Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland
2024-09-09
ECLI:NL:RBMNE:2024:6512
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,528 tokens
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5733
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,
(gemachtigde: mr. M.A.T. Sick)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde W.A. Postma).
Overwegingen
1. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2023 besloten dat verzoeker vanaf 24 mei 2023 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 13 juni 2024 heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarin hij terugkomt op de beslissing op bezwaar. De ZW-uitkering wordt voortgezet.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenvergoeding. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft in zijn brief van 30 juli 2024 gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding en aangegeven dat hij geen inhoudelijk commentaar heeft op een kostenveroordeling conform het Bpb, in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken.
Kosten voor rechtsbijstand
4. Verzoeker verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoeker heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beoordeling van de gevraagde proceskosten beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Kosten voor deskundigen
6. Verzoeker heeft een specificatie van de kosten voor deskundige [deskundige] van Triage medisch adviesbureau ingediend voor een bedrag van € 1.512,50 inclusief btw. Genoemde deskundige heeft op verzoek van eiser op 5 januari 2024 een rapportage opgemaakt in deze procedure.
7. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten van de deskundige vast aan de hand van artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Bpb, gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003.
8. Op de overlegde specificatie voor de deskundige wordt naast de werkzaamheden van de deskundigen ook administratiekosten (‘secretariaatstijd’) gedeclareerd. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
9. De gemaakte kosten voor werkzaamheden van de deskundige komen op grond van de eerdergenoemde bepalingen voor vergoeding in aanmerking. In de factuur zijn 8,5 uren verantwoord, met een uurtarief van € 131,53 per uur. De rechtbank stelt de vergoeding vast op 8,5 x € 131,53 = € 1.118,-. Inclusief btw is dit € 1.352,78.
Totaal
10. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op € 3.102,78 (€ 1.750,- + € 1.352,78).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.102,78 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024.
de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8372.
Inleiding
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/5733
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 september 2024 in de zaak tussen
[verzoeker], te [woonplaats], verzoeker,
(gemachtigde: mr. M.A.T. Sick)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde W.A. Postma).
Overwegingen
1. Verweerder heeft in de beslissing op bezwaar van 9 oktober 2023 besloten dat verzoeker vanaf 24 mei 2023 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Op 13 juni 2024 heeft verweerder een nieuw besluit genomen, waarin hij terugkomt op de beslissing op bezwaar. De ZW-uitkering wordt voortgezet.
2. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenvergoeding. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Verweerder heeft in zijn brief van 30 juli 2024 gereageerd op het verzoek om proceskostenvergoeding en aangegeven dat hij geen inhoudelijk commentaar heeft op een kostenveroordeling conform het Bpb, in samenhang met het Besluit tarieven in strafzaken.
Kosten voor rechtsbijstand
4. Verzoeker verzoekt om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Verzoeker heeft in de bezwaarfase geen gebruik gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De beoordeling van de gevraagde proceskosten beperkt zich daarom tot de beroepsfase.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.750,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en een wegingsfactor 1).
Kosten voor deskundigen
6. Verzoeker heeft een specificatie van de kosten voor deskundige [deskundige] van Triage medisch adviesbureau ingediend voor een bedrag van € 1.512,50 inclusief btw. Genoemde deskundige heeft op verzoek van eiser op 5 januari 2024 een rapportage opgemaakt in deze procedure.
7. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten van de deskundige vast aan de hand van artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van het Bpb, gelezen in verband met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en met overeenkomstige toepassing van het bepaalde in de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003.
8. Op de overlegde specificatie voor de deskundige wordt naast de werkzaamheden van de deskundigen ook administratiekosten (‘secretariaatstijd’) gedeclareerd. Deze kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
9. De gemaakte kosten voor werkzaamheden van de deskundige komen op grond van de eerdergenoemde bepalingen voor vergoeding in aanmerking. In de factuur zijn 8,5 uren verantwoord, met een uurtarief van € 131,53 per uur. De rechtbank stelt de vergoeding vast op 8,5 x € 131,53 = € 1.118,-. Inclusief btw is dit € 1.352,78.
Totaal
10. De rechtbank stelt de proceskosten van eiser die verweerder moet betalen vast op € 3.102,78 (€ 1.750,- + € 1.352,78).
Dictum
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 3.102,78 aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van P.W. Hogenbirk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2024.
de griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG8372.