Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-29
ECLI:NL:RBGEL:2026:3362
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
8,172 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 text/xml public 2026-05-08T14:55:28 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-29 AWB24_8697 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 text/html public 2026-05-08T14:55:10 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 Rechtbank Gelderland , 29-04-2026 / AWB24_8697 Beschikking belastingrente bij navorderingsaanslag IB/PVV. Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/8697 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 november 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 5.066, naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.312 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 142.874. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.912 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft de in rekening gebrachte belastingrente verminderd met € 231 tot € 3.681. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur. Feiten Aanslag IB/PVV 2019 1. Op 4 november 2021 hebben belanghebbende en zijn partner mevrouw [naam partner] (hierna: partner) de aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt respectievelijk € 104.652 en € 104.198. 2. In 2019 hebben belanghebbende en zijn partner € 22.221 aan Franse inkomstenbelasting betaald. Daarnaast hebben zij in het desbetreffende jaar aanmerkelijk belangaandelen in een Franse vennootschap vervreemd, waarmee een vervreemdingsvoordeel van € 202.132 is behaald. 3. Op 22 augustus 2023 heeft de inspecteur belanghebbende een verzoek om informatie gestuurd. 4. De aanslagen IB/PVV 2019 van belanghebbende en zijn partner zijn vastgesteld met dagtekening 19 januari 2024. Het verzamelinkomen is vastgesteld op respectievelijk € 118.698 en € 104.198. Bij belastingrentebeschikkingen is respectievelijk € 1.264 en € 1.411 aan belastingrente vastgesteld. 5. Tussen 25 april 2024 en 7 mei 2024 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen belanghebbende en de inspecteur over het afzien van het hoorrecht en de verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. 6. Op 23 mei 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 7. Op 5 juni 2024 heeft een e-mailwisseling tussen belanghebbende en de inspecteur plaatsgevonden, waarbij belanghebbende de inspecteur onder andere heeft verzocht om de nieuwe verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen conform de overgelegde verbeterde (papieren) aangifte IB/PVV 2019 in acht te nemen. De inspecteur heeft belanghebbende laten weten het verdelingsverzoek te zullen honoreren, maar dat hij reeds uitspraak op bezwaar heeft gedaan en belanghebbende als gevolg hiervan in beroep kan gaan indien hij het niet eens is met de uitspraak. Navorderingsaanslag IB/PVV 2019 8. Naar aanleiding van de e-mailwisseling van 5 juni 2024 heeft de inspecteur met dagtekening 29 juni 2024 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2019 van € 24.165 aan belanghebbende opgelegd. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 209.535. Bij belastingrentebeschikking is € 3.912 aan belastingrente berekend. Tevens heeft de inspecteur bij verminderingsbeschikking van 21 juni 2024 de aan de partner van belanghebbende voor het jaar 2019 opgelegde aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag berekend naar een verzamelinkomen van € 13.527. Dit heeft geleid tot een te ontvangen bedrag van € 25.508, waarin ook de eerder vastgestelde belastingrente ad € 1.411 is begrepen. 9. Belanghebbende heeft met dagtekening 3 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingaanslag IB/PVV 2019. 10. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende. In zijn brief heeft de inspecteur gemeld dat de navorderingsaanslag in stand blijft en dat de belastingrente alsnog verminderd zal worden met een bedrag van € 231 en dat verder een proceskostenvergoeding van € 624 aan belanghebbende zal worden toegekend. Beoordeling door de rechtbank Geschil 11. De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard dat het beroep zich niet langer richt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2019. Het beroep richt zich derhalve uitsluitend tegen de daarbij behorende belastingrentebeschikking. Belastingrente navorderingsaanslag IB/PVV 2019 12. