Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2026-04-22
ECLI:NL:RBGEL:2026:2922
Civiel recht; Arbeidsrecht
Bodemzaak
14,725 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2922 text/xml public 2026-04-29T16:00:16 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-22 11798703 \ CV EXPL 25-5747 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2922 text/html public 2026-04-29T15:59:48 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2922 Rechtbank Gelderland , 22-04-2026 / 11798703 \ CV EXPL 25-5747 De vordering in conventie tot uitbetaling van openstaande vakantie-uren bij einde dienstverband is toewijsbaar. Eiser in conventie heeft de bedoeling gehad de arbeidsovereenkomst niet per direct, maar met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, op te zeggen en gedaagde in conventie heeft dat ook zo begrepen. De vakantie-uren kunnen niet eenzijdig worden geacht genoten te zijn en gedaagde in conventie heeft geen vordering op eiser in conventie uit hoofde van onverschuldigde betaling ter zake van het loon over de maand februari 2024. De vordering tot uitbetaling van openstaande ATV-uren bij einde dienstverband wordt afgewezen. Gesteld nog gebleken is namelijk dat partijen over de uitbetaling daarvan bij einde dienstverband iets zijn overeengekomen. De vordering in reconventie wordt afgewezen omdat er geen vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling bestaat. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11798703 \ CV EXPL 25-5747 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [de eiser in conventie] , gemachtigde: mr. R. Meijers (ARAG SE Rechtsbijstand), tegen WETAC STAND-BY NEDERLAND B.V. , te Ede, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Wetac, gemachtigde: mr. M.A. de Jager. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 september 2025 - het bericht van 11 maart 2026 met één productie van Wetac - de conclusie van antwoord in reconventie 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. [de eiser in conventie] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Daarnaast is namens Wetac verschenen de heer [vertegenwoordiger gedaagde in conventie] tezamen met de gemachtigde van Wetac. Van de zijde van Wetac zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de eiser in conventie] is op 1 februari 2013, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, bij Wetac in dienst getreden. Hij was werkzaam in de functie van Accountmanager voor 40 uur per week tegen een bruto loon van € 6.541,49 per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. 2.2. Op 27 januari 2024 heeft [de eiser in conventie] de arbeidsovereenkomst met Wetac opgezegd, waarbij hij het volgende aan Wetac heeft bericht: “ Na een geweldige reis van de afgelopen totaal 14 jaar wil ik per heden mijn officiële ontslag indienen. Mijn oprechte dank voor de hoofdzakelijk fantastische samenwerking. Mooie dingen gedaan met elkaar. Ik zal er alles aan doen om de zaken zo netjes mogelijk af te sluiten .” 2.3. Daarop is door Wetac bij brief van 30 januari 2024 met (onder andere) de volgende inhoud gereageerd: “ Hierbij bevestigen wij dat u ons bij e-mail van 27 januari 2024 in kennis heeft gesteld van uw besluit om uw arbeidsovereenkomst met Wetac Stand-By Nederland B.V. (“Wetac”) per heden op te zeggen. (…) Wel benadrukken we voor de goede orde dat als u de arbeidsovereenkomst onregelmatig opzegt, d.w.z. zonder dringende reden en zonder dat u de toepasselijke opzegtermijn in acht neemt, u schadeplichtig zult zijn jegens Wetac op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 11 BW. U bent in dat geval een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd ter hoogte van uw bruto loon over de periode van 27 januari t/m 29 februari 2024. Wij gaan er echter van uit dat u heeft bedoeld op te zeggen met inachtneming van de toepasselijke (wettelijke) opzegtermijn om voornoemde schadeplichtigheid te voorkomen (zo niet, dan vernemen wij dit graag omgaand van u). Vooralsnog gaan we er (dus) vanuit dat uw arbeidsovereenkomst met Wetac per 1 maart 2024 zal eindigen. Dat heeft de volgende consequenties: Tot het einde van uw dienstverband zult u geen werkzaamheden meer voor ons verrichten (met uitzondering van met uw leidinggevende overeengekomen werkzaamheden “overdrachtswerkzaamheden”). Ook zult u tot de einddatum geen nevenwerkzaamheden mogen verrichten voor zichzelf of voor anderen (vgl. art. 6 van uw arbeidsovereenkomst); wij zullen u daaraan houden. U behoudt aanspraak op uw salaris tot het einde van uw dienstverband, met dien verstande dat uw opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen geacht worden te zijn genoten.