Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-15
ECLI:NL:RBGEL:2026:3856
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,974 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3856 text/xml public 2026-05-19T09:26:10 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-15 05/351715-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3856 text/html public 2026-05-18T10:46:37 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3856 Rechtbank Gelderland , 15-05-2026 / 05/351715-25 Artt. 241 en 254 Sr. Opzetaanranding door onverhoeds aftrekken van penis van cliënt tijdens massage. Overwegingen over de oude en nieuwe zedenwetgeving en fundamentele verschillen in opzet. Dat betekent dat rechtspraak onder de oude regeling niet zonder meer een op een toepasbaar is op strafbaarstellingen in de nieuwe Wet seksuele misdrijven. Dat geldt bijv. voor “onverhoeds handelen” dat voorheen kon leiden het aannemen van dwang, maar nu niet meer. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/351715-25 Datum uitspraak : 15 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] . Raadsman: mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat in Nijmegen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 mei 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [woonplaats] met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het vastpakken en/of aftrekken van de penis van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] (als cliënt van hem, verdachte) een massagebehandeling door hem, verdachte, onderging en/of (bijna) naakt op de massagetafel lag en/of - ( hierdoor) misbruik te maken van zijn positie als masseur ten opzichte van die [aangever] , die (bijna) naakt op de massagetafel lag en/of (daardoor) zich in een kwetsbare positie ten opzichte van hem, verdachte, bevond en/of (daardoor) in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en/of - voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen, terwijl verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot verdachte had gewend; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [woonplaats] met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het vastpakken en/of aftrekken van de penis van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, terwijl verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot verdachte had gewend. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie 2.1 De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetaanranding. Het standpunt van de verdediging 2.2 De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde opzetaanranding, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte wist dat bij [aangever] de wil tot het ondergaan van de seksuele handelingen ontbrak. Daarnaast was geen sprake van dwang. Hoewel de handelingen plaatsvonden in een massagesetting, heeft verdachte geen misbruik gemaakt van zijn positie als masseur. Ook van onverhoeds handelen door verdachte of van een beperking van [aangever] in zijn bewegingsvrijheid was geen sprake. De verklaring van verdachte dat [aangever] eerst een erectie had en dat verdachte daarna pas seksuele handelingen verrichtte, moet betrouwbaar worden geacht. Beoordeling door de rechtbank 2.3 [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 29 augustus 2025 een afspraak had voor een massage bij verdachte thuis. Aangever ging sinds ongeveer twee jaar om de maand naar verdachte voor een massage. Hij kleedde zich volledig uit om op de massagetafel te gaan liggen en kreeg een zogenoemde full body ontspanningsmassage. Hij lag daarbij eerst op zijn buik en daarna op zijn rug met een handdoek over zich heen. Verdachte masseerde dan ook vaak aan de binnenkant van zijn bovenbeen tot bijna bij zijn scrotum. Verdachte had eerder verteld dat daar een spier zit die vaak vast zit. Verdachte heeft hem daar ook gemasseerd. Aangever merkte toen dat verdachte zijn penis begon te strelen. Hij verstijfde, omdat hij niet wist wat er gebeurde. Vervolgens begon verdachte hem te masturberen. Na ongeveer twintig seconden zei aangever dat hij dit niet prettig vond. Zijn penis was op dat moment stijf. Verdachte stopte toen meteen en heeft de massage min of meer afgerond. Aangever is gaan zitten op de massagetafel. Hij kreeg hoofdpijn en voelde dat alles weer vast ging zitten door de spanning. Verdachte heeft toen zijn rug nog gemasseerd en heeft toen ‘sorry’ gezegd. Hij heeft zich aangekleed en aan verdachte gevraagd: ‘dacht je dat dit kon?’. Daar gaf verdachte geen antwoord op. 2.4 Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever] masseerde zoals hij altijd deed. Het was een ontspanningsmassage. [aangever] ligt dan naakt onder een handdoek. Na het eerste deel van de massage draaide [aangever] zich om van zijn buik naar zijn rug. Terwijl verdachte bezig was de benen van [aangever] te masseren, kreeg [aangever] een erectie. Bij verdachte kwamen toen lustgevoelens naar boven en hij pakte de penis van [aangever] beet en heeft hem één keer afgetrokken. Toen [aangever] zei dat hij dit niet prettig vond, is hij meteen gestopt en heeft hij de massage afgemaakt en zijn excuses aangeboden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij tijdens zijn opleiding tot masseur heeft geleerd dat het kan voorkomen dat iemand een erectie krijgt tijdens een massage. Hij heeft geleerd hoe hij moet reageren als dat gebeurt. 2.5 Na het incident heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders van [aangever] en verdachte. Van dit gesprek is een opname gemaakt. Dit gesprek is door een verbalisant van de politie beluisterd en nagenoeg letterlijk uitgewerkt. In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd: R: stem masseur [verdachte] M: stem moeder van [aangever] R: Ik heb mij misschien laten meevoeren M: En wat bedoel je daarmee? R: Hij raakte met zijn hand mij aan en ik dacht dat ie meer wilde M: Heb je dat ook gecheckt bij hem? R: Nee V: En gevraagd? M: Wat maakte dan dat je door bent gegaan ? R: Ehhmm, omdat ik geen reactie kreeg van hem 2.6 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte de penis van aangever heeft vastgepakt en afgetrokken. Zij ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van opzetaanranding, zoals primair ten laste gelegd. De nieuwe Wet seksuele misdrijven 2.7 De op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven stelt, anders dan de voorgaande strafbepalingen, centraal de consensus, de wilsovereenstemming tussen degenen die seksuele handelingen met elkaar verrichten. Het voorbijgaan aan het (mogelijk) ontbreken van de daartoe strekkende wil bij de ander, kan leiden tot strafbaarheid. In dat verband moet onderscheid worden gemaakt tussen opzetdelicten en schulddelicten. Opzetaanranding of schuldaanranding 2.8 Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of dat ontbreken voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval is de dader zich bewust van de mogelijkheid dat bij de ander de wil ontbreekt, maar heeft hij de keuze gemaakt dat te negeren.