Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2020-11-10
ECLI:NL:RBMNE:2020:5025
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,470 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/5232
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. P.A.C. van Buul),
en
het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nijmegen, verweerder
(gemachtigde: mr. N.C. Vlaskamp en A. Rietveld).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [A] , te [plaats] .
Procesverloop
Bij besluit van 28 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd een vergunning te verlenen aan derde-partij voor het omzetten van zelfstandige woonruimte aan de [adres] te [plaats] in vier onzelfstandige wooneenheden.
Bij besluit van 27 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van derde-partij gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat de gevraagde omzettingsvergunning alsnog wordt verleend.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij beslissing van 5 december 2019 heeft de rechtbank Gelderland het beroep verwezen naar deze rechtbank in verband met indirecte betrokkenheid van een familielid van een medewerker van de rechtbank Gelderland bij deze zaak.
Het onderzoek ter zitting heeft via een Skype-verbinding plaatsgevonden op 13 oktober 2020. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij is verschenen.
Overwegingen
1. Op 24 januari 2020 heeft de rechtbank Gelderland uitspraak gedaan in een drietal soortgelijke zaken. In die zaken ging het om de weigering van verweerder om een vergunning te verlenen voor het omzetten van zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimte.
2. In de uitspraak van 24 januari 2020 heeft de rechtbank Gelderland beschreven hoe de vergunningplicht is geregeld in de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Nijmegen 2019 (Verordening). De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 12 van de Verordening onverbindend is wegens strijd met de Huisvestingswet 2014. De gemeenteraad heeft namelijk niet onderbouwd dat in Nijmegen sprake is van schaarste aan (goedkope) woonruimte en dat een verordening – met een stelsel van omzettingsvergunningen – noodzakelijk is om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan (goedkope) woonruimte te beperken.
3. Het bestreden besluit in deze zaak is mede gebaseerd op het onverbindend verklaarde artikel 12 van de Verordening.
4. De rechtbank volgt de rechtbank Gelderland in haar oordeel dat de gemeenteraad niet heeft onderbouwd dat in Nijmegen sprake is van schaarste aan (goedkope) woonruimte en dat een verordening – met een stelsel van omzettingsvergunningen – noodzakelijk is om onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan (goedkope) woonruimte te beperken. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020 ziet de rechtbank hierin echter aanleiding artikel 12 van de Verordening buiten toepassing te laten, omdat vanwege een gebrekkige motivering en onzorgvuldige voorbereiding van artikel 12 van de Verordening niet kan worden beoordeeld of er strijd is met de Huisvestingswet 2014. Het buiten toepassing laten van de bepaling heeft tot gevolg dat verweerder deze bepaling niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht leggen en dat voor het ‘verkameren’ van de woning van derde-partij geen omzettingsvergunning is vereist.
5. Daarom verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. De rechtbank ziet in deze zaak, evenals de rechtbank Gelderland in de uitspraak van 24 januari 2020, geen mogelijkheid om het geschil definitief te beslechten. Daarom moet verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van derde-partij nemen, met inachtneming van deze uitspraak.
6. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Verweerder moet die betalen. Die kosten worden als volgt berekend. Eiseres heeft zich laten bijstaan door een gemachtigde. Deze gemachtigde heeft twee proceshandelingen verricht: het indienen van het beroepschrift en het bijwonen van de zitting. Deze proceshandelingen leveren voor eiseres twee punten op met een waarde van € 525,- met een wegingsfactor 1. Aan eiseres wordt dan ook € 1.050,- toegekend.
7. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A. Banga, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier. De beslissing is uitgesproken op 10 november 2020 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ECLI:NL:RBGEL:2020:398
ECLI:NL:RVS:2020:452