(…) ” 2.4. Nadien is door Wetac aan [de eiser in conventie] het loon over de maand februari 2024 en openstaande vakantietoeslag uitbetaald. 2.5. Op 22 maart 2024 heeft Wetac aan [de eiser in conventie] een brief gestuurd waarin zij (samengevat) aan [de eiser in conventie] meldt dat het hem niet is toegestaan om Wetac op onrechtmatige wijze concurrentie aan te doen en hem sommeert om elke inbreuk op het bedrijfsdebiet van Wetac te staken en gestaakt te houden. 2.6. Daarop wordt door de gemachtigde van [de eiser in conventie] bij e-mail van 18 april 2024 inhoudelijk gereageerd, waarbij [de eiser in conventie] tevens aanspraak maakt op een correcte eindafrekening met uitbetaling van 73,21 vakantie-uren en 9,13 ATV-uren. 2.7. Wetac heeft zich nadien op het standpunt gesteld dat er in haar optiek geen sprake is van een verlof overschot maar juist van een verlof tekort, omdat het door [de eiser in conventie] genoemde restant aan verlof-uren volgens haar is genoten in de periode van 27 januari 2024 tot en met 29 februari 2024. 3 Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert (samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Wetac te veroordelen tot betaling aan [de eiser in conventie] van: a. € 2.852,26 bruto aan openstaande vakantie-uren; b. € 355,70 bruto aan openstaande ATV-uren; c. de wettelijke verhoging van 50% over de onder a en b genoemde bedragen; d. de wettelijke rente over de onder a, b en c genoemde bedragen; II. afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag; III. Wetac te veroordelen tot betaling van € 445,80 netto inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten; IV. Wetac te veroordelen in de proceskosten; V. Wetac te veroordelen tot betaling van de nakosten met rente. 3.2. [de eiser in conventie] stelt dat hij op 27 januari 2024 bij Wetac zijn ontslag heeft ingediend, waarbij hij de bedoeling had om de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn op te zeggen. Dit is door Wetac ook zo opgevat. Van een onregelmatige opzegging is dan ook geen sprake geweest. [de eiser in conventie] heeft op 29 en 30 januari 2024 nog gewoon werkzaamheden verricht voor Wetac en in de gehele maand februari 2024 overdrachtswerkzaamheden. 3.3. Wetac heeft eenzijdig, en dus zonder akkoord van [de eiser in conventie] , besloten om [de eiser in conventie] voor de maand februari 2024 vrij te stellen van zijn reguliere werkzaamheden. Dit betreft een omstandigheid die voor haar eigen rekening en risico komt en die haar niet ontslaat van haar verplichting om het loon tijdens de vrijstelling van werk door te betalen. Verrekening van vakantiedagen is dan bovendien niet toegestaan. 3.4. Bij einde dienstverband per 1 maart 2024 stonden nog 73,21 uur aan opgebouwde en niet genoten vakantie-uren open en 9,13 aan ATV-uren. Bij de eindafrekening had Wetac die nog openstaande verlof-uren behoren uit te betalen, maar dit heeft zij tot op heden niet gedaan. Uitgaande van een bruto uurloon van € 38,96 heeft [de eiser in conventie] dan ook nog recht op € 2.852,26 bruto aan openstaande vakantie-uren en € 355,70 bruto aan ATV-uren. 3.5. Wetac voert verweer.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2026:2922 text/xml public 2026-04-29T16:00:16 2026-04-15 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2026-04-22 11798703 \ CV EXPL 25-5747 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Arnhem Civiel recht; Arbeidsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:2922 text/html public 2026-04-29T15:59:48 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2026:2922 Rechtbank Gelderland , 22-04-2026 / 11798703 \ CV EXPL 25-5747 De vordering in conventie tot uitbetaling van openstaande vakantie-uren bij einde dienstverband is toewijsbaar. Eiser in conventie heeft de bedoeling gehad de arbeidsovereenkomst niet per direct, maar met inachtneming van de opzegtermijn van één maand, op te zeggen en gedaagde in conventie heeft dat ook zo begrepen. De vakantie-uren kunnen niet eenzijdig worden geacht genoten te zijn en gedaagde in conventie heeft geen vordering op eiser in conventie uit hoofde van onverschuldigde betaling ter zake van het loon over de maand februari 2024. De vordering tot uitbetaling van openstaande ATV-uren bij einde dienstverband wordt afgewezen. Gesteld nog gebleken is namelijk dat partijen over de uitbetaling daarvan bij einde dienstverband iets zijn overeengekomen. De vordering in reconventie wordt afgewezen omdat er geen vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling bestaat. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Arnhem Zaaknummer: 11798703 \ CV EXPL 25-5747 Vonnis van 22 april 2026 in de zaak van [naam eiser in conventie / verweerder in reconventie] , te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [de eiser in conventie] , gemachtigde: mr. R. Meijers (ARAG SE Rechtsbijstand), tegen WETAC STAND-BY NEDERLAND B.V. , te Ede, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: Wetac, gemachtigde: mr. M.A. de Jager. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 24 september 2025 - het bericht van 11 maart 2026 met één productie van Wetac - de conclusie van antwoord in reconventie 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 maart 2026. [de eiser in conventie] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Daarnaast is namens Wetac verschenen de heer [vertegenwoordiger gedaagde in conventie] tezamen met de gemachtigde van Wetac. Van de zijde van Wetac zijn spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van hetgeen op de mondelinge behandeling is besproken. 1.3. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de eiser in conventie] is op 1 februari 2013, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, bij Wetac in dienst getreden. Hij was werkzaam in de functie van Accountmanager voor 40 uur per week tegen een bruto loon van € 6.541,49 per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. 2.2. Op 27 januari 2024 heeft [de eiser in conventie] de arbeidsovereenkomst met Wetac opgezegd, waarbij hij het volgende aan Wetac heeft bericht: “ Na een geweldige reis van de afgelopen totaal 14 jaar wil ik per heden mijn officiële ontslag indienen. Mijn oprechte dank voor de hoofdzakelijk fantastische samenwerking. Mooie dingen gedaan met elkaar. Ik zal er alles aan doen om de zaken zo netjes mogelijk af te sluiten .” 2.3. Daarop is door Wetac bij brief van 30 januari 2024 met (onder andere) de volgende inhoud gereageerd: “ Hierbij bevestigen wij dat u ons bij e-mail van 27 januari 2024 in kennis heeft gesteld van uw besluit om uw arbeidsovereenkomst met Wetac Stand-By Nederland B.V. (“Wetac”) per heden op te zeggen. (…) Wel benadrukken we voor de goede orde dat als u de arbeidsovereenkomst onregelmatig opzegt, d.w.z. zonder dringende reden en zonder dat u de toepasselijke opzegtermijn in acht neemt, u schadeplichtig zult zijn jegens Wetac op grond van het bepaalde in artikel 7:672 lid 11 BW. U bent in dat geval een gefixeerde schadevergoeding verschuldigd ter hoogte van uw bruto loon over de periode van 27 januari t/m 29 februari 2024. Wij gaan er echter van uit dat u heeft bedoeld op te zeggen met inachtneming van de toepasselijke (wettelijke) opzegtermijn om voornoemde schadeplichtigheid te voorkomen (zo niet, dan vernemen wij dit graag omgaand van u). Vooralsnog gaan we er (dus) vanuit dat uw arbeidsovereenkomst met Wetac per 1 maart 2024 zal eindigen. Dat heeft de volgende consequenties: Tot het einde van uw dienstverband zult u geen werkzaamheden meer voor ons verrichten (met uitzondering van met uw leidinggevende overeengekomen werkzaamheden “overdrachtswerkzaamheden”). Ook zult u tot de einddatum geen nevenwerkzaamheden mogen verrichten voor zichzelf of voor anderen (vgl. art. 6 van uw arbeidsovereenkomst); wij zullen u daaraan houden. U behoudt aanspraak op uw salaris tot het einde van uw dienstverband, met dien verstande dat uw opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen geacht worden te zijn genoten.(…) ” 2.4. Nadien is door Wetac aan [de eiser in conventie] het loon over de maand februari 2024 en openstaande vakantietoeslag uitbetaald. 2.5. Op 22 maart 2024 heeft Wetac aan [de eiser in conventie] een brief gestuurd waarin zij (samengevat) aan [de eiser in conventie] meldt dat het hem niet is toegestaan om Wetac op onrechtmatige wijze concurrentie aan te doen en hem sommeert om elke inbreuk op het bedrijfsdebiet van Wetac te staken en gestaakt te houden. 