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3856 text/xml public 2026-05-19T09:26:10 2026-05-18 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-15 05/351715-25 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Arnhem Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3856 text/html public 2026-05-18T10:46:37 2026-05-19 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3856 Rechtbank Gelderland , 15-05-2026 / 05/351715-25 Artt. 241 en 254 Sr. Opzetaanranding door onverhoeds aftrekken van penis van cliënt tijdens massage. Overwegingen over de oude en nieuwe zedenwetgeving en fundamentele verschillen in opzet. Dat betekent dat rechtspraak onder de oude regeling niet zonder meer een op een toepasbaar is op strafbaarstellingen in de nieuwe Wet seksuele misdrijven. Dat geldt bijv. voor “onverhoeds handelen” dat voorheen kon leiden het aannemen van dwang, maar nu niet meer. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Parketnummer: 05/351715-25 Datum uitspraak : 15 mei 2026 Tegenspraak vonnis van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] , wonende aan [adres] in [woonplaats] . Raadsman: mr. H.J.M. Nijenhuis, advocaat in Nijmegen. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 mei 2026. 1 De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [woonplaats] met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het vastpakken en/of aftrekken van de penis van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] (als cliënt van hem, verdachte) een massagebehandeling door hem, verdachte, onderging en/of (bijna) naakt op de massagetafel lag en/of - ( hierdoor) misbruik te maken van zijn positie als masseur ten opzichte van die [aangever] , die (bijna) naakt op de massagetafel lag en/of (daardoor) zich in een kwetsbare positie ten opzichte van hem, verdachte, bevond en/of (daardoor) in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en/of - voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en/of die [aangever] hiermee te overrompelen, terwijl verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot verdachte had gewend; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [woonplaats] met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het vastpakken en/of aftrekken van de penis van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, terwijl verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot verdachte had gewend. 2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs Het standpunt van de officier van justitie 2.1 De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde gekwalificeerde opzetaanranding. Het standpunt van de verdediging 2.2 De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde opzetaanranding, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte wist dat bij [aangever] de wil tot het ondergaan van de seksuele handelingen ontbrak. Daarnaast was geen sprake van dwang. Hoewel de handelingen plaatsvonden in een massagesetting, heeft verdachte geen misbruik gemaakt van zijn positie als masseur. Ook van onverhoeds handelen door verdachte of van een beperking van [aangever] in zijn bewegingsvrijheid was geen sprake. De verklaring van verdachte dat [aangever] eerst een erectie had en dat verdachte daarna pas seksuele handelingen verrichtte, moet betrouwbaar worden geacht. Beoordeling door de rechtbank 2.3 [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 29 augustus 2025 een afspraak had voor een massage bij verdachte thuis. Aangever ging sinds ongeveer twee jaar om de maand naar verdachte voor een massage. Hij kleedde zich volledig uit om op de massagetafel te gaan liggen en kreeg een zogenoemde full body ontspanningsmassage. Hij lag daarbij eerst op zijn buik en daarna op zijn rug met een handdoek over zich heen. Verdachte masseerde dan ook vaak aan de binnenkant van zijn bovenbeen tot bijna bij zijn scrotum. Verdachte had eerder verteld dat daar een spier zit die vaak vast zit. Verdachte heeft hem daar ook gemasseerd. Aangever merkte toen dat verdachte zijn penis begon te strelen. Hij verstijfde, omdat hij niet wist wat er gebeurde. Vervolgens begon verdachte hem te masturberen. Na ongeveer twintig seconden zei aangever dat hij dit niet prettig vond. Zijn penis was op dat moment stijf. Verdachte stopte toen meteen en heeft de massage min of meer afgerond. Aangever is gaan zitten op de massagetafel. Hij kreeg hoofdpijn en voelde dat alles weer vast ging zitten door de spanning. Verdachte heeft toen zijn rug nog gemasseerd en heeft toen ‘sorry’ gezegd. Hij heeft zich aangekleed en aan verdachte gevraagd: ‘dacht je dat dit kon?’. Daar gaf verdachte geen antwoord op. 2.4 Verdachte heeft verklaard dat hij [aangever] masseerde zoals hij altijd deed. Het was een ontspanningsmassage. [aangever] ligt dan naakt onder een handdoek. Na het eerste deel van de massage draaide [aangever] zich om van zijn buik naar zijn rug. Terwijl verdachte bezig was de benen van [aangever] te masseren, kreeg [aangever] een erectie. Bij verdachte kwamen toen lustgevoelens naar boven en hij pakte de penis van [aangever] beet en heeft hem één keer afgetrokken. Toen [aangever] zei dat hij dit niet prettig vond, is hij meteen gestopt en heeft hij de massage afgemaakt en zijn excuses aangeboden. Verdachte heeft verder verklaard dat hij tijdens zijn opleiding tot masseur heeft geleerd dat het kan voorkomen dat iemand een erectie krijgt tijdens een massage. Hij heeft geleerd hoe hij moet reageren als dat gebeurt. 2.5 Na het incident heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de ouders van [aangever] en verdachte. Van dit gesprek is een opname gemaakt. Dit gesprek is door een verbalisant van de politie beluisterd en nagenoeg letterlijk uitgewerkt. In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd: R: stem masseur [verdachte] M: stem moeder van [aangever] R: Ik heb mij misschien laten meevoeren M: En wat bedoel je daarmee? R: Hij raakte met zijn hand mij aan en ik dacht dat ie meer wilde M: Heb je dat ook gecheckt bij hem? R: Nee V: En gevraagd? M: Wat maakte dan dat je door bent gegaan ? R: Ehhmm, omdat ik geen reactie kreeg van hem 2.6 De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat verdachte de penis van aangever heeft vastgepakt en afgetrokken. Zij ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of sprake is van opzetaanranding, zoals primair ten laste gelegd. De nieuwe Wet seksuele misdrijven 2.7 De op 1 juli 2024 in werking getreden Wet seksuele misdrijven stelt, anders dan de voorgaande strafbepalingen, centraal de consensus, de wilsovereenstemming tussen degenen die seksuele handelingen met elkaar verrichten. Het voorbijgaan aan het (mogelijk) ontbreken van de daartoe strekkende wil bij de ander, kan leiden tot strafbaarheid. In dat verband moet onderscheid worden gemaakt tussen opzetdelicten en schulddelicten. Opzetaanranding of schuldaanranding 2.8 Opzetaanranding heeft betrekking op situaties waarin de dader opzettelijk de ontbrekende wil bij de ander negeert of dat ontbreken voor lief neemt. Daarbij kan sprake zijn van ‘vol’ opzet of – de ondergrens van de opzetvariant – voorwaardelijk opzet. In dat laatste geval is de dader zich bewust van de mogelijkheid dat bij de ander de wil ontbreekt, maar heeft hij de keuze gemaakt dat te negeren.
