Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-05-07
ECLI:NL:RBGEL:2026:3604
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
16,084 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3604 text/xml public 2026-05-15T10:44:50 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-07 AWB-24_7604 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3604 text/html public 2026-05-15T10:44:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3604 Rechtbank Gelderland , 07-05-2026 / AWB-24_7604 De medische grondslag en de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit zijn pas in beroep van een deugdelijke en volledige motivering voorzien. Zowel aan de medische grondslag, als aan de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit kleven dus een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet, waar het gaat om de arbeidsdeskundige grondslag, geen ruimte om de schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dit, omdat het in beroep gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage en de in beroep gewijzigde resterende verdiencapaciteit niet in een besluit zijn vastgelegd. Deze aspecten behelzen een wijziging in de rechtspositie van eiseres ten opzichte van het bestreden besluit en het primaire besluit. Gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/7604 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. C.M.A. Mertens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. O. Yazici). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de arbeidsongeschiktheid van eiseres. Eiseres is het niet eens met de voor haar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Zij is van mening dat zij meer beperkt is dan is aangenomen en dat zij de geduide functies niet kan verrichten. In het kader daarvan voert zij een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de juistheid van het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De medische grondslag van het bestreden besluit heeft het UWV pas in beroep op deugdelijke wijze gemotiveerd. Datzelfde geldt voor de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit. Ten aanzien deze grondslag is de rechtbank van oordeel dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage en de resterende verdiencapaciteit had moeten vastleggen in een besluit, omdat deze aspecten de rechtspositie van eiseres wijzigen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 1 augustus 2023 is aan eiseres vanaf 20 mei 2023 op grond van de Wet WIA een loongerelateerde WGA -uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 70,08 %. 2.1. Op 11 januari 2024 heeft eiseres aan het UWV doorgegeven dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. 2.2. Met het besluit van 10 juli 2024 heeft het UWV bepaald dat eiseres meer kan werken, omdat zij 40,50% arbeidsongeschikt is. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 2.232,86. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. 2.3. Tegen het besluit van 10 juli 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 september 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en eiseres vanaf 28 mei 2024 61,84 % arbeidsongeschikt geacht. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 1.432,02. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. 2.4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft een expertiserapport van Triage van 20 juni 2025 en een aanvulling daarop van 31 oktober 2025 in de procedure gebracht. Bij brief van 19 november 2025, voorzien van foto’s, heeft eiseres haar beroep aangevuld. 2.5. Het UWV heeft op 5 november 2024 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 25 september 2025 heeft het UWV gereageerd op het expertiserapport van 20 juni 2025 en daarbij een medische rapportage in de beroepsprocedure van 11 september 2025, inclusief FML van 16 september 2025, en een arbeidsdeskundig onderzoeksrapport in beroep van 23 september 2025 meegezonden. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet gewijzigd. Bij brief van 25 november 2025 heeft het UWV in reactie op het aanvullende expertiserapport van Triage van 31 oktober 2025, medische rapportages in beroep van 12 november 2025 respectievelijk 21 november 2025, twee maal een FML van 12 november 2025 en van 21 november 2025 en een arbeidsdeskundig onderzoeksrapport van 20 november 2025 in de procedure gebracht. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet gewijzigd. Bij brief van 28 november 2025 heeft het UWV, onder verwijzing naar een meegezonden arbeidsdeskundig onderzoeksrapport in beroep van 28 november 2025, gereageerd op de aanvullende gronden van eiseres van 19 november 2025. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd van 61,84 % naar 64,78 %. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 1.321,57. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 3. Eiseres was werkzaam als buschauffeur bij [naam bedrijf 1] voor 40 uur per week, toen zij zich begin februari 2021 ziek meldde. Na een wervelkanaal stenose in februari 2021 ontstond er een zware terugval, die uiteindelijk is toegerekend aan restschade en in het verleden ondergane ingrepen tegen rugklachten. Behandeling door de pijnpoli gaf geen resultaat. Eiseres werd verwezen naar revalidatie, maar staakte het traject vanwege de psychologische belasting. Eiseres re-integreerde in het tweede jaar van de wachttijd in het zogenoemde ‘Spoor 2’ via een proefplaatsing gevolgd door een detachering in de functie van HR medewerker bij [naam bedrijf 2] B.V.. 3.1. Eiseres heeft op 3 november 2022 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het re-integratie resultaat is op 31 januari 2023 als bevredigend beoordeeld. 3.2. Op 25 januari 2023 is aan eiseres vanaf 2 februari 2023 een no-riskverklaring toegekend. 3.3. Na het verstrijken van de wachttijd is eiseres in dienst getreden bij [naam bedrijf 2] B.V. voor 40 uur per week. 3.4. De aanvraag voor een WIA-uitkering per 2 februari 2023 is bij besluit van 1 augustus 2023 afgewezen. 3.5. Op 20 mei 2023 heeft eiseres zich ziek gemeld, na een motorongeval. Daardoor zijn beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak, waarvoor eiseres de wachttijd heeft volgemaakt, toegenomen. 3.6. Bij besluit van 1 augustus 2023 is aan eiseres vanaf 20 mei 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,08 %. 3.7. Tegen de besluitvorming hierboven genoemd in 3.4 en 3.6, heeft eiseres geen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. 3.8. Op 11 januari 2024 heeft eiseres aan het UWV doorgegeven dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Hierna is de besluitvorming gevolgd zoals weergegeven onder het procesverloop. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Met het besluit van 10 juli 2024 heeft het UWV geoordeeld dat eiseres meer kan werken, omdat zij 40,50% arbeidsongeschikt is. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering is niet gewijzigd. Hieraan liggen ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts van 28 mei 2024, de door de verzekeringsarts opgemaakte FML van 28 mei 2024 en de FML van 12 juni 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 14 juni 2024. 4.1. De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur van 28 mei 2024. De verzekeringsarts heeft in het rapport overwogen dat grotendeels sprake is van dezelfde medische problematiek als tijdens de laatste WIA-beoordeling in 2023.