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de belastingrentebeschikking dient te worden vernietigd. Het percentage belastingrente is volgens belanghebbende op regelniveau in strijd met hogere regelgeving en in het bijzonder, maar niet uitsluitend, met algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Ook is het in strijd met supranationale regelingen, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 14 EVRM of artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ook is het in strijd met supranationale bepalingen, in het bijzonder maar niet uitsluitend met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel (artikel 7 EVRM en artikel 49, derde lid, Handvest van grondrechten EU) of het ne bis in idem beginsel (artikel 50 Handvest van de grondrechten EU en artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM). Ter zitting heeft belanghebbende zijn stellingen ter zake van de voortvarendheid van handelen van de inspecteur en ter zake van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel laten varen. 13. Subsidiair beroept belanghebbende zich op het verbod van reformatio in peius dat verbiedt dat de belastingrente bij uitspraak op bezwaar hoger wordt vastgesteld dan die voor hem en zijn fiscaal partner tezamen is vastgesteld bij de primitieve aanslagen (€ 2.675). 14. Meer subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de belastingrente verminderd dient te worden voor zover die is vastgesteld over de periode, dat de belastingschuld al betaald was. 15. De inspecteur heeft tijdens de zitting verklaard dat bij het vaststellen van de primitieve aanslagen IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende en zijn partner per abuis minder belastingrente is vastgesteld dan had gemoeten. Eigenlijk had in totaal € 6.889 aan belastingrente vastgesteld moeten worden voor belanghebbende en zijn partner tezamen, terwijl slechts € 2.675 is vastgesteld. Dit is onder meer veroorzaakt doordat bij het opleggen van de primitieve aanslagen IB/PVV 2019 ten onrechte slechts belastingrente is berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli 2020 en eindigt op 17 maart 2022. Het einde van het tijdvak waarover de belastingrente had moeten worden berekend had moeten zijn gesteld op zes weken na 19 januari 2024 (de dagtekening van de primitieve aanslagen).. 16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag op verzoek van belanghebbende opgelegd in verband met de gewijzigde verdeling van het inkomen uit aanmerkelijk belang tussen belanghebbende en de partner.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 text/xml public 2026-05-08T14:55:28 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-29 AWB24_8697 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 text/html public 2026-05-08T14:55:10 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:3362 Rechtbank Gelderland , 29-04-2026 / AWB24_8697 Beschikking belastingrente bij navorderingsaanslag IB/PVV. Beroep ongegrond. RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 24/8697 uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 29 april 2026 in de zaak tussen [belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende, (gemachtigde: [gemachtigde]), en de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Heerlen, de inspecteur. Inleiding In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 november 2024. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van negatief € 5.066, naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.312 en naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 142.874. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 3.912 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking). De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft de in rekening gebrachte belastingrente verminderd met € 231 tot € 3.681. De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 30 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, de gemachtigde van belanghebbende en de gemachtigde van de inspecteur. Feiten Aanslag IB/PVV 2019 1. Op 4 november 2021 hebben belanghebbende en zijn partner mevrouw [naam partner] (hierna: partner) de aangifte IB/PVV 2019 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt respectievelijk € 104.652 en € 104.198. 2. In 2019 hebben belanghebbende en zijn partner € 22.221 aan Franse inkomstenbelasting betaald. Daarnaast hebben zij in het desbetreffende jaar aanmerkelijk belangaandelen in een Franse vennootschap vervreemd, waarmee een vervreemdingsvoordeel van € 202.132 is behaald. 3. Op 22 augustus 2023 heeft de inspecteur belanghebbende een verzoek om informatie gestuurd. 4. De aanslagen IB/PVV 2019 van belanghebbende en zijn partner zijn vastgesteld met dagtekening 19 januari 2024. Het verzamelinkomen is vastgesteld op respectievelijk € 118.698 en € 104.198. Bij belastingrentebeschikkingen is respectievelijk € 1.264 en € 1.411 aan belastingrente vastgesteld. 