Volledig
Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden, terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Volgens de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023, 36 222, nr. 3, p. 18) is bijvoorbeeld sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij daarvoor geen toestemming heeft en dat daarmee in elk geval opzet kan worden bewezen. 2.9 Bij schuldaanranding kan sprake zijn van bewuste schuld: de dader weet niet zeker of de ander wel of niet instemt, maar gaat er ‘gemakshalve’ vanuit dat dit wel zo zal zijn. In geval van ‘onbewuste schuld’ realiseert de dader zich niet eens dat mogelijkerwijs bij de ander de wil ontbreekt. Het verwijt is dan dát hij zich dat niet realiseerde; hij heeft een onderzoekplicht verzaakt. Bij aanranding en verkrachting ligt dat overigens niet snel voor de hand. De onderhavige zaak 2.10 De rechtbank overweegt als volgt. Aangever kreeg een ontspanningsmassage door verdachte. Hij kreeg dit type massages al zo’n twee jaar van verdachte in een professionele setting en er was nooit eerder iets voorgevallen. Verdachte is een professioneel masseur. Vanuit zijn opleiding tot masseur was voor verdachte bekend dat een man een erectie kan krijgen gedurende de massage, als lichamelijke reactie op de aanrakingen. Tijdens de opleiding heeft hij ook geleerd hoe hiermee om te gaan. 2.11 Hij heeft ook verklaard dat aangever enkele malen een erectie kreeg. Dat heeft hij genegeerd, want hij weet dat dat in die omstandigheden niet per se betekenis heeft. Toen hij echter merkte dat aangever tegelijkertijd zijn ballen betastte, kreeg hij het idee dat aangever misschien wat meer wilde en open stond van seksuele avances. En vervolgens kregen lustgevoelens de overhand en heeft hij daaraan toegegeven en aangevers penis betast (dossier, p. 54). Aangever heeft ontkend dat hij verdachte in zijn kruis heeft betast, in ieder geval was dat nooit de bedoeling (dossier, p. 34). 2.12 Of verdachte al dan niet door aangever in zijn kruis werd betast, is niet komen vast te staan, nu alleen verdachte hierover verklaart en aangever dat betwist. Uit de stukken wordt evenmin geheel duidelijk wanneer en hoe vaak aangever een erectie kreeg. Uit de aangifte kan worden afgeleid dat dit in ieder geval één keer gebeurde en pas nadat verdachte begonnen was met aftrekken. De rechtbank kan deze vraag in het midden laten. Ook al zou aangever meermalen een erectie hebben gekregen, dan nog kan verdachte hieruit in redelijkheid niet afleiden dat aangever wel in was voor een meer seksueel getinte ontmoeting. Verdachte was immers een professioneel masseur en in zijn opleiding is aandacht besteed aan dit soort gebeurtenissen en heeft hij geleerd hieraan geen aandacht te besteden en dus er ook vooral geen conclusies aan te verbinden. 2.13 Gelet hierop, had verdachte de erectie bij [aangever] naar het oordeel van de rechtbank niet mogen opvatten als een uitnodiging tot het aangaan van seksueel contact, zoals hij heeft gedaan. Verdachte heeft direct de penis van aangever vastgepakt en heeft zich – zo vertelt hij ook tijdens het gesprek met diens ouders – niet vergewist van de wil van aangever tot het deelnemen aan deze seksuele handelingen. Door op deze manier, onverhoeds, te handelen, heeft verdachte de mogelijkheid geaccepteerd (voor lief genomen) dat aangever de aanrakingen niet wilde en hem de kans ontnomen hierop te reageren. 2.14 Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van opzetaanranding in de zin van artikel 241 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). 2.15 Daarnaast was er sprake van een functionele afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte als professioneel opgeleid masseur met een eigen praktijk en zijn cliënt, aangever. Verdachte had als masseur een zeker overwicht op aangever, die op dat moment geheel naakt op de massagetafel lag met enkel een handdoek over zich heen en zich had overgegeven aan de zorg van verdachte. Hiermee was sprake van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 254 lid 1 sub b onder 3 Sr. Dwang 2.16 De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte aangever heeft gedwongen tot het dulden van deze seksuele handelingen. 2.17 De officier van justitie heeft gesteld dat dit het geval is. Zij heeft betoogd dat de dwang eruit heeft bestaan dat aangever door het handelen van verdachte werd overrompeld. Daarnaast bevond hij zich in een kwetsbare positie, te weten naakt op een massagetafel. Hierdoor werd hij beperkt in zijn bewegingsruimte. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn rol als masseur. De raadsman heeft dat betwist. 2.18 De rechtbank kijkt hier anders tegenaan en overweegt het volgende. 2.19 Onder de oude artikelen 242 en 246 Sr konden verkrachting en (feitelijke) aanranding alleen bewezen worden als sprake was van geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee, kort gezegd: ‘dwang’. Dat leidde ertoe dat met name het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ (en daarmee het aspect van dwang) gaandeweg steeds ruimer werd uitgelegd om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte seksuele handelingen, waarbij een van de betrokkenen zich onder druk gezet voelde, onder deze strafbepalingen te kunnen brengen en niet straffeloos te laten zijn. 2.20 Uitgangspunt hierbij was: “De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil.” (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241). 2.21 Zo zijn onder de oude wetgeving de volgende situaties onder de noemer ‘dwang’ (in ruime zin als hier bedoeld) gebracht: - door verdachte gecreëerde onmacht door het slachtoffer in het kader van een religieus ritueel een slaapmiddel toe te dienen waardoor zij in toestand van fysieke weerloosheid wordt gebracht en zich niet kan verzetten tegen de seksuele handelingen (HR 16 oktober 2007, NJ 2008/126 m.nt. Keijzer; ECLI:NL:HR:2007:BA7650); - het brengen van het slachtoffer in zodanige afhankelijkheidssituatie of bedreigende situatie dat zij zich niet kan verzetten tegen de seksuele handelingen en zich er niet aan kan onttrekken (HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422; HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:865); - idem door religieus getint overwicht (HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494; NJ 2013/427); - onverhoeds binnenlopen in de woning van een oudere vrouw om daarna ontuchtige handelingen te verrichten ondanks dat zij aangeeft dat niet te willen (HR 22 mei 2007, ;ECLI:NL:HR:2007:BA0862; NJ 2007, 315; - het onverhoeds binnendringen in de woning en het slachtoffer beletten de kamer te verlaten (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241); - het tijdens een professionele massage geleidelijk en onverhoeds brengen van zijn vinger in de vagina van het slachtoffer (HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:842, NJ 2021/331). 2.22 Als hiervoor onder 2.7 overwogen, gaat de nieuwe Wet seksuele misdrijven uit van een andere conceptie van strafbaar handelen. Seksueel handelen dat al dan niet evident plaats vindt tegen de wil van de andere, is reeds om die reden strafbaar. Opzetaanranding is strafbaar gesteld in het eerste lid van artikel 241 Sr. Als een verdachte daarbij dwang heeft toegepast, dan is sprake van de gekwalificeerde delictsvorm die strafbaar is gesteld onder lid 2. Dwang, in welke vorm dan ook, is niet meer nodig om grensoverschrijdend seksueel handelen strafbaar te doen zijn. Daarom dient onderhavige zaak onder de huidige wetgeving anders te worden beoordeeld dan de in 2.21 laatst vermelde zaak (ECLI:NL:HR:2021:842). 2.23 De betekenis die onder het oude wetsartikel aan het bestanddeel dwang werd gegeven, kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de betekenis ervan in de nieuwe wet.