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3604 text/xml public 2026-05-15T10:44:50 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-05-07 AWB-24_7604 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3604 text/html public 2026-05-15T10:44:18 2026-05-15 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3604 Rechtbank Gelderland , 07-05-2026 / AWB-24_7604 De medische grondslag en de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit zijn pas in beroep van een deugdelijke en volledige motivering voorzien. Zowel aan de medische grondslag, als aan de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit kleven dus een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet, waar het gaat om de arbeidsdeskundige grondslag, geen ruimte om de schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dit, omdat het in beroep gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage en de in beroep gewijzigde resterende verdiencapaciteit niet in een besluit zijn vastgelegd. Deze aspecten behelzen een wijziging in de rechtspositie van eiseres ten opzichte van het bestreden besluit en het primaire besluit. Gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/7604 uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen [eiseres], uit [plaats], eiseres (gemachtigde: mr. C.M.A. Mertens), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen , het UWV (gemachtigde: mr. O. Yazici). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de arbeidsongeschiktheid van eiseres. Eiseres is het niet eens met de voor haar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Zij is van mening dat zij meer beperkt is dan is aangenomen en dat zij de geduide functies niet kan verrichten. In het kader daarvan voert zij een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de juistheid van het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De medische grondslag van het bestreden besluit heeft het UWV pas in beroep op deugdelijke wijze gemotiveerd. Datzelfde geldt voor de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit. Ten aanzien deze grondslag is de rechtbank van oordeel dat het UWV het arbeidsongeschiktheidspercentage en de resterende verdiencapaciteit had moeten vastleggen in een besluit, omdat deze aspecten de rechtspositie van eiseres wijzigen. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 1 augustus 2023 is aan eiseres vanaf 20 mei 2023 op grond van de Wet WIA een loongerelateerde WGA -uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van 70,08 %. 2.1. Op 11 januari 2024 heeft eiseres aan het UWV doorgegeven dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. 2.2. Met het besluit van 10 juli 2024 heeft het UWV bepaald dat eiseres meer kan werken, omdat zij 40,50% arbeidsongeschikt is. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 2.232,86. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. 2.3. Tegen het besluit van 10 juli 2024 heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij besluit van 24 september 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en eiseres vanaf 28 mei 2024 61,84 % arbeidsongeschikt geacht. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 1.432,02. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. 2.4. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft een expertiserapport van Triage van 20 juni 2025 en een aanvulling daarop van 31 oktober 2025 in de procedure gebracht. Bij brief van 19 november 2025, voorzien van foto’s, heeft eiseres haar beroep aangevuld. 2.5. Het UWV heeft op 5 november 2024 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 25 september 2025 heeft het UWV gereageerd op het expertiserapport van 20 juni 2025 en daarbij een medische rapportage in de beroepsprocedure van 11 september 2025, inclusief FML van 16 september 2025, en een arbeidsdeskundig onderzoeksrapport in beroep van 23 september 2025 meegezonden. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet gewijzigd. Bij brief van 25 november 2025 heeft het UWV in reactie op het aanvullende expertiserapport van Triage van 31 oktober 2025, medische rapportages in beroep van 12 november 2025 respectievelijk 21 november 2025, twee maal een FML van 12 november 2025 en van 21 november 2025 en een arbeidsdeskundig onderzoeksrapport van 20 november 2025 in de procedure gebracht. De mate van arbeidsongeschiktheid is niet gewijzigd. Bij brief van 28 november 2025 heeft het UWV, onder verwijzing naar een meegezonden arbeidsdeskundig onderzoeksrapport in beroep van 28 november 2025, gereageerd op de aanvullende gronden van eiseres van 19 november 2025. Het UWV heeft de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd van 61,84 % naar 64,78 %. De resterende verdiencapaciteit bedraagt € 1.321,57. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. 2.6. De rechtbank heeft het beroep op 3 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 3. Eiseres was werkzaam als buschauffeur bij [naam bedrijf 1] voor 40 uur per week, toen zij zich begin februari 2021 ziek meldde. Na een wervelkanaal stenose in februari 2021 ontstond er een zware terugval, die uiteindelijk is toegerekend aan restschade en in het verleden ondergane ingrepen tegen rugklachten. Behandeling door de pijnpoli gaf geen resultaat. Eiseres werd verwezen naar revalidatie, maar staakte het traject vanwege de psychologische belasting. Eiseres re-integreerde in het tweede jaar van de wachttijd in het zogenoemde ‘Spoor 2’ via een proefplaatsing gevolgd door een detachering in de functie van HR medewerker bij [naam bedrijf 2] B.V.. 3.1. Eiseres heeft op 3 november 2022 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend. Het re-integratie resultaat is op 31 januari 2023 als bevredigend beoordeeld. 3.2. Op 25 januari 2023 is aan eiseres vanaf 2 februari 2023 een no-riskverklaring toegekend. 3.3. Na het verstrijken van de wachttijd is eiseres in dienst getreden bij [naam bedrijf 2] B.V. voor 40 uur per week. 3.4. De aanvraag voor een WIA-uitkering per 2 februari 2023 is bij besluit van 1 augustus 2023 afgewezen. 3.5. Op 20 mei 2023 heeft eiseres zich ziek gemeld, na een motorongeval. Daardoor zijn beperkingen op grond van dezelfde ziekteoorzaak, waarvoor eiseres de wachttijd heeft volgemaakt, toegenomen. 3.6. Bij besluit van 1 augustus 2023 is aan eiseres vanaf 20 mei 2023 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 70,08 %. 3.7. Tegen de besluitvorming hierboven genoemd in 3.4 en 3.6, heeft eiseres geen bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. 3.8. Op 11 januari 2024 heeft eiseres aan het UWV doorgegeven dat haar gezondheidssituatie is verslechterd. Hierna is de besluitvorming gevolgd zoals weergegeven onder het procesverloop. Totstandkoming van het bestreden besluit 4. Met het besluit van 10 juli 2024 heeft het UWV geoordeeld dat eiseres meer kan werken, omdat zij 40,50% arbeidsongeschikt is. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering is niet gewijzigd. Hieraan liggen ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts van 28 mei 2024, de door de verzekeringsarts opgemaakte FML van 28 mei 2024 en de FML van 12 juni 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige van 14 juni 2024. 4.1. De verzekeringsarts heeft eiseres gezien op het spreekuur van 28 mei 2024. De verzekeringsarts heeft in het rapport overwogen dat grotendeels sprake is van dezelfde medische problematiek als tijdens de laatste WIA-beoordeling in 2023.