2.6. Daarop wordt door de gemachtigde van [de eiser in conventie] bij e-mail van 18 april 2024 inhoudelijk gereageerd, waarbij [de eiser in conventie] tevens aanspraak maakt op een correcte eindafrekening met uitbetaling van 73,21 vakantie-uren en 9,13 ATV-uren. 2.7. Wetac heeft zich nadien op het standpunt gesteld dat er in haar optiek geen sprake is van een verlof overschot maar juist van een verlof tekort, omdat het door [de eiser in conventie] genoemde restant aan verlof-uren volgens haar is genoten in de periode van 27 januari 2024 tot en met 29 februari 2024. 3 Het geschil in conventie 3.1. [de eiser in conventie] vordert (samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. Wetac te veroordelen tot betaling aan [de eiser in conventie] van: a. € 2.852,26 bruto aan openstaande vakantie-uren; b. € 355,70 bruto aan openstaande ATV-uren; c. de wettelijke verhoging van 50% over de onder a en b genoemde bedragen; d. de wettelijke rente over de onder a, b en c genoemde bedragen; II. afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag; III. Wetac te veroordelen tot betaling van € 445,80 netto inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten; IV. Wetac te veroordelen in de proceskosten; V. Wetac te veroordelen tot betaling van de nakosten met rente. 3.2. [de eiser in conventie] stelt dat hij op 27 januari 2024 bij Wetac zijn ontslag heeft ingediend, waarbij hij de bedoeling had om de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn op te zeggen. Dit is door Wetac ook zo opgevat. Van een onregelmatige opzegging is dan ook geen sprake geweest. [de eiser in conventie] heeft op 29 en 30 januari 2024 nog gewoon werkzaamheden verricht voor Wetac en in de gehele maand februari 2024 overdrachtswerkzaamheden. 3.3. Wetac heeft eenzijdig, en dus zonder akkoord van [de eiser in conventie] , besloten om [de eiser in conventie] voor de maand februari 2024 vrij te stellen van zijn reguliere werkzaamheden. Dit betreft een omstandigheid die voor haar eigen rekening en risico komt en die haar niet ontslaat van haar verplichting om het loon tijdens de vrijstelling van werk door te betalen. Verrekening van vakantiedagen is dan bovendien niet toegestaan. 3.4. Bij einde dienstverband per 1 maart 2024 stonden nog 73,21 uur aan opgebouwde en niet genoten vakantie-uren open en 9,13 aan ATV-uren. Bij de eindafrekening had Wetac die nog openstaande verlof-uren behoren uit te betalen, maar dit heeft zij tot op heden niet gedaan. Uitgaande van een bruto uurloon van € 38,96 heeft [de eiser in conventie] dan ook nog recht op € 2.852,26 bruto aan openstaande vakantie-uren en € 355,70 bruto aan ATV-uren. 3.5. Wetac voert verweer.
Volledig
Wetac verzoekt daarbij primair en subsidiair om [de eiser in conventie] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen, dan wel de vorderingen af te wijzen of te matigen tot nihil dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag. Daarnaast verzoekt Wetac meer subsidiair om, in geval dat Wetac wordt veroordeeld tot betaling van verlof-uren, de wettelijke verhoging op nihil te stellen en te verklaren voor recht dat [de eiser in conventie] per saldo niets meer te vorderen heeft van Wetac uit hoofde van verlof-uren, wettelijke rente en wettelijke verhoging. Primair, subsidiair en meer subsidiair verzoekt Wetac een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren met veroordeling van [de eiser in conventie] in de proceskosten. 3.6. Wetac stelt zich op het standpunt dat [de eiser in conventie] geen vordering (meer) heeft op Wetac, omdat: 3.6.1. sprake is geweest van een onregelmatige (schadeplichtige) opzegging door [de eiser in conventie] (artikel 7:672 lid 11 BW) met onmiddellijke ingang (namelijk ‘ per heden ’), in welk geval Wetac het loon over de maand februari 2024 onverschuldigd aan [de eiser in conventie] heeft betaald, nu hij die maand (afgezien van enkele overdrachtswerkzaamheden) niet meer heeft gewerkt voor Wetac. Wetac beroept zich op verrekening met de gefixeerde schadevergoeding die [de eiser in conventie] verschuldigd is geworden en/of het onverschuldigd betaalde loon. Na verrekening resteert dan nog een vordering van Wetac op [de eiser in conventie] uit hoofde van onverschuldigde betaling, welk bedrag door Wetac in reconventie van [de eiser in conventie] wordt gevorderd. of, 3.6.2. partijen nadere afspraken hebben gemaakt omtrent een alternatief scenario waarbij [de eiser in conventie] geacht zou worden regelmatig te hebben opgezegd per 1 maart 2024, mits de opgebouwde verlofdagen gedurende de opzegtermijn geacht zouden worden genoten te zijn met vrijstelling van werk. Ook in dit geval is er geen sprake (meer) van openstaande vakantie-uren en ATV-uren omdat deze door [de eiser in conventie] al zijn genoten. 