Volledig
Daarmee heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de desbetreffende seksuele handelingen plaatsvinden, terwijl bij de ander de wil daartoe ontbreekt. Volgens de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2022/2023, 36 222, nr. 3, p. 18) is bijvoorbeeld sprake van opzettelijk handelen als iemand een ander onverhoeds ontuchtig aanraakt. Hij weet dan dat hij daarvoor geen toestemming heeft en dat daarmee in elk geval opzet kan worden bewezen. 2.9 Bij schuldaanranding kan sprake zijn van bewuste schuld: de dader weet niet zeker of de ander wel of niet instemt, maar gaat er ‘gemakshalve’ vanuit dat dit wel zo zal zijn. In geval van ‘onbewuste schuld’ realiseert de dader zich niet eens dat mogelijkerwijs bij de ander de wil ontbreekt. Het verwijt is dan dát hij zich dat niet realiseerde; hij heeft een onderzoekplicht verzaakt. Bij aanranding en verkrachting ligt dat overigens niet snel voor de hand. De onderhavige zaak 2.10 De rechtbank overweegt als volgt. Aangever kreeg een ontspanningsmassage door verdachte. Hij kreeg dit type massages al zo’n twee jaar van verdachte in een professionele setting en er was nooit eerder iets voorgevallen. Verdachte is een professioneel masseur. Vanuit zijn opleiding tot masseur was voor verdachte bekend dat een man een erectie kan krijgen gedurende de massage, als lichamelijke reactie op de aanrakingen. Tijdens de opleiding heeft hij ook geleerd hoe hiermee om te gaan. 2.11 Hij heeft ook verklaard dat aangever enkele malen een erectie kreeg. Dat heeft hij genegeerd, want hij weet dat dat in die omstandigheden niet per se betekenis heeft. Toen hij echter merkte dat aangever tegelijkertijd zijn ballen betastte, kreeg hij het idee dat aangever misschien wat meer wilde en open stond van seksuele avances. En vervolgens kregen lustgevoelens de overhand en heeft hij daaraan toegegeven en aangevers penis betast (dossier, p. 54). Aangever heeft ontkend dat hij verdachte in zijn kruis heeft betast, in ieder geval was dat nooit de bedoeling (dossier, p. 34). 2.12 Of verdachte al dan niet door aangever in zijn kruis werd betast, is niet komen vast te staan, nu alleen verdachte hierover verklaart en aangever dat betwist. Uit de stukken wordt evenmin geheel duidelijk wanneer en hoe vaak aangever een erectie kreeg. Uit de aangifte kan worden afgeleid dat dit in ieder geval één keer gebeurde en pas nadat verdachte begonnen was met aftrekken. De rechtbank kan deze vraag in het midden laten. Ook al zou aangever meermalen een erectie hebben gekregen, dan nog kan verdachte hieruit in redelijkheid niet afleiden dat aangever wel in was voor een meer seksueel getinte ontmoeting. Verdachte was immers een professioneel masseur en in zijn opleiding is aandacht besteed aan dit soort gebeurtenissen en heeft hij geleerd hieraan geen aandacht te besteden en dus er ook vooral geen conclusies aan te verbinden. 2.13 Gelet hierop, had verdachte de erectie bij [aangever] naar het oordeel van de rechtbank niet mogen opvatten als een uitnodiging tot het aangaan van seksueel contact, zoals hij heeft gedaan. Verdachte heeft direct de penis van aangever vastgepakt en heeft zich – zo vertelt hij ook tijdens het gesprek met diens ouders – niet vergewist van de wil van aangever tot het deelnemen aan deze seksuele handelingen. Door op deze manier, onverhoeds, te handelen, heeft verdachte de mogelijkheid geaccepteerd (voor lief genomen) dat aangever de aanrakingen niet wilde en hem de kans ontnomen hierop te reageren. 2.14 Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van opzetaanranding in de zin van artikel 241 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). 2.15 Daarnaast was er sprake van een functionele afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte als professioneel opgeleid masseur met een eigen praktijk en zijn cliënt, aangever. Verdachte had als masseur een zeker overwicht op aangever, die op dat moment geheel naakt op de massagetafel lag met enkel een handdoek over zich heen en zich had overgegeven aan de zorg van verdachte. Hiermee was sprake van de strafverzwarende omstandigheid als bedoeld in artikel 254 lid 1 sub b onder 3 Sr. Dwang 2.16 De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of verdachte aangever heeft gedwongen tot het dulden van deze seksuele handelingen. 2.17 De officier van justitie heeft gesteld dat dit het geval is. Zij heeft betoogd dat de dwang eruit heeft bestaan dat aangever door het handelen van verdachte werd overrompeld. Daarnaast bevond hij zich in een kwetsbare positie, te weten naakt op een massagetafel. Hierdoor werd hij beperkt in zijn bewegingsruimte. Verdachte heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn rol als masseur. De raadsman heeft dat betwist. 2.18 De rechtbank kijkt hier anders tegenaan en overweegt het volgende. 2.19 Onder de oude artikelen 242 en 246 Sr konden verkrachting en (feitelijke) aanranding alleen bewezen worden als sprake was van geweld of een andere feitelijkheid dan wel bedreiging daarmee, kort gezegd: ‘dwang’. Dat leidde ertoe dat met name het bestanddeel ‘andere feitelijkheid’ (en daarmee het aspect van dwang) gaandeweg steeds ruimer werd uitgelegd om tegemoet te komen aan de maatschappelijke behoefte seksuele handelingen, waarbij een van de betrokkenen zich onder druk gezet voelde, onder deze strafbepalingen te kunnen brengen en niet straffeloos te laten zijn. 2.20 Uitgangspunt hierbij was: “De term "dwingt" in art. 242 Sr dient aldus te worden verstaan dat daaraan slechts is voldaan indien het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte mede omvat dat hij iemand handelingen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen, doet ondergaan tegen zijn of haar wil.” (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241). 2.21 Zo zijn onder de oude wetgeving de volgende situaties onder de noemer ‘dwang’ (in ruime zin als hier bedoeld) gebracht: - door verdachte gecreëerde onmacht door het slachtoffer in het kader van een religieus ritueel een slaapmiddel toe te dienen waardoor zij in toestand van fysieke weerloosheid wordt gebracht en zich niet kan verzetten tegen de seksuele handelingen (HR 16 oktober 2007, NJ 2008/126 m.nt. Keijzer; ECLI:NL:HR:2007:BA7650); - het brengen van het slachtoffer in zodanige afhankelijkheidssituatie of bedreigende situatie dat zij zich niet kan verzetten tegen de seksuele handelingen en zich er niet aan kan onttrekken (HR 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767, NJ 2007/422; HR 14 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:865); - idem door religieus getint overwicht (HR 27 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:494; NJ 2013/427); - onverhoeds binnenlopen in de woning van een oudere vrouw om daarna ontuchtige handelingen te verrichten ondanks dat zij aangeeft dat niet te willen (HR 22 mei 2007, ;ECLI:NL:HR:2007:BA0862; NJ 2007, 315; - het onverhoeds binnendringen in de woning en het slachtoffer beletten de kamer te verlaten (HR 27 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2194; NJ 2019/241); - het tijdens een professionele massage geleidelijk en onverhoeds brengen van zijn vinger in de vagina van het slachtoffer (HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:842, NJ 2021/331). 