Volledig
De toegenomen belemmeringen die eiseres ervaart ten aanzien van tillen zijn aannemelijk bij de ziekte en te objectiveren middels bevindingen tijdens het onderzoek. Ook ziet de verzekeringsarts, gezien de ziekte en bijbehorende beperkingen, noodzaak om traplopen verder te beperken. Alle beperkingen, behoudens ten aanzien van tillen, zijn duurzaam. De ziekte betreft een structureel probleem, waarvoor geen behandelopties meer zijn. Voor de beperking ten aanzien van tillen krijgt eiseres nog behandeling, dus deze is niet duurzaam. 4.2. De arbeidsdeskundige is in het rapport van 14 juni 2024 uitgegaan van de FML van 12 juli 2024, waarin is aangenomen dat verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. De arbeidsdeskundige heeft de volgende functies geduid: schadecorrespondent (SBC-code: 516080), commercieel administratief medewerker (SBC- code 516110) en archiefmedewerker, (SBC-code 553020). Als reservefuncties zijn de volgende functies geselecteerd: administratief medewerker, correspondent (SBC-code: 515100) en telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code: 315174). De arbeidsdeskundige heeft een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,50 % berekend. 5. In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en eiseres 61,84 % arbeidsongeschikt geacht vanaf 28 mei 2024, bij een ongewijzigde hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering. Hieraan liggen ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 10 september 2024, de FML van 10 september 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 18 september 2024. 5.1. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht, eiseres medisch onderzocht op 10 september 2024 en overleg gevoerd met de juridisch medewerker van het UWV. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat uit medische informatie een toeneming van klachten en beperkingen blijkt na het motorongeval en dat uit lichamelijk onderzoek meer uitval blijkt. Eiseres heeft zowel beperkingen ten aanzien van de rug- en beenbelasting als ten aanzien van de arm- en handbelasting. De primaire verzekeringsarts heeft volgens de verzekeringsarts b&b rekening gehouden met de beperkingen door en na het motorongeval; er werd immers een FML opgesteld per 6 juli 2023 en deze werd qua rug-/beenbelasting ook van toepassing geacht vanaf januari 2024; er zijn geen medische feiten die onderbouwen dat er qua rug-/beenbelasting een significante wijziging is opgetreden (verslechtering) na mei/juli 2023. Wel acht de verzekeringsarts b&b zitten meer beperkt: geen uur achtereen in één houding; er moet mogelijkheid tot verzitten dan wel vertreden zijn. Qua tillen gaat het CBBS uit van tweehandig en voor, dicht bij het lichaam, tillen: vijf kilogram (kg) moet hiermee mogelijk zijn als eiseres éénhandig een tas van twee kg kan tillen, aldus de verzekeringsarts b&b. Gezien de ervaren pijnklachten en het slechte slapen acht de verzekeringsarts b&b maximaal circa vier uur en maximaal circa twintig uur per week mogelijk; dan is er voldoende tijd voor liggen, ter recuperatie. Qua prognose acht de verzekeringsarts b&b nog maar een geringe kans op verbetering aanwezig, gezien het beloop tot de datum van het onderzoek en de ingestelde behandelingen en gestelde diagnoses (met name aan de handen en polsen). De indeling in WPN3 duidt op pijn en beperkingen in activiteiten en participatie, met hierbij psychosociale problematiek die matige tot ernstige invloed heeft op het (ervaren) niveau van functioneren. Eiseres staat echter niet open voor psychotherapie. Eiseres geeft zelf invulling aan de door haar ervaren beperkingen. Maar de invulling op grond van het CBBS is een taak die bij de verzekeringsarts ligt. 5.2. De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapport van 18 september 2024 geconcludeerd dat alle geduide functies vervallen, omdat er in bezwaar een urenbeperking is vastgesteld van 22 uur per week. Een nieuwe CBBS-raadpleging leverde de volgende functies op: schadecorrespondent (SBC-code: 516080), archiefmedewerker (SBC-code: 553020) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code: 315100). Als reservefuncties zijn de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code: 111180) en medewerker KCC (SBC-code: 315174) geselecteerd. Medische grondslag Standpunt eiseres 6. In beroep voert eiseres aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Volgens eiseres zijn haar beperkingen door het UWV onderschat. Zij heeft een expertiserapport van Triage van 20 juni 2025 in de procedure gebracht. De expertisearts van Triage is van mening dat het UWV gericht onderzoek van de rug had dienen te verrichten. Eiseres verzoekt het UWV daartoe alsnog over te gaan. Volgens de expertisearts van Triage zijn op grond van de problematiek van de rug aanvullende /verdergaande beperkingen aangewezen ten aanzien van buigen (item 4.9 45 graden), torderen (item 4.11 twintig graden) en frequent buigen tijden het werk (item 4.10 sterk beperkt in plaats van beperkt). Daarnaast dient het zitten tijdens het werk (item 5.2) op de FML te worden beperkt tot zes uur per dag. Met betrekking tot het gebruik van de handen concludeert de expertisearts dat de knijp- en grijpkracht beperkt geacht had moeten worden (item 4.3.6). Bovendien dient een toilet met mogelijkheid van persoonlijke verzorging/verschoning in de buurt van de arbeidsplaats van eiseres aanwezig te zijn (item 3.10: specifieke voorwaarden voor aanpassing aan de fysieke arbeidsomgeving). Standpunt UWV 6.1. In reactie hierop heeft het UWV een aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b van 11 september 2025, inclusief FML van 16 september 2025, in de procedure gebracht. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres onderzocht en bevraagd. De verzekeringsarts b&b schrijft in haar rapport van 11 september 2025 dat zij niet kan meegaan in de forse rugbeperkingen die de expertisearts stelt. Bij het huidige onderzoek (eiseres geeft aan dat de situatie niet verbeterd is) is de flexie ruim 60 graden mogelijk. De torsie tot 45 graden. Ook bij het onderzoek van de revalidatiearts in januari 2023 wordt een goede rugbeweeglijkheid genoemd; het is onwaarschijnlijk dat het motorongeval nog forse vermindering van de rugfunctie geeft per datum in geding; er was immers geen sprake van rugletsel. Wel acht de verzekeringsarts b&b een grotere beperking ten aanzien van buigen van toepassing: geen 90 graden maar maximaal 60 graden en 50 keer per uur maar dan maximaal 45 graden. Qua torsie maximaal 45 graden. Het onderzoek van de revalidatiearts van oktober 2023 was overigens telefonisch; de klachten van eiseres werden uitgevraagd, maar verder vond geen objectivering van deze klachten plaats. De verzekeringsarts b&b schrijft dat eiseres nu links en rechts silversplints draagt, in tegenstelling tot op de datum in geding, toen had eiseres een smalle duimbrace rechts. De diagnose zal per datum in geding in essentie niet anders zijn: polsbewegingen waren ook per datum in geding rechts beperkt mogelijk, het buigen van het basisgewricht van de rechterduim was beperkt, duimtop kan en kon wel goed bewegen. Links wordt aangegeven dat sprake is van een ‘triggerduim’. Bedoeld zal zijn een zogenaamde skiduim: de klachten zijn immers begonnen na een ongeval. Een beschadiging/verrekking van de gewrichtsband aan de binnenzijde van de duim links is dan ook logischer. Bovendien horen de klachten die eiseres aangeeft niet bij een triggerfinger/-duim. Eisers ervaart klachten van kramp met daarbij vinger-/duimbewegingen naar alle kanten. Ook de klachten van rechts zijn niet passend bij een triggerfinger. Er zijn geen provocerende momenten voor de kramp in deze vinger, de vinger kan dan alle kanten op bewegen. Een duidelijke beperking in gebruik van de vinger kan de verzekeringsarts b&b dan ook niet aannemen. Eiseres kan met de splints beiderzijds de duim opponeren en buigen in de top; het basisgewricht van de duim is door de splint gefixeerd. Knijpkracht is mogelijk, als eiseres de duimtop buigt. Zij kan dan ook bijvoorbeeld een papiertje of pen vasthouden.