3.7. Op de overige stellingen van partijen in conventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.8. Wetac vordert (samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [de eiser in conventie] primair te veroordelen tot terugbetaling aan Wetac van het loon over de periode februari 2024 van € 3.856,85, met rente ad € 497,99; II. [de eiser in conventie] subsidiair te veroordelen tot terugbetaling van het loon over de periode februari 2024 van € 3.856,85 met rente ad € 470,55; III. [de eiser in conventie] te veroordelen tot vergoeding van de volledige advocaatkosten van Wetac, zijnde: a. € 1.915,- (exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten; b. € 9.924,- (exclusief btw) aan daadwerkelijke kosten gemoeid met de onderhavige procedure tot op heden; c. € 2.275,- (exclusief btw) voor de mondelinge behandeling en de voorbereiding daarvan; IV. [de eiser in conventie] te veroordelen in de proceskosten. 3.9. Wetac stelt dat zij in reconventie in beide van de onder 3.6 genoemde gevallen vordert dat [de eiser in conventie] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van het te veel betaalde loon over de periode van 27 januari 2024 tot 1 maart 2024 van € 6.541,49 bruto met 8% vakantiegeld van € 523,32 = € 7.064,81 bruto, verminderd met € 2.852,26 (vakantie-uren) en € 355,70 (ATV-uren), zijnde € 3.856,85, te vermeerderen met rente. 3.10. Wetac stelt daarnaast dat [de eiser in conventie] misbruik maakt van bevoegdheid en/of procesrecht, dan wel onrechtmatig handelt door vorderingen in te stellen terwijl hij weet dat deze niet bestaan. Dit moet volgens Wetac leiden tot veroordeling van [de eiser in conventie] in de daadwerkelijke proceskosten. 3.11. [de eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Wetac, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Wetac, met veroordeling van Wetac in de kosten van deze procedure. 3.12. Daartoe stelt [de eiser in conventie] onder meer dat van een schadeplichtige opzegging geen sprake is geweest en dat hij niet akkoord is gegaan met het voorstel van Wetac. Vrijstelling van werkzaamheden ligt daarnaast in de risicosfeer van Wetac, zodat van onverschuldigd betaald loon geen sprake is geweest. Ten slotte stelt [de eiser in conventie] dat misbruik van procesrecht hier niet aan de orde is, zodat de gevorderde vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten eveneens dient te worden afgewezen. 3.13. Op de overige stellingen van partijen in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Kern van het geschil en uitkomst 4.1. Kern van het geschil betreft - kort gezegd - de vraag of [de eiser in conventie] nog recht heeft op uitbetaling van opgebouwde en niet genoten vakantie- en ATV-uren bij einde arbeidsovereenkomst. In dat verband dient (onder andere) te worden beoordeeld wanneer het dienstverband tussen partijen tot een einde is gekomen en of de door [de eiser in conventie] genoemde verlof-uren al genoten zijn, dan wel dat de waarde daarvan dient te worden verrekend met een vordering die Wetac stelt uit hoofde van onverschuldigde betaling op [de eiser in conventie] te hebben. 4.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de eiser in conventie] nog recht op uitbetaling van opgebouwde en niet-genoten vakantie-uren en heeft Wetac geen vordering op [de eiser in conventie] uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het bedrag van € 2.852,26 bruto is dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met (de gematigde) wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast wordt ook de vordering tot overlegging van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, met uitzondering van de dwangsom, toegewezen, en het merendeel van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De reconventionele vorderingen van Wetac worden afgewezen. Dit geldt ook met betrekking tot de vordering van [de eiser in conventie] tot vergoeding van ATV-uren, nu een rechtsgrond daarvoor ontbreekt. Tot slot wordt Wetac veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht. in conventie Vordering tot uitbetaling van vakantie-uren 4.3. Artikel 7:641 lid 1 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak, tenzij artikel 639 lid 2 van toepassing is. 4.4. Voor het antwoord op de vraag of er bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog vakantie-uren open stonden, dient allereerst te worden vastgesteld wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd, nu dit een van de geschilpunten tussen partijen betreft. 