2.22 Als hiervoor onder 2.7 overwogen, gaat de nieuwe Wet seksuele misdrijven uit van een andere conceptie van strafbaar handelen. Seksueel handelen dat al dan niet evident plaats vindt tegen de wil van de andere, is reeds om die reden strafbaar. Opzetaanranding is strafbaar gesteld in het eerste lid van artikel 241 Sr. Als een verdachte daarbij dwang heeft toegepast, dan is sprake van de gekwalificeerde delictsvorm die strafbaar is gesteld onder lid 2. Dwang, in welke vorm dan ook, is niet meer nodig om grensoverschrijdend seksueel handelen strafbaar te doen zijn. Daarom dient onderhavige zaak onder de huidige wetgeving anders te worden beoordeeld dan de in 2.21 laatst vermelde zaak (ECLI:NL:HR:2021:842). 2.23 De betekenis die onder het oude wetsartikel aan het bestanddeel dwang werd gegeven, kan daarom niet zonder meer worden gelijkgesteld aan de betekenis ervan in de nieuwe wet.
Volledig
De enkele omstandigheid dat artikel 241 lid 2 Sr de ‘rechtsopvolger’ is van artikel 246 (oud) Sr, rechtvaardigt die conclusie niet, juist vanwege het principiële verschil tussen beide wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld in 2.22. 2.24 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat voor het geven van nadere invulling aan de strafbepalingen onder de nieuwe wetgeving, de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het gebruik van rechterlijke uitspraken onder het regiem van de oude wetgeving. Er is geen reden om enkele gedragingen die voorheen leidden tot de conclusie ‘dwang’ onder de nieuwe wetgeving nog deze betekenis te laten toekomen. Dat geldt met name voor het aspect ‘onverhoeds optreden’. Hierdoor heeft de dader weliswaar het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen zich bijtijds teweer te stellen en zijn wil kenbaar te maken, maar het rechtvaardigt niet langer de conclusie dat daarmee ook sprake is van dwang als bedoeld in artikel 241 lid 2 Sr. In gelijke zin Rb Rotterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1179, Rb Den Haag 23 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2026:6317. In beide vonnissen wordt verwezen naar de niet eenduidige wetsgeschiedenis over de vraag of onverhoeds handelen ook ‘dwang oplevert’. De daar aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis duiden er eerder op dat onverhoeds handelen en dwang een nevengeschikte en aanvullende functie hebben en dus niet identiek zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan. 2.25 Anders: Rb Noord Nederland 3 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1059; ECLI:NL:PHR:2026:63. Daar wordt vooral verwezen naar de opmerking dat artikel 241 Sr moet worden gezien als ‘rechtsopvolger’ van artikel 246 ( oud ) Sr. Dat is echter niet overtuigend, gezien de hiervoor onder 2.7 en 2.23 e.v. principiële verschil in de opzet en vormgeving van beide wettelijke regelingen. De onderhavige zaak 2.26 Aangever is in eerste instantie vrijwillig met ontbloot lichaam op de massagetafel gaan liggen. Verdachte is er vervolgens ten onrechte van uit gegaan dat de erectie bij aangever een aansporing was tot seksueel contact en heeft (strafbaar) gehandeld vanuit die verkeerde voorstelling van zaken. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte tot doel had om aangever naar zijn woning te halen om alleen te kunnen zijn met hem en hem vervolgens bewust in zijn bewegingsvrijheid te belemmeren of in een ondergeschikte positie te brengen. Aangever kwam immers al zo’n twee jaar lang voor massages in de thuispraktijk van verdachte en er had zich nooit eerder zoiets voorgedaan. Op het moment dat aangever aangaf zich niet prettig te voelen, is verdachte bovendien meteen gestopt. 2.27 Het gegeven dat sprake was van een ongelijke positie - doordat [aangever] naakt op tafel lag en door de onderlinge verhouding van professioneel masseur en cliënt – is door de rechtbank al in strafverzwarende zin meegenomen door toepassing van artikel 254 lid 1 sub b onder 3 Sr. De rechtbank neemt die omstandigheid daarom niet ook nog mee bij de beoordeling of sprake was van dwang. Slotsom 2.28 Gezien al het voorgaande, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid dwang. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [woonplaats] met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het vastpakken en /of aftrekken van de penis van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] (als cliënt van hem, verdachte) een massagebehandeling door hem, verdachte, onderging en/of (bijna) naakt op de massagetafel lag en /of - ( hierdoor) misbruik te maken van zijn positie als masseur ten opzichte van die [aangever] , die (bijna) naakt op de massagetafel lag en/of (daardoor) zich in een kwetsbare positie ten opzichte van hem, verdachte, bevond en/of (daardoor) in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en/of - voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en /of die [aangever] hiermee te overrompelen, terwijl verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot verdachte had gewend; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Opzetaanranding, waarbij de dader werkzaam is in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg en het feit wordt begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot de dader heeft gewend. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast heeft de officier van justitie, rekening houdend met het taakstrafverbod ex artikel 22b Sr, gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 180 dagen worden opgelegd, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Tot slot is gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd, inhoudende dat hij gedurende een jaar niet het beroep van masseur mag uitoefenen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van schuldaanranding, bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd. Het taakstrafverbod is niet van toepassing als het gaat om schuldaanranding. In een vergelijkbare uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2015:15654) werd een taakstraf opgelegd van 60 uren. Een (voorwaardelijke) gevangenisstraf wordt niet passend geacht, gezien het lage recidiverisico. Verdachte staat wel open voor een ambulante behandeling en contact met de reclassering. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Het strafblad van verdachte van 18 maart 2026 is blanco zo blijkt de rechtbank. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van het slachtoffer, dat al zo’n twee jaar in behandeling was bij verdachte vanwege spanningsklachten, waarvoor hij ontspanningsmassages kreeg. Deze keer ging het mis en overschreed verdachte een grens, door het slachtoffer op ongepaste wijze te betasten. Verdachte heeft hiermee niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als professioneel massagetherapeut had gesteld, maar ook van de kwetsbare positie waarin het slachtoffer zich bevond, doordat hij (bijna) naakt op de massagetafel lag. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft niet gecheckt of het slachtoffer deze seksuele handelingen wilde en heeft zich volledig laten leiden door zijn eigen lustgevoelens op dat moment. Het slachtoffer heeft gelukkigerwijs de moed gehad om vrijwel direct aan te geven dat hij zich niet prettig voelde bij de seksuele handelingen. Uit het reclasseringsrapport van 17 april 2026 volgt dat er op alle leefgebieden stabiliteit heerst in het leven van verdachte.
Volledig
De enkele omstandigheid dat artikel 241 lid 2 Sr de ‘rechtsopvolger’ is van artikel 246 (oud) Sr, rechtvaardigt die conclusie niet, juist vanwege het principiële verschil tussen beide wettelijke regelingen als hiervoor bedoeld in 2.22. 2.24 Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat voor het geven van nadere invulling aan de strafbepalingen onder de nieuwe wetgeving, de nodige terughoudendheid moet worden betracht bij het gebruik van rechterlijke uitspraken onder het regiem van de oude wetgeving. Er is geen reden om enkele gedragingen die voorheen leidden tot de conclusie ‘dwang’ onder de nieuwe wetgeving nog deze betekenis te laten toekomen. Dat geldt met name voor het aspect ‘onverhoeds optreden’. Hierdoor heeft de dader weliswaar het slachtoffer de mogelijkheid ontnomen zich bijtijds teweer te stellen en zijn wil kenbaar te maken, maar het rechtvaardigt niet langer de conclusie dat daarmee ook sprake is van dwang als bedoeld in artikel 241 lid 2 Sr. In gelijke zin Rb Rotterdam 28 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1179, Rb Den Haag 23 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2026:6317. In beide vonnissen wordt verwezen naar de niet eenduidige wetsgeschiedenis over de vraag of onverhoeds handelen ook ‘dwang oplevert’. De daar aangehaalde passages uit de wetsgeschiedenis duiden er eerder op dat onverhoeds handelen en dwang een nevengeschikte en aanvullende functie hebben en dus niet identiek zijn. De rechtbank sluit zich daarbij aan. 2.25 Anders: Rb Noord Nederland 3 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1059; ECLI:NL:PHR:2026:63. Daar wordt vooral verwezen naar de opmerking dat artikel 241 Sr moet worden gezien als ‘rechtsopvolger’ van artikel 246 ( oud ) Sr. Dat is echter niet overtuigend, gezien de hiervoor onder 2.7 en 2.23 e.v. principiële verschil in de opzet en vormgeving van beide wettelijke regelingen. De onderhavige zaak 2.26 Aangever is in eerste instantie vrijwillig met ontbloot lichaam op de massagetafel gaan liggen. Verdachte is er vervolgens ten onrechte van uit gegaan dat de erectie bij aangever een aansporing was tot seksueel contact en heeft (strafbaar) gehandeld vanuit die verkeerde voorstelling van zaken. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte tot doel had om aangever naar zijn woning te halen om alleen te kunnen zijn met hem en hem vervolgens bewust in zijn bewegingsvrijheid te belemmeren of in een ondergeschikte positie te brengen. Aangever kwam immers al zo’n twee jaar lang voor massages in de thuispraktijk van verdachte en er had zich nooit eerder zoiets voorgedaan. Op het moment dat aangever aangaf zich niet prettig te voelen, is verdachte bovendien meteen gestopt. 2.27 Het gegeven dat sprake was van een ongelijke positie - doordat [aangever] naakt op tafel lag en door de onderlinge verhouding van professioneel masseur en cliënt – is door de rechtbank al in strafverzwarende zin meegenomen door toepassing van artikel 254 lid 1 sub b onder 3 Sr. De rechtbank neemt die omstandigheid daarom niet ook nog mee bij de beoordeling of sprake was van dwang. Slotsom 2.28 Gezien al het voorgaande, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van de strafverzwarende omstandigheid dwang. 3 De bewezenverklaring Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat: hij op of omstreeks 29 augustus 2025 te [woonplaats] met een persoon, te weten [aangever] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten het vastpakken en /of aftrekken van de penis van die [aangever] , terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangever] daartoe de wil ontbrak, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door - voornoemde seksuele handelingen te verrichten terwijl die [aangever] (als cliënt van hem, verdachte) een massagebehandeling door hem, verdachte, onderging en/of (bijna) naakt op de massagetafel lag en /of - ( hierdoor) misbruik te maken van zijn positie als masseur ten opzichte van die [aangever] , die (bijna) naakt op de massagetafel lag en/of (daardoor) zich in een kwetsbare positie ten opzichte van hem, verdachte, bevond en/of (daardoor) in zijn bewegingsvrijheid werd beperkt en/of - voornoemde seksuele handelingen onverhoeds te verrichten en /of die [aangever] hiermee te overrompelen, terwijl verdachte werkzaam was in de gezondheidszorg of de maatschappelijke zorg en het feit werd begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot verdachte had gewend; Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. 4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Opzetaanranding, waarbij de dader werkzaam is in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg en het feit wordt begaan jegens een persoon die zich voor hulp of zorg tot de dader heeft gewend. 5 De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 6 De strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. 7 De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 200 uren, te vervangen door 100 dagen hechtenis als de taakstraf niet naar behoren wordt verricht. Daarnaast heeft de officier van justitie, rekening houdend met het taakstrafverbod ex artikel 22b Sr, gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 180 dagen worden opgelegd, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Tot slot is gevorderd dat aan verdachte een beroepsverbod wordt opgelegd, inhoudende dat hij gedurende een jaar niet het beroep van masseur mag uitoefenen. Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft, uitgaande van een bewezenverklaring van schuldaanranding, bepleit dat aan verdachte een taakstraf wordt opgelegd. Het taakstrafverbod is niet van toepassing als het gaat om schuldaanranding. In een vergelijkbare uitspraak van de rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2015:15654) werd een taakstraf opgelegd van 60 uren. Een (voorwaardelijke) gevangenisstraf wordt niet passend geacht, gezien het lage recidiverisico. Verdachte staat wel open voor een ambulante behandeling en contact met de reclassering. De beoordeling door de rechtbank De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte. Het strafblad van verdachte van 18 maart 2026 is blanco zo blijkt de rechtbank. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding van het slachtoffer, dat al zo’n twee jaar in behandeling was bij verdachte vanwege spanningsklachten, waarvoor hij ontspanningsmassages kreeg. Deze keer ging het mis en overschreed verdachte een grens, door het slachtoffer op ongepaste wijze te betasten. Verdachte heeft hiermee niet alleen misbruik gemaakt van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem als professioneel massagetherapeut had gesteld, maar ook van de kwetsbare positie waarin het slachtoffer zich bevond, doordat hij (bijna) naakt op de massagetafel lag. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft niet gecheckt of het slachtoffer deze seksuele handelingen wilde en heeft zich volledig laten leiden door zijn eigen lustgevoelens op dat moment. Het slachtoffer heeft gelukkigerwijs de moed gehad om vrijwel direct aan te geven dat hij zich niet prettig voelde bij de seksuele handelingen. Uit het reclasseringsrapport van 17 april 2026 volgt dat er op alle leefgebieden stabiliteit heerst in het leven van verdachte.
Volledig
Hij werd niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en de reclassering schat in dat sprake is geweest van een incident, voortkomend uit een verkeerde interpretatie van signalen van aangever en dat daarom sprake is van een laag recidiverisico. Desondanks acht de reclassering een plan van aanpak geïndiceerd. Niet om het risico op herhaling verder te verlagen, maar om inzicht te krijgen in het grensoverschrijdende delictgedrag van verdachte, met name omdat verdachte werkzaam wil blijven als masseur. De reclassering heeft daarnaast een beroepsverbod overwogen, maar concludeert dat zij niet kan toezien op dit verbod. De inschatting is dat verdachte meer baat heeft bij een kortdurende behandeling waarbij inzicht wordt verkregen in zijn gedrag door middel van een delictanalyse. Daaropvolgend kunnen behandelingen plaatsvinden, waarmee verdachte zijn zelfcontrole leert te verbeteren, risicosituaties leert te herkennen en grensoverschrijdend gedrag leert te voorkomen. Verdachte heeft zowel bij de reclassering als op de terechtzitting aangegeven hiervoor open te staan. De rechtbank stelt voorop dat het taakstrafverbod ex artikel 22b Sr van toepassing is. Bij dit soort strafbare feiten past in beginsel ook de oplegging van een gevangenisstraf. Daartegenover ziet de rechtbank een verdachte die niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. Het voorval betrof één kortdurend moment waarop verdachte toegaf aan zijn lustgevoelens. Toen het slachtoffer aangaf dat hij zich niet prettig voelde, is verdachte direct gestopt. Ook heeft hij direct zijn excuses aangeboden. Ter zitting toonde de verdachte zich ook schuldbewust. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met de oplegging van taakstraf van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een gevangenisstraf van 1 dag. Nu verdachte zelf ook belang hecht aan het meer inzichtelijk maken van zijn handelen en drijfveren om te voorkomen dat hij in toekomst nogmaals de grens van anderen overgaat, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De opgelegde straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank het onderdeel dwang niet bewezen acht en meer dan de officier van justitie rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden. Gelet op het lage recidiverisico en het doorleefde gevoel van spijt en berouw bij verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding om een beroepsverbod aan verdachte op te leggen. Zij acht de opgelegde straf, waaronder een ambulante behandeling, voldoende om het lage risico ook in de toekomst te waarborgen. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is goed onderbouwd en behandeling ervan levert geen onevenredige belasting van het strafproces op. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij. Verdachte zelf heeft aangegeven dat hij bereid is het gevorderde bedrag te betalen als de rechtbank dit oordeelt. Overweging van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De aard en ernst van de normschending brengt mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat de benadeelde partij hiermee op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waarmee aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de categorie ‘ernstig’ zoals opgenomen in ‘De Rotterdamse Schaal’ als het gaat om geestelijk letsel als gevolg van een aanranding. Het ging om een eenmalige aanranding waarbij verdachte het ontblote geslachtsdeel heeft betast en afgetrokken. Bij de genoemde categorie wordt als uitgangspunt een schadevergoeding tussen de € 1.000,00 en € 5.000,00 gehanteerd. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de aard en ernst van de handelingen en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat het ging om een kortstondig moment en dat verdachte direct is gestopt op het moment dat de benadeelde aangaf zich niet prettig te voelen bij de gedragingen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank aan de benadeelde partij een smartengeld van € 1.500,00 toekennen. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag vanaf 29 augustus 2025. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De proceskosten worden tot op heden begroot op nul. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 36f, 241 en 254 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag ; legt op een taakstraf van 150 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 50 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van de volgende voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: - zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen telefonisch nadat de proeftijd is ingegaan bij de Reclassering Nederland, locatie Arnhem op het telefoonnummer 088 804 1401; - gedurende zijn proeftijd meewerkt aan het opstellen van een delictanalyse en meewerkt aan een daaruit voortvloeiende behandeling door forensische polikliniek Kairos, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Deze behandeling start zo snel als mogelijk is en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Volledig