Volledig
De toegenomen belemmeringen die eiseres ervaart ten aanzien van tillen zijn aannemelijk bij de ziekte en te objectiveren middels bevindingen tijdens het onderzoek. Ook ziet de verzekeringsarts, gezien de ziekte en bijbehorende beperkingen, noodzaak om traplopen verder te beperken. Alle beperkingen, behoudens ten aanzien van tillen, zijn duurzaam. De ziekte betreft een structureel probleem, waarvoor geen behandelopties meer zijn. Voor de beperking ten aanzien van tillen krijgt eiseres nog behandeling, dus deze is niet duurzaam. 4.2. De arbeidsdeskundige is in het rapport van 14 juni 2024 uitgegaan van de FML van 12 juli 2024, waarin is aangenomen dat verbetering van de belastbaarheid niet of nauwelijks is te verwachten. De arbeidsdeskundige heeft de volgende functies geduid: schadecorrespondent (SBC-code: 516080), commercieel administratief medewerker (SBC- code 516110) en archiefmedewerker, (SBC-code 553020). Als reservefuncties zijn de volgende functies geselecteerd: administratief medewerker, correspondent (SBC-code: 515100) en telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code: 315174). De arbeidsdeskundige heeft een arbeidsongeschiktheidspercentage van 40,50 % berekend. 5. In het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en eiseres 61,84 % arbeidsongeschikt geacht vanaf 28 mei 2024, bij een ongewijzigde hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering. Hieraan liggen ten grondslag het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 10 september 2024, de FML van 10 september 2024 en het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 18 september 2024. 5.1. De verzekeringsarts b&b heeft dossieronderzoek verricht, eiseres medisch onderzocht op 10 september 2024 en overleg gevoerd met de juridisch medewerker van het UWV. De verzekeringsarts b&b heeft overwogen dat uit medische informatie een toeneming van klachten en beperkingen blijkt na het motorongeval en dat uit lichamelijk onderzoek meer uitval blijkt. Eiseres heeft zowel beperkingen ten aanzien van de rug- en beenbelasting als ten aanzien van de arm- en handbelasting. De primaire verzekeringsarts heeft volgens de verzekeringsarts b&b rekening gehouden met de beperkingen door en na het motorongeval; er werd immers een FML opgesteld per 6 juli 2023 en deze werd qua rug-/beenbelasting ook van toepassing geacht vanaf januari 2024; er zijn geen medische feiten die onderbouwen dat er qua rug-/beenbelasting een significante wijziging is opgetreden (verslechtering) na mei/juli 2023. Wel acht de verzekeringsarts b&b zitten meer beperkt: geen uur achtereen in één houding; er moet mogelijkheid tot verzitten dan wel vertreden zijn. Qua tillen gaat het CBBS uit van tweehandig en voor, dicht bij het lichaam, tillen: vijf kilogram (kg) moet hiermee mogelijk zijn als eiseres éénhandig een tas van twee kg kan tillen, aldus de verzekeringsarts b&b. Gezien de ervaren pijnklachten en het slechte slapen acht de verzekeringsarts b&b maximaal circa vier uur en maximaal circa twintig uur per week mogelijk; dan is er voldoende tijd voor liggen, ter recuperatie. Qua prognose acht de verzekeringsarts b&b nog maar een geringe kans op verbetering aanwezig, gezien het beloop tot de datum van het onderzoek en de ingestelde behandelingen en gestelde diagnoses (met name aan de handen en polsen). De indeling in WPN3 duidt op pijn en beperkingen in activiteiten en participatie, met hierbij psychosociale problematiek die matige tot ernstige invloed heeft op het (ervaren) niveau van functioneren. Eiseres staat echter niet open voor psychotherapie. Eiseres geeft zelf invulling aan de door haar ervaren beperkingen. Maar de invulling op grond van het CBBS is een taak die bij de verzekeringsarts ligt. 5.2. De arbeidsdeskundige b&b heeft in zijn rapport van 18 september 2024 geconcludeerd dat alle geduide functies vervallen, omdat er in bezwaar een urenbeperking is vastgesteld van 22 uur per week. Een nieuwe CBBS-raadpleging leverde de volgende functies op: schadecorrespondent (SBC-code: 516080), archiefmedewerker (SBC-code: 553020) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code: 315100). Als reservefuncties zijn de functies van productiemedewerker industrie (SBC-code: 111180) en medewerker KCC (SBC-code: 315174) geselecteerd. Medische grondslag Standpunt eiseres 6. In beroep voert eiseres aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is. Volgens eiseres zijn haar beperkingen door het UWV onderschat. Zij heeft een expertiserapport van Triage van 20 juni 2025 in de procedure gebracht. De expertisearts van Triage is van mening dat het UWV gericht onderzoek van de rug had dienen te verrichten. Eiseres verzoekt het UWV daartoe alsnog over te gaan. Volgens de expertisearts van Triage zijn op grond van de problematiek van de rug aanvullende /verdergaande beperkingen aangewezen ten aanzien van buigen (item 4.9 45 graden), torderen (item 4.11 twintig graden) en frequent buigen tijden het werk (item 4.10 sterk beperkt in plaats van beperkt). Daarnaast dient het zitten tijdens het werk (item 5.2) op de FML te worden beperkt tot zes uur per dag. Met betrekking tot het gebruik van de handen concludeert de expertisearts dat de knijp- en grijpkracht beperkt geacht had moeten worden (item 4.3.6). Bovendien dient een toilet met mogelijkheid van persoonlijke verzorging/verschoning in de buurt van de arbeidsplaats van eiseres aanwezig te zijn (item 3.10: specifieke voorwaarden voor aanpassing aan de fysieke arbeidsomgeving). Standpunt UWV 6.1. In reactie hierop heeft het UWV een aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b van 11 september 2025, inclusief FML van 16 september 2025, in de procedure gebracht. De verzekeringsarts b&b heeft eiseres onderzocht en bevraagd. De verzekeringsarts b&b schrijft in haar rapport van 11 september 2025 dat zij niet kan meegaan in de forse rugbeperkingen die de expertisearts stelt. Bij het huidige onderzoek (eiseres geeft aan dat de situatie niet verbeterd is) is de flexie ruim 60 graden mogelijk. De torsie tot 45 graden. Ook bij het onderzoek van de revalidatiearts in januari 2023 wordt een goede rugbeweeglijkheid genoemd; het is onwaarschijnlijk dat het motorongeval nog forse vermindering van de rugfunctie geeft per datum in geding; er was immers geen sprake van rugletsel. Wel acht de verzekeringsarts b&b een grotere beperking ten aanzien van buigen van toepassing: geen 90 graden maar maximaal 60 graden en 50 keer per uur maar dan maximaal 45 graden. Qua torsie maximaal 45 graden. Het onderzoek van de revalidatiearts van oktober 2023 was overigens telefonisch; de klachten van eiseres werden uitgevraagd, maar verder vond geen objectivering van deze klachten plaats. De verzekeringsarts b&b schrijft dat eiseres nu links en rechts silversplints draagt, in tegenstelling tot op de datum in geding, toen had eiseres een smalle duimbrace rechts. De diagnose zal per datum in geding in essentie niet anders zijn: polsbewegingen waren ook per datum in geding rechts beperkt mogelijk, het buigen van het basisgewricht van de rechterduim was beperkt, duimtop kan en kon wel goed bewegen. Links wordt aangegeven dat sprake is van een ‘triggerduim’. Bedoeld zal zijn een zogenaamde skiduim: de klachten zijn immers begonnen na een ongeval. Een beschadiging/verrekking van de gewrichtsband aan de binnenzijde van de duim links is dan ook logischer. Bovendien horen de klachten die eiseres aangeeft niet bij een triggerfinger/-duim. Eisers ervaart klachten van kramp met daarbij vinger-/duimbewegingen naar alle kanten. Ook de klachten van rechts zijn niet passend bij een triggerfinger. Er zijn geen provocerende momenten voor de kramp in deze vinger, de vinger kan dan alle kanten op bewegen. Een duidelijke beperking in gebruik van de vinger kan de verzekeringsarts b&b dan ook niet aannemen. Eiseres kan met de splints beiderzijds de duim opponeren en buigen in de top; het basisgewricht van de duim is door de splint gefixeerd. Knijpkracht is mogelijk, als eiseres de duimtop buigt. Zij kan dan ook bijvoorbeeld een papiertje of pen vasthouden.
Volledig
Tenslotte overweegt de verzekeringsarts b&b dat eiseres geen dan wel geen groot incontinentiemateriaal draagt. Een toilet dient conform Arbowetgeving aanwezig te zijn, inclusief een mogelijkheid tot handen wassen. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding tot een extra beperking daarvoor. 6.1.1. In de FML van 16 september 2025 heeft de verzekeringsarts b&b aanvullende beperkingen opgenomen en een aantal toelichtingen aangescherpt. Aanvullend standpunt eiseres 6.2. In het aanvullend rapport van Triage van 31 oktober 2025 betoogt de expertisearts dat de verzekeringsarts b&b niet is ingegaan op de door de expertisearts van Triage bepleite verdergaande beperking ten aanzien van ‘zitten tijdens het werk’. De expertisearts van Triage wijst er verder op dat het ‘frequent buigen tijdens het werk’ in de rapportage van verzekeringsarts b&b van 11 september 2025 verdergaand beperkt wordt geacht, namelijk tot 50 keer per uur 45 graden, maar dat dit niet is doorgevoerd in de FML van 16 september 2025, aangezien daarin (ongewijzigd) 150 keer per uur is vermeld. Dit komt overeen met ‘beperkt’, waar 50 keer per uur buigen had moet leiden tot de kwalificatie ‘sterk beperkt’. De expertisearts van Triage vindt dat de FML dient te worden aangepast en dat op basis van de nieuwe FML hernieuwd arbeidsdeskundig onderzoek moet worden verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per datum in geding 28 mei 2024. Aanvullend standpunt UWV 6.2.1. In het rapport van 12 november 2025 en de (k)FML van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts b&b conform het aanvullend rapport van de expertisearts van Triage en overeenkomstig de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts b&b in het rapport van 11 september 2025, aanvullende beperkingen aangenomen op ‘zitten tijdens het werk (2 beperkt, kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag zitten (ongeveer vier uur)’, met de toelichting: ‘tot circa zes uur per werkdag’ en op ‘frequent buigen tijdens het werk (3 sterk beperkt, kan zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 50 keer buigen)’. In het rapport van 21 november 2025 en de (k)FML van dezelfde datum is de al in de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 september 2025 vermelde toelichting op ‘frequent buiten tijdens het werk’, te weten ’tot 45 graden’ toegevoegd. Standpunt eiseres tijdens de zitting 6.3. Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven dat het medisch onderzoekstraject van het UWV uiteindelijk wel zorgvuldig is geweest, maar dat de verzekeringsarts b&b te weinig beperkingen heeft aangenomen. Eiseres acht zich volledig arbeidsongeschikt en is van mening dat zij in het geheel niet kan werken. Het geschil spitst zich toe op de urenbeperking, die volgens eiseres onvoldoende is, en op de handklachten, die volgens eiseres zijn onderschat. Oordeel rechtbank 6.4. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b met de medische rapporten in beroep gevoegd bij het rapport dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, de belastbaarheid van eiseres volledig en op overtuigende wijze heeft toegelicht. Ten tijde van de zitting in beroep verschillen de door eiseres ingeschakelde expertisearts van Triage en de verzekeringsarts b&b ook niet (meer) van mening over de aangenomen beperkingen van eiseres per de datum in geding van 28 mei 2024. 6.4.1. Eiseres herkent zich niet in de conclusies van de verzekeringsarts b&b. Eiseres is gelet op haar klachten van mening dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen en dat zij op 28 mei 2024 volledig arbeidsongeschikt was. 6.4.2. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de beleving van eiseres van haar klachten, betekent het hebben van klachten nog niet dat er ook (ernstigere) beperkingen moeten worden aangenomen. De beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen bij eiseres zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn daarbij van belang. 6.4.3. Deze medisch te objectiveren beperkingen moeten blijken uit medische informatie. Zoals de gemachtigde van eiseres tijdens de zitting ook heeft erkend, heeft eiseres haar standpunt dat zij meer beperkt is dan (uiteindelijk) is aangenomen door de verzekeringsarts b&b, niet onderbouwd aan de hand van medische stukken waarin daarvoor aanknopingspunten zijn te vinden. Zij heeft geen stukken in de procedure gebracht die onderbouwen dat op de datum in geding een zwaardere urenbeperking in de rede lag. Ook heeft zij geen medische stukken in de procedure gebracht die erop duiden dat op de datum in geding meer beperkingen voor handklachten moeten worden aangenomen. Eiseres heeft bij brief van 19 november 2025 wel foto’s ingebracht van silversplints aan beide handen en tijdens de zitting gewezen op pagina 11 van het rapport van Triage van 20 juni 2025, waar is vermeld dat sprake is van instabiliteit en beginnende artrose. De rechtbank is echter van oordeel dat de gemachtigde van het UWV er tijdens de zitting terecht op heeft gewezen dat het dragen van silversplints links en rechts en de voornoemde klachten dateren van na de datum in geding. Dit blijkt ook uit de formulering in het rapport van Triage van 20 juni 2025, waar wordt aangegeven (onderstrepingen zijn aangebracht door de rechtbank): “ Thans zijn er vooral klachten ter hoogte van de handwortelbeentjes aan de duimzijde, waarbij wordt geschreven over instabiliteit en beginnende artrose, waar pijnklachten zich eerder bevonden over de (buig)pees/-pezen.” Deze moeten om die reden buiten beschouwing blijven in de onderhavige beoordeling. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is om aan het oordeel van de verzekeringsarts b&b te twijfelen, gelet op het ontbreken van andersluidende informatie. 6.4.4. Eiseres moet daarom vanaf 28 mei 2024 in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 12 november 2025 en de FML van 21 november 2025. 6.4.5. Wel stelt de rechtbank vast dat, nu het bestreden besluit pas in de fase van beroep wat betreft de medische grondslag is voorzien van een volledige en deugdelijke motivering, aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek kleven. De rechtbank komt hier in overweging 11 op terug. Arbeidsdeskundige grondslag Naar aanleiding van standpunt weergegeven in 6.1 7. Naar aanleiding van het aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b van 11 september 2025, inclusief FML van 16 september 2025, heeft de arbeidsdeskundige b&b op 23 september 2025 gerapporteerd. In dit rapport concludeert de arbeidsdeskundige b&b dat ondanks de gewijzigde FML in beroep van 16 september 2025, alle in bezwaar geduide functies in beroep ook passend en geschikt blijven. Voor alle functies geldt dat er een toilet in de nabijheid is volgens de Arbowetgeving. Er zijn geen overschrijdingen in hand-/vingergebruik. Het zijn geen functies waarbij eiseres met de rechterpols niet naar de handpalm moet bewegen. Geen overschrijdingen in torderen. Het zijn allemaal fysiek lichte functies zonder zware handbelasting. Na overleg met de verzekeringsarts b&b op 23 september 2025 zijn alle geduide functies in beroep akkoord bevonden. Naar aanleiding van standpunt UWV weergegeven in 6.2.1 7.1. Naar aanleiding van de aanvullende rapporten van de verzekeringsarts b&b van 12 november 2025, inclusief de FML van dezelfde datum en van 21 november 2025, inclusief de FML van die datum, heeft de arbeidsdeskundige b&b in het rapport van 20 november 2025 geconcludeerd dat de geduide functies van 23 september 2025 passend en geschikt zijn per 28 mei 2024. In geen van de geduide functies hoeft eiseres meer dan 50 keer per uur te buigen. In de brief van 25 november 2025 heeft het UWV hieraan toegevoegd dat er niet meer dan 45 graden gebogen hoeft te worden. Daarnaast merkt de arbeidsdeskundige b&b op dat eiseres door de urenbeperking van vier uur per dag (tot maximaal 22 uur per week) nooit langer dan zes uur per dag zit. Standpunt eiseres 8.