5. Tussen 25 april 2024 en 7 mei 2024 heeft een e-mailwisseling plaatsgevonden tussen belanghebbende en de inspecteur over het afzien van het hoorrecht en de verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen. 6. Op 23 mei 2024 heeft de inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard. 7. Op 5 juni 2024 heeft een e-mailwisseling tussen belanghebbende en de inspecteur plaatsgevonden, waarbij belanghebbende de inspecteur onder andere heeft verzocht om de nieuwe verdeling van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en de gezamenlijke grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen conform de overgelegde verbeterde (papieren) aangifte IB/PVV 2019 in acht te nemen. De inspecteur heeft belanghebbende laten weten het verdelingsverzoek te zullen honoreren, maar dat hij reeds uitspraak op bezwaar heeft gedaan en belanghebbende als gevolg hiervan in beroep kan gaan indien hij het niet eens is met de uitspraak. Navorderingsaanslag IB/PVV 2019 8. Naar aanleiding van de e-mailwisseling van 5 juni 2024 heeft de inspecteur met dagtekening 29 juni 2024 een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2019 van € 24.165 aan belanghebbende opgelegd. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 209.535. Bij belastingrentebeschikking is € 3.912 aan belastingrente berekend. Tevens heeft de inspecteur bij verminderingsbeschikking van 21 juni 2024 de aan de partner van belanghebbende voor het jaar 2019 opgelegde aanslag IB/PVV verminderd tot een aanslag berekend naar een verzamelinkomen van € 13.527. Dit heeft geleid tot een te ontvangen bedrag van € 25.508, waarin ook de eerder vastgestelde belastingrente ad € 1.411 is begrepen. 9. Belanghebbende heeft met dagtekening 3 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de navorderingaanslag IB/PVV 2019. 10. Bij uitspraak op bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk tegemoet gekomen aan het bezwaar van belanghebbende. In zijn brief heeft de inspecteur gemeld dat de navorderingsaanslag in stand blijft en dat de belastingrente alsnog verminderd zal worden met een bedrag van € 231 en dat verder een proceskostenvergoeding van € 624 aan belanghebbende zal worden toegekend. Beoordeling door de rechtbank Geschil 11. De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de zitting verklaard dat het beroep zich niet langer richt tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2019. Het beroep richt zich derhalve uitsluitend tegen de daarbij behorende belastingrentebeschikking. Belastingrente navorderingsaanslag IB/PVV 2019 12. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de belastingrentebeschikking dient te worden vernietigd. Het percentage belastingrente is volgens belanghebbende op regelniveau in strijd met hogere regelgeving en in het bijzonder, maar niet uitsluitend, met algemene rechtsbeginselen of algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Ook is het in strijd met supranationale regelingen, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 14 EVRM of artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Ook is het in strijd met supranationale bepalingen, in het bijzonder maar niet uitsluitend met het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel (artikel 7 EVRM en artikel 49, derde lid, Handvest van grondrechten EU) of het ne bis in idem beginsel (artikel 50 Handvest van de grondrechten EU en artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM). Ter zitting heeft belanghebbende zijn stellingen ter zake van de voortvarendheid van handelen van de inspecteur en ter zake van het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel laten varen. 13. Subsidiair beroept belanghebbende zich op het verbod van reformatio in peius dat verbiedt dat de belastingrente bij uitspraak op bezwaar hoger wordt vastgesteld dan die voor hem en zijn fiscaal partner tezamen is vastgesteld bij de primitieve aanslagen (€ 2.675). 14. Meer subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de belastingrente verminderd dient te worden voor zover die is vastgesteld over de periode, dat de belastingschuld al betaald was. 15. De inspecteur heeft tijdens de zitting verklaard dat bij het vaststellen van de primitieve aanslagen IB/PVV 2019 op naam van belanghebbende en zijn partner per abuis minder belastingrente is vastgesteld dan had gemoeten. Eigenlijk had in totaal € 6.889 aan belastingrente vastgesteld moeten worden voor belanghebbende en zijn partner tezamen, terwijl slechts € 2.675 is vastgesteld. Dit is onder meer veroorzaakt doordat bij het opleggen van de primitieve aanslagen IB/PVV 2019 ten onrechte slechts belastingrente is berekend over het tijdvak dat aanvangt op 1 juli 2020 en eindigt op 17 maart 2022. Het einde van het tijdvak waarover de belastingrente had moeten worden berekend had moeten zijn gesteld op zes weken na 19 januari 2024 (de dagtekening van de primitieve aanslagen).. 16. De inspecteur heeft de navorderingsaanslag op verzoek van belanghebbende opgelegd in verband met de gewijzigde verdeling van het inkomen uit aanmerkelijk belang tussen belanghebbende en de partner.
