de gijzeling niet meer dan drie jaar mag duren. Dit komt overeen met 1080 dagen. Gelet op de hoogte van het te ontnemen bedrag, geldt in dit geval dat de gijzeling bepaald kan worden voor de maximale duur van 1080 dagen.
De regeling van de gijzeling is bedoeld als dwangmiddel. Gelet op het openstaande bedrag van de betalingsverplichting en de houding van veroordeelde is de rechtbank van oordeel dat het passend is dat een machtiging wordt afgegeven voor een fors aantal dagen gijzeling. De rechtbank ziet geen redenen om af te wijken van de vordering van de officier van justitie, die is gebaseerd op de LOVS-afspraken.
De rechtbank zal daarom de vordering van de officier van justitie toewijzen en een machtiging verlenen tot toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen.
Dictum
De rechtbank
- wijst de vordering toe en machtigt de officier van justitie tot de toepassing van gijzeling voor de duur van 540 dagen.
Deze beslissing is gegeven door mr. A.J. Reitsma, voorzitter, mr. A.M.M. Lemmen en mr. D.E. Hooydonk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.M. Dijkstra, griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2023.