Hij werd niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en de reclassering schat in dat sprake is geweest van een incident, voortkomend uit een verkeerde interpretatie van signalen van aangever en dat daarom sprake is van een laag recidiverisico. Desondanks acht de reclassering een plan van aanpak geïndiceerd. Niet om het risico op herhaling verder te verlagen, maar om inzicht te krijgen in het grensoverschrijdende delictgedrag van verdachte, met name omdat verdachte werkzaam wil blijven als masseur. De reclassering heeft daarnaast een beroepsverbod overwogen, maar concludeert dat zij niet kan toezien op dit verbod. De inschatting is dat verdachte meer baat heeft bij een kortdurende behandeling waarbij inzicht wordt verkregen in zijn gedrag door middel van een delictanalyse. Daaropvolgend kunnen behandelingen plaatsvinden, waarmee verdachte zijn zelfcontrole leert te verbeteren, risicosituaties leert te herkennen en grensoverschrijdend gedrag leert te voorkomen. Verdachte heeft zowel bij de reclassering als op de terechtzitting aangegeven hiervoor open te staan. De rechtbank stelt voorop dat het taakstrafverbod ex artikel 22b Sr van toepassing is. Bij dit soort strafbare feiten past in beginsel ook de oplegging van een gevangenisstraf. Daartegenover ziet de rechtbank een verdachte die niet eerder in aanraking is geweest met politie en justitie. Het voorval betrof één kortdurend moment waarop verdachte toegaf aan zijn lustgevoelens. Toen het slachtoffer aangaf dat hij zich niet prettig voelde, is verdachte direct gestopt. Ook heeft hij direct zijn excuses aangeboden. Ter zitting toonde de verdachte zich ook schuldbewust. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank worden volstaan met de oplegging van taakstraf van 150 uren, waarvan 50 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een gevangenisstraf van 1 dag. Nu verdachte zelf ook belang hecht aan het meer inzichtelijk maken van zijn handelen en drijfveren om te voorkomen dat hij in toekomst nogmaals de grens van anderen overgaat, zal de rechtbank aan het voorwaardelijke deel van de straf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals geadviseerd door de reclassering. De opgelegde straf is lager dan de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank het onderdeel dwang niet bewezen acht en meer dan de officier van justitie rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden. Gelet op het lage recidiverisico en het doorleefde gevoel van spijt en berouw bij verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding om een beroepsverbod aan verdachte op te leggen. Zij acht de opgelegde straf, waaronder een ambulante behandeling, voldoende om het lage risico ook in de toekomst te waarborgen. 8 De beoordeling van de civiele vordering De benadeelde partij [aangever] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.500,00 aan smartengeld, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht. Standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De vordering is goed onderbouwd en behandeling ervan levert geen onevenredige belasting van het strafproces op. De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering van de benadeelde partij. Verdachte zelf heeft aangegeven dat hij bereid is het gevorderde bedrag te betalen als de rechtbank dit oordeelt. Overweging van de rechtbank Naar het oordeel van de rechtbank is vast komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Door de gedragingen van verdachte is de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij geschonden. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De aard en ernst van de normschending brengt mee dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen dat de benadeelde partij hiermee op andere wijze in zijn persoon is aangetast, waarmee aan de wettelijke vereisten zoals genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek is voldaan. Bij het bepalen van de hoogte van de immateriële schade zoekt de rechtbank aansluiting bij de categorie ‘ernstig’ zoals opgenomen in ‘De Rotterdamse Schaal’ als het gaat om geestelijk letsel als gevolg van een aanranding. Het ging om een eenmalige aanranding waarbij verdachte het ontblote geslachtsdeel heeft betast en afgetrokken. Bij de genoemde categorie wordt als uitgangspunt een schadevergoeding tussen de € 1.000,00 en € 5.000,00 gehanteerd. De rechtbank houdt daarnaast rekening met de aard en ernst van de handelingen en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te wijzen. In het bijzonder weegt de rechtbank mee dat het ging om een kortstondig moment en dat verdachte direct is gestopt op het moment dat de benadeelde aangaf zich niet prettig te voelen bij de gedragingen. Naar maatstaven van billijkheid zal de rechtbank aan de benadeelde partij een smartengeld van € 1.500,00 toekennen. Verdachte is wettelijke rente verschuldigd over dit bedrag vanaf 29 augustus 2025. De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen. De proceskosten worden tot op heden begroot op nul. 9 De toegepaste wettelijke bepalingen De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22b, 22c, 22d, 36f, 241 en 254 van het Wetboek van Strafrecht. 10 De beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan; verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij; verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’; verklaart verdachte hiervoor strafbaar; veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag ; legt op een taakstraf van 150 uren , met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 dagen; bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf, te weten 50 uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd , tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van de volgende voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald; stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte: - zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen telefonisch nadat de proeftijd is ingegaan bij de Reclassering Nederland, locatie Arnhem op het telefoonnummer 088 804 1401; - gedurende zijn proeftijd meewerkt aan het opstellen van een delictanalyse en meewerkt aan een daaruit voortvloeiende behandeling door forensische polikliniek Kairos, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Deze behandeling start zo snel als mogelijk is en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag.