Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2022-02-24
ECLI:NL:RBMNE:2022:792
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,938 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 21/3871
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2022 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. C.E. Hok-A-Hin),
en
de burgemeester van de gemeente Vijfheerenlanden, verweerder
(gemachtigden: mr. M. van Ommeren en mr. R. Stuij).
Als derde-partij neemt aan het geding deel: Kleurrijk Wonen, te Tiel
(gemachtigde: R. Jager).
Procesverloop
In het besluit van 20 mei 2021 (primaire besluit) heeft verweerder gelast om het pand aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden te sluiten.
In het besluit van 14 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 januari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
1. Eiser woont aan de [adres] in [plaats] en is huurder van de woning. Verweerder heeft van de politie informatie ontvangen over de woning. Op 22 december 2020 heeft de politie naar aanleiding van een Meld Misdaad Anoniem (MMA-)melding de woning van eiser doorzocht. Van deze huiszoeking is op 23 maart 2021 een bestuurlijke rapportage opgesteld. In de bestuurlijke rapportage staat vermeld dat in de woning in totaal 73,98 gram MDMA, 161,29 gram Amfetamine, 2,13 gram Cannabis en 8,98 gram Fenmetrazine is aangetroffen. Ook werden gripzakjes en ponypacks aangetroffen. In de woning werd een persoon aangehouden, van wie later bleek dat hij met toestemming van eiser daar woonde. Verweerder heeft in de resultaten van de doorzoeking aanleiding gezien om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet en zijn beleid bij het primaire besluit de woning van eiser voor de duur van drie maanden te sluiten.
2. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de werking van het primaire besluit wordt geschorst totdat er op het bezwaar is beslist. Bij uitspraak van 15 juni 2021 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek afgewezen. Op 21 juni 2021 is de woning feitelijk gesloten voor een periode van drie maanden.
Procesbelang
3. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat eiser een procesbelang heeft. De periode van de sluiting van de woning is weliswaar verstreken, maar als gevolg van de sluiting heeft eiser niet in de woning kunnen verblijven. Hiermee is een inbreuk gemaakt op zijn woonrecht. Om die reden heeft eiser voldoende belang voor een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Zorgvuldigheid
4. Eiser heeft aangevoerd dat het bestreden besluit niet op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, omdat het bestreden besluit voor de hoorzitting en voor de toezending van het advies van de commissie bezwaarschriften is genomen. Het bestreden besluit is namelijk op 5 augustus 2021 gedagtekend, terwijl de hoorzitting op 31 augustus 2021 heeft plaatsgevonden en de commissie bezwaarschriften haar advies op 13 september 2021 aan verweerder heeft uitgereikt.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het hier om een fout gaat. Er moet van de datum van ondertekening van het besluit worden uitgegaan. Onder aan het besluit staat de datum van 14 september 2021 als datum van ondertekening. Dit is de datum waarop het besluit is genomen en dit is nadat het advies van de commissie bezwaarschriften is uitgebracht. Verder verwijst verweerder ook naar een e-mail in het dossier, waaruit blijkt dat het bestreden besluit op 14 september 2021 aan eiser (digitaal) bekend is gemaakt.
6. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van onzorgvuldige besluitvorming. Verweerder heeft voldoende aangetoond dat de dagtekening van 5 augustus 2021 een fout betreft en dat van 14 september 2021 als datum van het besluit moet worden uitgegaan. Uit het bestreden besluit blijkt verder dat het besluit gebaseerd is op het advies van de commissie bezwaarschriften dat na de hoorzitting van 31 augustus 2021 is uitgebracht. Dat er sprake is van een (kenbare) foute dagtekening, betekent niet dat de besluitvorming van verweerder onzorgvuldig is.
Bevoegdheid
7. Eiser voert aan dat verweerder niet bevoegd was om zijn woning te sluiten, omdat onvoldoende is gebleken dat de aangetroffen substanties in de woning dezelfde zijn als de substanties die zijn onderzocht en positief zijn getest. Volgens eiser is er sprake van een discrepantie tussen de informatie in het proces-verbaal van bevindingen van de doorzoeking van de woning en het proces-verbaal van onderzoek naar de verdovende middelen. Daarom kan volgens eiser niet worden uitgesloten dat de geteste drugs die positief zijn bevonden niet afkomstig zijn uit zijn woning. Verweerder heeft weliswaar in bezwaar navraag gedaan bij de politie, maar dat heeft volgens eiser alleen nog maar meer vragen opgeroepen.
8. De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser dat verweerder niet bevoegd was om de woning te sluiten, niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter mag een bestuursorgaan in beginsel afgaan op de juistheid van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal en de daarop gebaseerde bestuurlijke rapportage, tenzij er aanleiding bestaat voor zodanige twijfel aan de juistheid van de bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De door eiser naar voren gebrachte verschillen of ongerijmdheden tussen het proces-verbaal van bevindingen van de doorzoeking van de woning en het proces-verbaal van onderzoek naar de verdovende middelen zijn van dien aard dat dit geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de bevindingen over de in de woning aangetroffen drugs. De processen-verbaal komen in die zin met elkaar overeen dat daaruit kan worden afgeleid dat de in deze processen-verbaal vermelde drugs uit de woning van eiser komt. Daarbij heeft de rechtbank gekeken naar de plek in de woning waar de drugs zijn aangetroffen, de aantallen/eenheden drugs en de soorten drugs. Dat er iets mis zou zijn met een SIN-nummer en/of een Sealbagnummer betekent niet dat niet mag worden uitgegaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage. Dit kan anders zijn in het strafrecht, maar in een bestuursrechtelijke procedure gelden geen strafrechtelijke bewijsregels.
9. De rechtbank stelt vast dat de hoeveelheid harddrugs die in de woning van eiser is aangetroffen moet worden aangemerkt als een handelshoeveelheid. Op grond van artikel 13b van de Opiumwet heeft verweerder gelet hierop de bevoegdheid om de woning te sluiten. Verweerder hanteert ten aanzien van de uitoefening van deze bevoegdheid beleid. Niet in geschil is dat verweerder overeenkomstig zijn beleid heeft gehandeld door de woning gedurende een periode van 3 maanden te sluiten.
10. De rechtbank zal nu het besluit aan de norm van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht toetsen. Daarbij zal de rechtbank ingaan op de vragen of het besluit noodzakelijk is om het doel te bereiken en of de maatregel evenwichtig is. Bij de evenwichtigheid zal worden ingegaan op de verwijtbaarheid van eiser en de gevolgen van de sluiting voor eiser.
Noodzaak van de sluiting
11. Eiser meent dat noodzaak van de sluiting ontbreekt, omdat er sprake is van tijdsverloop. Tussen het aantreffen van de vermeende drugs en de sluiting van de woning zit vijf maanden. Daarnaast stelt eiser dat het risico op nieuwe overtredingen sterk is verminderd door de inval van de politie en door de aanhouding van degene die gebruik heeft gemaakt van de woning en die de drugs in de woning heeft gebracht. Verder hebben zich geen nieuwe overtredingen meer voorgedaan, waarmee is aangetoond dat de woning geen drugspand meer is.
12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder sluiting van de woning noodzakelijk heeft mogen achten. Over de woning is een MMA-melding binnengekomen, waaruit blijkt dat er vanuit de woning drugs werden verhandeld. De politie heeft in de woning een grote hoeveelheid harddrugs aangetroffen die de handelshoeveelheid ruimschoots overschrijdt. Daarnaast zijn er in de woning verschillende aan drugsgerelateerde attributen aangetroffen. Op grond van deze bevindingen heeft verweerder mogen concluderen dat er vermoedelijk in of vanuit de woning drugs werden verhandeld en dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. Met de sluiting van de woning heeft verweerder tot doel gehad om de bekendheid van de woning als drugspand weg te nemen, waarmee de woning aan het drugscircuit wordt onttrokken.
Conclusie
15. Verweerder was bevoegd om de woning voor een periode van drie maanden te sluiten. De nadelige gevolgen van de sluiting van de woning zijn voorts voor eiser niet onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
16. Het beroep is ongegrond.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P. Stehouwer, griffier. De beslissing is uitgesproken op 24 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier
rechter
(Is verhinderd de uitspraak
mede te ondertekenen)
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
De Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Vijfheerenlanden 2020.
ECLI:NL:RBMNE:2021:2697.
Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 24 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8430).
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 26 mei 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1123).
Zie onder meer de uitspraak van de ABRvS van 31 juli 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2625).
Zie in dit verband de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
Zie de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).
Zie ECLI:NL:RVS:2021:1468.
Zie in dit verband de uitspraak van de ABRvS van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285).