Volledig
Tenslotte overweegt de verzekeringsarts b&b dat eiseres geen dan wel geen groot incontinentiemateriaal draagt. Een toilet dient conform Arbowetgeving aanwezig te zijn, inclusief een mogelijkheid tot handen wassen. De verzekeringsarts b&b ziet geen aanleiding tot een extra beperking daarvoor. 6.1.1. In de FML van 16 september 2025 heeft de verzekeringsarts b&b aanvullende beperkingen opgenomen en een aantal toelichtingen aangescherpt. Aanvullend standpunt eiseres 6.2. In het aanvullend rapport van Triage van 31 oktober 2025 betoogt de expertisearts dat de verzekeringsarts b&b niet is ingegaan op de door de expertisearts van Triage bepleite verdergaande beperking ten aanzien van ‘zitten tijdens het werk’. De expertisearts van Triage wijst er verder op dat het ‘frequent buigen tijdens het werk’ in de rapportage van verzekeringsarts b&b van 11 september 2025 verdergaand beperkt wordt geacht, namelijk tot 50 keer per uur 45 graden, maar dat dit niet is doorgevoerd in de FML van 16 september 2025, aangezien daarin (ongewijzigd) 150 keer per uur is vermeld. Dit komt overeen met ‘beperkt’, waar 50 keer per uur buigen had moet leiden tot de kwalificatie ‘sterk beperkt’. De expertisearts van Triage vindt dat de FML dient te worden aangepast en dat op basis van de nieuwe FML hernieuwd arbeidsdeskundig onderzoek moet worden verricht naar de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per datum in geding 28 mei 2024. Aanvullend standpunt UWV 6.2.1. In het rapport van 12 november 2025 en de (k)FML van dezelfde datum heeft de verzekeringsarts b&b conform het aanvullend rapport van de expertisearts van Triage en overeenkomstig de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts b&b in het rapport van 11 september 2025, aanvullende beperkingen aangenomen op ‘zitten tijdens het werk (2 beperkt, kan zo nodig gedurende de helft van de werkdag zitten (ongeveer vier uur)’, met de toelichting: ‘tot circa zes uur per werkdag’ en op ‘frequent buigen tijdens het werk (3 sterk beperkt, kan zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 50 keer buigen)’. In het rapport van 21 november 2025 en de (k)FML van dezelfde datum is de al in de rapportage van de verzekeringsarts b&b van 11 september 2025 vermelde toelichting op ‘frequent buiten tijdens het werk’, te weten ’tot 45 graden’ toegevoegd. Standpunt eiseres tijdens de zitting 6.3. Tijdens de zitting heeft eiseres aangegeven dat het medisch onderzoekstraject van het UWV uiteindelijk wel zorgvuldig is geweest, maar dat de verzekeringsarts b&b te weinig beperkingen heeft aangenomen. Eiseres acht zich volledig arbeidsongeschikt en is van mening dat zij in het geheel niet kan werken. Het geschil spitst zich toe op de urenbeperking, die volgens eiseres onvoldoende is, en op de handklachten, die volgens eiseres zijn onderschat. Oordeel rechtbank 6.4. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts b&b met de medische rapporten in beroep gevoegd bij het rapport dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, de belastbaarheid van eiseres volledig en op overtuigende wijze heeft toegelicht. Ten tijde van de zitting in beroep verschillen de door eiseres ingeschakelde expertisearts van Triage en de verzekeringsarts b&b ook niet (meer) van mening over de aangenomen beperkingen van eiseres per de datum in geding van 28 mei 2024. 6.4.1. Eiseres herkent zich niet in de conclusies van de verzekeringsarts b&b. Eiseres is gelet op haar klachten van mening dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen en dat zij op 28 mei 2024 volledig arbeidsongeschikt was. 6.4.2. Deze beroepsgrond van eiseres slaagt niet. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de beleving van eiseres van haar klachten, betekent het hebben van klachten nog niet dat er ook (ernstigere) beperkingen moeten worden aangenomen. De beleving van klachten is volgens vaste rechtspraak namelijk niet beslissend bij de beantwoording van de vraag welke beperkingen bij eiseres zijn vast te stellen. Alleen de medisch te objectiveren beperkingen zijn daarbij van belang. 6.4.3. Deze medisch te objectiveren beperkingen moeten blijken uit medische informatie. Zoals de gemachtigde van eiseres tijdens de zitting ook heeft erkend, heeft eiseres haar standpunt dat zij meer beperkt is dan (uiteindelijk) is aangenomen door de verzekeringsarts b&b, niet onderbouwd aan de hand van medische stukken waarin daarvoor aanknopingspunten zijn te vinden. Zij heeft geen stukken in de procedure gebracht die onderbouwen dat op de datum in geding een zwaardere urenbeperking in de rede lag. Ook heeft zij geen medische stukken in de procedure gebracht die erop duiden dat op de datum in geding meer beperkingen voor handklachten moeten worden aangenomen. Eiseres heeft bij brief van 19 november 2025 wel foto’s ingebracht van silversplints aan beide handen en tijdens de zitting gewezen op pagina 11 van het rapport van Triage van 20 juni 2025, waar is vermeld dat sprake is van instabiliteit en beginnende artrose. De rechtbank is echter van oordeel dat de gemachtigde van het UWV er tijdens de zitting terecht op heeft gewezen dat het dragen van silversplints links en rechts en de voornoemde klachten dateren van na de datum in geding. Dit blijkt ook uit de formulering in het rapport van Triage van 20 juni 2025, waar wordt aangegeven (onderstrepingen zijn aangebracht door de rechtbank): “ Thans zijn er vooral klachten ter hoogte van de handwortelbeentjes aan de duimzijde, waarbij wordt geschreven over instabiliteit en beginnende artrose, waar pijnklachten zich eerder bevonden over de (buig)pees/-pezen.” Deze moeten om die reden buiten beschouwing blijven in de onderhavige beoordeling. De rechtbank concludeert dat er geen aanleiding is om aan het oordeel van de verzekeringsarts b&b te twijfelen, gelet op het ontbreken van andersluidende informatie. 6.4.4. Eiseres moet daarom vanaf 28 mei 2024 in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 12 november 2025 en de FML van 21 november 2025. 6.4.5. Wel stelt de rechtbank vast dat, nu het bestreden besluit pas in de fase van beroep wat betreft de medische grondslag is voorzien van een volledige en deugdelijke motivering, aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek kleven. De rechtbank komt hier in overweging 11 op terug. Arbeidsdeskundige grondslag Naar aanleiding van standpunt weergegeven in 6.1 7. Naar aanleiding van het aanvullend rapport van de verzekeringsarts b&b van 11 september 2025, inclusief FML van 16 september 2025, heeft de arbeidsdeskundige b&b op 23 september 2025 gerapporteerd. In dit rapport concludeert de arbeidsdeskundige b&b dat ondanks de gewijzigde FML in beroep van 16 september 2025, alle in bezwaar geduide functies in beroep ook passend en geschikt blijven. Voor alle functies geldt dat er een toilet in de nabijheid is volgens de Arbowetgeving. Er zijn geen overschrijdingen in hand-/vingergebruik. Het zijn geen functies waarbij eiseres met de rechterpols niet naar de handpalm moet bewegen. Geen overschrijdingen in torderen. Het zijn allemaal fysiek lichte functies zonder zware handbelasting. Na overleg met de verzekeringsarts b&b op 23 september 2025 zijn alle geduide functies in beroep akkoord bevonden. Naar aanleiding van standpunt UWV weergegeven in 6.2.1 7.1. Naar aanleiding van de aanvullende rapporten van de verzekeringsarts b&b van 12 november 2025, inclusief de FML van dezelfde datum en van 21 november 2025, inclusief de FML van die datum, heeft de arbeidsdeskundige b&b in het rapport van 20 november 2025 geconcludeerd dat de geduide functies van 23 september 2025 passend en geschikt zijn per 28 mei 2024. In geen van de geduide functies hoeft eiseres meer dan 50 keer per uur te buigen. In de brief van 25 november 2025 heeft het UWV hieraan toegevoegd dat er niet meer dan 45 graden gebogen hoeft te worden. Daarnaast merkt de arbeidsdeskundige b&b op dat eiseres door de urenbeperking van vier uur per dag (tot maximaal 22 uur per week) nooit langer dan zes uur per dag zit. Standpunt eiseres 8.
Volledig
Eiseres heeft in de brief van 19 november 2025 betoogd dat zij niet voldoet aan de diploma-eisen die gelden voor de geduide functies van schadeadviseur en archiefmedewerker. Zij heeft de LEAO afgesloten met een diploma. Zij heeft een drie maanden durende cursus ‘Transport ondernemen’ in Engeland gevolgd en daarvan heeft zij een certificaat. Dit certificaat kan volgens eiseres niet gelijkgesteld worden met een MBO 4 opleiding die doorgaans enkele jaren duurt. Daarnaast heeft zij enkel een eenjarige opleiding tot pedicure gevolgd en afgesloten met een diploma. Standpunt UWV 8.1. Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft de arbeidsdeskundige b&b in het rapport van 28 november 2025 de functie van schadecorrespondent laten vervallen, omdat eiseres met de eenjarige opleiding tot pedicure en de cursus Transport ondernemen van drie maanden niet beschikt over een MBO 4 diploma. De functie van archiefmedewerker acht de arbeidsdeskundige b&b wel passend en geschikt, omdat in die functie een MBO 3 diploma wordt gevraagd en eiseres na het behalen van het LEAO diploma, het MBO 3 diploma tot pedicure (één jaar) heeft behaald en ook nog eens de cursus Transport ondernemen in Engeland na drie maanden succesvol heeft afgerond. Naast het gegeven dat eiseres feitelijk een MBO 3 diploma heeft behaald, kan volgens de arbeidsdeskundige b&b ook op grond van haar ervaringen als zelfstandige, als administratieve kracht en als receptioniste gesteld worden dat zij tenminste op niveau 4 functioneert. De volgende functies blijven geschikt: archiefmedewerker (SBC-code: 553020), productiemedewerker industrie (SBC-code: 111180) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code: 315100). Daarnaast blijft de functie van telefonist callcenter (SBC code: 315174) geschikt. Als gevolg van het vervallen van de functie van schadecorrespondent is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres gewijzigd van 61,84% naar 64,78 %. De resterende verdiencapaciteit is gewijzigd van € 1.432,02 naar €1.321,57. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. Standpunt eiseres tijdens de zitting 9. Eiseres heeft tijdens de zitting de beroepsgrond gehandhaafd dat de functie van archiefmedewerker niet passend is. Zij stelt niet te beschikken over een MBO 3 diploma. Ook heeft eiseres aangevoerd dat zij de geduide functies niet kan verrichten. Oordeel rechtbank 10. De rechtbank stelt vast dat in de ‘Arbeidsmogelijkhedenlijst AO-criterium WIA’ is vermeld dat voor de functie van archiefmedewerker een diploma-eis geldt op MBO 3 niveau. De eenjarige opleiding tot pedicure, waarvan eiseres stelt een diploma te hebben, is een MBO 3 opleiding. De functie is om die reden passend. 10.1. Eiseres heeft tijdens de zitting betoogd zij de geduide functies niet kan verrichten, omdat zij vanwege haar hand- en vingerklachten niet kan werken met een toetsenbord en een muis. Voor zover eiseres daarmee bedoelt te betogen dat zij de geduide functies niet kan verrichten vanwege de klachten zoals bedoeld in overweging 6.4.3, verwijst de rechtbank naar deze overweging. De rechtbank heeft daarin al geoordeeld dat deze klachten dateren van na de datum in geding, zodat daarop bij de beoordeling van het onderhavige beroep geen acht kan worden geslagen. Voor wat betreft de belastbaarheid van eiseres kan worden uitgegaan van de functionele mogelijkheden zoals opgenomen in de FML van 12 november 2025 en van 21 november 2025. Eiseres heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld, dat de daarin aangenomen belastbaarheid op hand- en vingergebied, in de geduide functies wordt overschreden. 11. De rechtbank acht de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit pas in de fase van beroep door het UWV op deugdelijke en volledige wijze gemotiveerd. Net als aan de medische grondslag, kleven ook aan de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit dus een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen ruimte om de schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals in overweging 6.4.5 en hier geconstateerd, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dit, omdat het in beroep gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage en de in beroep gewijzigde resterende verdiencapaciteit niet in een besluit zijn vastgelegd, terwijl deze aspecten wel behoren tot de besluitvorming waarbij de loongerelateerde WGA-uitkering wordt vastgesteld. Deze aspecten behelzen een wijziging in de rechtspositie van eiseres ten opzichte van het bestreden besluit en het primaire besluit. 11.1. De rechtbank zal het beroep om die reden gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 28 mei 2024 64,78 % bedraagt en de resterende verdiencapaciteit per die datum € 1.321,57 per maand is, conform het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 28 november 2025. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep van eiseres is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen, te bepalen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 28 mei 2024 64,78 % bedraagt en de resterende verdiencapaciteit per die datum € 1.321,57 per maand bedraagt en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. 12.1. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiseres het griffierecht moet terugbetalen. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding voor de door eiseres gemaakte kosten van rechtsbijstand bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, gemaakt in bezwaar, is de rechtbank niet gebleken. 12.2 Daarnaast heeft eiseres verzocht om vergoeding van de kosten van inschakeling van de expertisearts van Triage. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om redelijkerwijs gemaakte kosten die op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het BPB in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft twee facturen overgelegd van € 1.739,38 respectievelijk € 403,33. Alleen de op deze facturen vermelde uren aan werkzaamheden van de expertisearts komen voor vergoeding in aanmerking. Bij de eerste factuur betreft dat 11,79 uur en in de tweede factuur is dat 1,83 uur aan gedeclareerde werkzaamheden. De rechtbank acht de omvang van deze gedeclareerde uren aan werkzaamheden redelijk. De uren die in beide facturen zijn opgenomen aan secretariële ondersteuning, komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2008. Omdat het door Triage gedeclareerde uurtarief voor het uitbrengen van medisch advies door de expertisearts beneden het geldende maximum blijft van het voor vergoeding in aanmerking komend tarief, stelt de rechtbank de totale vergoeding aan de hand van het tarief van Triage van € 145,85, vast op 13,62 maal dit uurtarief, zijnde € 1.986,48. Inclusief 21% btw komt een bedrag van € 2.403,64 van de kosten van Triage voor vergoeding in aanmerking. 12.3. De totale vergoeding van de proceskosten dient te worden gesteld op een bedrag van € 4.271,64 (€ 1.868 vermeerderd met het bedrag van € 2.403,64).