Volledig
Dit heeft ertoe geleid dat aan belanghebbende een navorderingsaanslag met een te betalen bedrag is opgelegd en dat aan de fiscaal partner een teruggaaf van belasting en van de eerder vastgestelde belastingrente is verleend. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht conform het bepaalde in artikel 30fc van de AWR. De inspecteur stelt dat hij de belastingrente heeft berekend over de juiste periode, aanvangende op 1 juli 2020 en eindigende op 15 april 2024. Daarnaast heeft de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 uit eigen beweging uitvoering gegeven aan artikel 31bis, leden 2 en 3, van de Uitvoeringsregeling AWR en de belastingrente gematigd met € 231, aangezien belanghebbende en zijn partner de verschuldigde belasting op de primitieve aanslagen IB/PVV 2019 reeds op 29 februari 2024 hadden betaald. De periode tussen 29 februari 2024 en 15 april 2024 is bij het (her)berekenen van de belastingrente bij uitspraak op bezwaar dus alsnog achterwege gelaten. 17. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 30fc, eerste lid, van de AWR brengt de inspecteur belastingrente in rekening indien hij, na het verstrijken van zes maanden na het einde van het tijdvak waarover inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting wordt geheven, een aanslag of navorderingsaanslag met een door belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting vaststelt. Artikel 30fc, tweede lid, van de AWR bepaalt dat de inspecteur de belastingrente dient te berekenen over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990, en dat daarbij het te betalen bedrag aan belasting als grondslag dient. Op grond van artikel 30j van de AWR stelt de inspecteur het bedrag van de belastingrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot die beschikking zijn de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend van overeenkomstige toepassing. 18. De rechtbank stelt vast dat de belastingrentebeschikking net als de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 dagtekening 29 juni 2024 heeft en dat de inspecteur de verschuldigde belastingrente heeft berekend over de periode van 1 juli 2020 tot en met 15 april 2024. Het tarief van de belastingrente is in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 tijdelijk verlaagd naar 0,01% in verband met de Covid-19 pandemie. In de periode 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2023 bedroeg het tarief van de belastingrente 4%. In de periode 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 is het tarief van de belastingrente 6% en in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 april 2024 is het tarief van de belastingrente 7,5%. 19. De inspecteur heeft berekend dat bij het opleggen van de primitieve aanslagen in totaal aan belanghebbende en zijn partner € 6.889 aan belastingrente in rekening gebracht had moeten worden. De rechtbank acht die berekening juist. 20. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de belastingrentebeschikking niet in strijd is met hogere regelgeving. Weliswaar heeft de Hoge Raad - kort gezegd - geoordeeld dat de belastingrente voor aanslagen vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat geldt niet voor de belastingrente voor de inkomstenbelasting. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, namelijk het volgende overwogen: “(…) 4.11.3 Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen. 4.11.4 Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt. 4.11.5 In het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. [Voetnoot 18: Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat (i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt, (ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht, (iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en (iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft. Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. 4.11.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). (…)” Daarmee faalt de primaire stelling van belanghebbende. 21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de belastingrentebeschikking bij de navorderingsaanslag, na vermindering in bezwaar, terecht en naar het juiste bedrag vastgesteld. Op verzoek van belanghebbende is gekozen voor een andere verdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen. Die gewijzigde verdeling heeft geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting voor belanghebbende en tevens in een teruggaaf van belastingrente aan de partner. De inspecteur heeft vervolgens de verschuldigde belastingrente met inachtneming van het bepaalde in artikel 30fc, eerste lid, van de AWR, over de juiste periode berekend. 22.