Volledig
Eiseres heeft in de brief van 19 november 2025 betoogd dat zij niet voldoet aan de diploma-eisen die gelden voor de geduide functies van schadeadviseur en archiefmedewerker. Zij heeft de LEAO afgesloten met een diploma. Zij heeft een drie maanden durende cursus ‘Transport ondernemen’ in Engeland gevolgd en daarvan heeft zij een certificaat. Dit certificaat kan volgens eiseres niet gelijkgesteld worden met een MBO 4 opleiding die doorgaans enkele jaren duurt. Daarnaast heeft zij enkel een eenjarige opleiding tot pedicure gevolgd en afgesloten met een diploma. Standpunt UWV 8.1. Naar aanleiding van deze beroepsgrond heeft de arbeidsdeskundige b&b in het rapport van 28 november 2025 de functie van schadecorrespondent laten vervallen, omdat eiseres met de eenjarige opleiding tot pedicure en de cursus Transport ondernemen van drie maanden niet beschikt over een MBO 4 diploma. De functie van archiefmedewerker acht de arbeidsdeskundige b&b wel passend en geschikt, omdat in die functie een MBO 3 diploma wordt gevraagd en eiseres na het behalen van het LEAO diploma, het MBO 3 diploma tot pedicure (één jaar) heeft behaald en ook nog eens de cursus Transport ondernemen in Engeland na drie maanden succesvol heeft afgerond. Naast het gegeven dat eiseres feitelijk een MBO 3 diploma heeft behaald, kan volgens de arbeidsdeskundige b&b ook op grond van haar ervaringen als zelfstandige, als administratieve kracht en als receptioniste gesteld worden dat zij tenminste op niveau 4 functioneert. De volgende functies blijven geschikt: archiefmedewerker (SBC-code: 553020), productiemedewerker industrie (SBC-code: 111180) en administratief ondersteunend medewerker (SBC-code: 315100). Daarnaast blijft de functie van telefonist callcenter (SBC code: 315174) geschikt. Als gevolg van het vervallen van de functie van schadecorrespondent is de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres gewijzigd van 61,84% naar 64,78 %. De resterende verdiencapaciteit is gewijzigd van € 1.432,02 naar €1.321,57. De hoogte van de loongerelateerde WGA-uitkering wijzigt niet. Standpunt eiseres tijdens de zitting 9. Eiseres heeft tijdens de zitting de beroepsgrond gehandhaafd dat de functie van archiefmedewerker niet passend is. Zij stelt niet te beschikken over een MBO 3 diploma. Ook heeft eiseres aangevoerd dat zij de geduide functies niet kan verrichten. Oordeel rechtbank 10. De rechtbank stelt vast dat in de ‘Arbeidsmogelijkhedenlijst AO-criterium WIA’ is vermeld dat voor de functie van archiefmedewerker een diploma-eis geldt op MBO 3 niveau. De eenjarige opleiding tot pedicure, waarvan eiseres stelt een diploma te hebben, is een MBO 3 opleiding. De functie is om die reden passend. 10.1. Eiseres heeft tijdens de zitting betoogd zij de geduide functies niet kan verrichten, omdat zij vanwege haar hand- en vingerklachten niet kan werken met een toetsenbord en een muis. Voor zover eiseres daarmee bedoelt te betogen dat zij de geduide functies niet kan verrichten vanwege de klachten zoals bedoeld in overweging 6.4.3, verwijst de rechtbank naar deze overweging. De rechtbank heeft daarin al geoordeeld dat deze klachten dateren van na de datum in geding, zodat daarop bij de beoordeling van het onderhavige beroep geen acht kan worden geslagen. Voor wat betreft de belastbaarheid van eiseres kan worden uitgegaan van de functionele mogelijkheden zoals opgenomen in de FML van 12 november 2025 en van 21 november 2025. Eiseres heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld, dat de daarin aangenomen belastbaarheid op hand- en vingergebied, in de geduide functies wordt overschreden. 11. De rechtbank acht de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit pas in de fase van beroep door het UWV op deugdelijke en volledige wijze gemotiveerd. Net als aan de medische grondslag, kleven ook aan de arbeidsdeskundige grondslag van het bestreden besluit dus een zorgvuldigheidsgebrek en een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet geen ruimte om de schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals in overweging 6.4.5 en hier geconstateerd, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Dit, omdat het in beroep gewijzigde arbeidsongeschiktheidspercentage en de in beroep gewijzigde resterende verdiencapaciteit niet in een besluit zijn vastgelegd, terwijl deze aspecten wel behoren tot de besluitvorming waarbij de loongerelateerde WGA-uitkering wordt vastgesteld. Deze aspecten behelzen een wijziging in de rechtspositie van eiseres ten opzichte van het bestreden besluit en het primaire besluit. 11.1. De rechtbank zal het beroep om die reden gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en te bepalen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 28 mei 2024 64,78 % bedraagt en de resterende verdiencapaciteit per die datum € 1.321,57 per maand is, conform het rapport van de arbeidsdeskundige b&b van 28 november 2025. Deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep van eiseres is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen, te bepalen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage vanaf 28 mei 2024 64,78 % bedraagt en de resterende verdiencapaciteit per die datum € 1.321,57 per maand bedraagt en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit. 12.1. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat het UWV aan eiseres het griffierecht moet terugbetalen. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding voor de door eiseres gemaakte kosten van rechtsbijstand bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (BPB) € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1). Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten, gemaakt in bezwaar, is de rechtbank niet gebleken. 12.2 Daarnaast heeft eiseres verzocht om vergoeding van de kosten van inschakeling van de expertisearts van Triage. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het hier om redelijkerwijs gemaakte kosten die op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het BPB in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen. Eiseres heeft twee facturen overgelegd van € 1.739,38 respectievelijk € 403,33. Alleen de op deze facturen vermelde uren aan werkzaamheden van de expertisearts komen voor vergoeding in aanmerking. Bij de eerste factuur betreft dat 11,79 uur en in de tweede factuur is dat 1,83 uur aan gedeclareerde werkzaamheden. De rechtbank acht de omvang van deze gedeclareerde uren aan werkzaamheden redelijk. De uren die in beide facturen zijn opgenomen aan secretariële ondersteuning, komen niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2008. Omdat het door Triage gedeclareerde uurtarief voor het uitbrengen van medisch advies door de expertisearts beneden het geldende maximum blijft van het voor vergoeding in aanmerking komend tarief, stelt de rechtbank de totale vergoeding aan de hand van het tarief van Triage van € 145,85, vast op 13,62 maal dit uurtarief, zijnde € 1.986,48. Inclusief 21% btw komt een bedrag van € 2.403,64 van de kosten van Triage voor vergoeding in aanmerking. 12.3. De totale vergoeding van de proceskosten dient te worden gesteld op een bedrag van € 4.271,64 (€ 1.868 vermeerderd met het bedrag van € 2.403,64).