Volledig
Dit heeft ertoe geleid dat aan belanghebbende een navorderingsaanslag met een te betalen bedrag is opgelegd en dat aan de fiscaal partner een teruggaaf van belasting en van de eerder vastgestelde belastingrente is verleend. Bij het opleggen van de navorderingsaanslag heeft de inspecteur belastingrente in rekening gebracht conform het bepaalde in artikel 30fc van de AWR. De inspecteur stelt dat hij de belastingrente heeft berekend over de juiste periode, aanvangende op 1 juli 2020 en eindigende op 15 april 2024. Daarnaast heeft de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 uit eigen beweging uitvoering gegeven aan artikel 31bis, leden 2 en 3, van de Uitvoeringsregeling AWR en de belastingrente gematigd met € 231, aangezien belanghebbende en zijn partner de verschuldigde belasting op de primitieve aanslagen IB/PVV 2019 reeds op 29 februari 2024 hadden betaald. De periode tussen 29 februari 2024 en 15 april 2024 is bij het (her)berekenen van de belastingrente bij uitspraak op bezwaar dus alsnog achterwege gelaten. 17. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 30fc, eerste lid, van de AWR brengt de inspecteur belastingrente in rekening indien hij, na het verstrijken van zes maanden na het einde van het tijdvak waarover inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting wordt geheven, een aanslag of navorderingsaanslag met een door belastingplichtige te betalen bedrag aan belasting vaststelt. Artikel 30fc, tweede lid, van de AWR bepaalt dat de inspecteur de belastingrente dient te berekenen over het tijdvak dat aanvangt zes maanden te rekenen vanaf het einde van het tijdvak waarover de belasting wordt geheven en eindigt op de dag voorafgaand aan de dag waarop de aanslag invorderbaar is ingevolge artikel 9 van de Invorderingswet 1990, en dat daarbij het te betalen bedrag aan belasting als grondslag dient. Op grond van artikel 30j van de AWR stelt de inspecteur het bedrag van de belastingrente vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Met betrekking tot die beschikking zijn de bepalingen in de belastingwet die gelden voor de belastingaanslag ter zake waarvan belastingrente wordt berekend van overeenkomstige toepassing. 18. De rechtbank stelt vast dat de belastingrentebeschikking net als de navorderingsaanslag IB/PVV 2019 dagtekening 29 juni 2024 heeft en dat de inspecteur de verschuldigde belastingrente heeft berekend over de periode van 1 juli 2020 tot en met 15 april 2024. Het tarief van de belastingrente is in de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 september 2020 tijdelijk verlaagd naar 0,01% in verband met de Covid-19 pandemie. In de periode 1 oktober 2020 tot en met 30 juni 2023 bedroeg het tarief van de belastingrente 4%. In de periode 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 is het tarief van de belastingrente 6% en in de periode van 1 januari 2024 tot en met 15 april 2024 is het tarief van de belastingrente 7,5%. 19. De inspecteur heeft berekend dat bij het opleggen van de primitieve aanslagen in totaal aan belanghebbende en zijn partner € 6.889 aan belastingrente in rekening gebracht had moeten worden. De rechtbank acht die berekening juist. 20. De rechtbank is allereerst van oordeel dat de belastingrentebeschikking niet in strijd is met hogere regelgeving. Weliswaar heeft de Hoge Raad - kort gezegd - geoordeeld dat de belastingrente voor aanslagen vennootschapsbelasting te hoog is, maar dat geldt niet voor de belastingrente voor de inkomstenbelasting. In de ten overvloede gegeven overwegingen bij dit arrest heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, namelijk het volgende overwogen: “(…) 4.11.3 Van het belastingrentepercentage van artikel 1, letter a, van het Besluit kan, bij gelijke toepassing daarvan op alle soorten belastingen waarvoor belastingrente in rekening wordt gebracht, niet worden gezegd dat het een inbreuk vormt op het gelijkheidsbeginsel. Het komt evenmin in strijd met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en in internationale verdragen. 4.11.4 Evenmin leidt deze bepaling in de jaren 2022 en 2023 tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel. Het in die bepaling geregelde rentepercentage is in beginsel gelijk aan de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente voor verbintenissen tot betaling van een geldsom in gevallen waarin geen sprake is van een handelsovereenkomst. Deze wettelijke rente wordt berekend door de basisherfinancieringsrente van de Europese Centrale Bank te verhogen met een opslag van (in de onderhavige jaren) 2,25 procentpunt, met een rekenkundige afronding van halve procenten. Van een aldus berekende rente kan niet worden gezegd dat die disproportioneel hoog is. Hetzelfde geldt voor het met ingang van 1 januari 2024 in artikel 1 van het Besluit daarvoor in de plaats getreden percentage van de herfinancieringsrente die door de Europese Centrale Bank is vastgesteld voor een recente basisherfinancieringstransactie, vermeerderd met 3 procentpunt. 4.11.5 In het geval de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente lager is dan (in de onderhavige jaren) 4 procent, wordt de in artikel 1, letter a, van het Besluit bedoelde rente gesteld op 4 procent. Met ingang van 2024 bedraagt het minimum rentepercentage volgens artikel 1, lid 1, letter a, van het Besluit 4,5. [Voetnoot 18: Zie artikel XI, letter A, van het Eindejaarsbesluit 2023, Stb. 2023, 511.] Die minimumpercentages zijn in een zodanig geval weliswaar relatief hoog, in vergelijking met de wettelijke rente, maar komen niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, in aanmerking genomen dat (i) de absolute hoogte ervan niet als excessief kan worden aangemerkt, (ii) dit percentage geldt voor de belastingrente bij alle belastingen waarvoor zulke rente in rekening wordt gebracht, (iii) de invoering ervan – oorspronkelijk in artikel 30hb AWR – berustte op budgettaire overwegingen, [Voetnoot 19: Kamerstukken II, 2013/14, 33 755, nr. 3, blz. 2.] die bij de vaststelling van het rentepercentage voor de belastingrente als legitiem doel kunnen worden aangemerkt (zie hiervoor in 4.8.1), en (iv) een relatief hoge belastingrente voor alle daarvoor in aanmerking komende belastingen eveneens bijdraagt aan een legitiem doel, omdat deze maatregel, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, een prikkel voor belastingplichtigen vormt om op tijd en juist aangifte te doen of (tijdig) om een voorlopige aanslag of een aanpassing daarvan te verzoeken. Ook indien veel belastingplichtigen daartoe, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in redelijkheid niet of niet tijdig in staat zijn, kan dat doel niettemin in de beschouwing worden betrokken, met het oog op de gevallen waarin kan worden verwacht dat de berekening van belastingrente naar een relatief hoog percentage wel dit beoogde effect heeft. Onder de hiervoor vermelde vier omstandigheden kan niet – met inachtneming van de hiervoor in 4.5.2 bedoelde terughoudendheid – worden aangenomen dat de nadelige gevolgen van de genoemde minimum rentepercentages voor de betrokken belastingplichtigen onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen doelen. 4.11.6 Gelet op hetgeen hiervoor in 4.11.4 en 4.11.5 is overwogen, kan evenmin worden gezegd dat de daar bedoelde rentepercentages een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang niet respecteren en daarom inbreuk maken op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). (…)” Daarmee faalt de primaire stelling van belanghebbende. 21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de belastingrentebeschikking bij de navorderingsaanslag, na vermindering in bezwaar, terecht en naar het juiste bedrag vastgesteld. Op verzoek van belanghebbende is gekozen voor een andere verdeling van de gezamenlijke inkomensbestanddelen. Die gewijzigde verdeling heeft geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting voor belanghebbende en tevens in een teruggaaf van belastingrente aan de partner. De inspecteur heeft vervolgens de verschuldigde belastingrente met inachtneming van het bepaalde in artikel 30fc, eerste lid, van de AWR, over de juiste periode berekend. 22.