4.5. Vooropgesteld wordt dat opzegging van een arbeidsovereenkomst een eenzijdige rechtshandeling is, die een duidelijke en ondubbelzinnige op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte wilsverklaring vereist. Dit, gelet op de verstrekkende gevolgen die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor een werknemer kan hebben. Deze maatstaf brengt met zich dat een werkgever niet snel mag aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op een vrijwillige beëindiging. Onder omstandigheden moet de werkgever zich er met redelijke zorgvuldigheid van vergewissen dat de werknemer inderdaad beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft betoogd. 4.6. Niet in geschil is als zodanig dat [de eiser in conventie] de wil had om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen, welke wil zich bij e-mail van 27 januari 2024 heeft geopenbaard. Wel is de kantonrechter van oordeel dat van een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting ten aanzien van de datum van beëindiging niet gesproken kan worden. In dit verband wordt erop gewezen dat hoewel de in de e-mail van 27 januari 2024 gebruikte woorden ‘ per heden ’ er op lijken te wijzen dat [de eiser in conventie] de arbeidsovereenkomst per direct wilde opzeggen, hij zelf stelt de bedoeling te hebben gehad de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de geldende opzegtermijn te beëindigen.
Volledig
Wetac verzoekt daarbij primair en subsidiair om [de eiser in conventie] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans hem deze te ontzeggen, dan wel de vorderingen af te wijzen of te matigen tot nihil dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag. Daarnaast verzoekt Wetac meer subsidiair om, in geval dat Wetac wordt veroordeeld tot betaling van verlof-uren, de wettelijke verhoging op nihil te stellen en te verklaren voor recht dat [de eiser in conventie] per saldo niets meer te vorderen heeft van Wetac uit hoofde van verlof-uren, wettelijke rente en wettelijke verhoging. Primair, subsidiair en meer subsidiair verzoekt Wetac een en ander uitvoerbaar bij voorraad te verklaren met veroordeling van [de eiser in conventie] in de proceskosten. 3.6. Wetac stelt zich op het standpunt dat [de eiser in conventie] geen vordering (meer) heeft op Wetac, omdat: 3.6.1. sprake is geweest van een onregelmatige (schadeplichtige) opzegging door [de eiser in conventie] (artikel 7:672 lid 11 BW) met onmiddellijke ingang (namelijk ‘ per heden ’), in welk geval Wetac het loon over de maand februari 2024 onverschuldigd aan [de eiser in conventie] heeft betaald, nu hij die maand (afgezien van enkele overdrachtswerkzaamheden) niet meer heeft gewerkt voor Wetac. Wetac beroept zich op verrekening met de gefixeerde schadevergoeding die [de eiser in conventie] verschuldigd is geworden en/of het onverschuldigd betaalde loon. Na verrekening resteert dan nog een vordering van Wetac op [de eiser in conventie] uit hoofde van onverschuldigde betaling, welk bedrag door Wetac in reconventie van [de eiser in conventie] wordt gevorderd. of, 3.6.2. partijen nadere afspraken hebben gemaakt omtrent een alternatief scenario waarbij [de eiser in conventie] geacht zou worden regelmatig te hebben opgezegd per 1 maart 2024, mits de opgebouwde verlofdagen gedurende de opzegtermijn geacht zouden worden genoten te zijn met vrijstelling van werk. Ook in dit geval is er geen sprake (meer) van openstaande vakantie-uren en ATV-uren omdat deze door [de eiser in conventie] al zijn genoten. 3.7. Op de overige stellingen van partijen in conventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. in reconventie 3.8. Wetac vordert (samengevat) bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: I. [de eiser in conventie] primair te veroordelen tot terugbetaling aan Wetac van het loon over de periode februari 2024 van € 3.856,85, met rente ad € 497,99; II. [de eiser in conventie] subsidiair te veroordelen tot terugbetaling van het loon over de periode februari 2024 van € 3.856,85 met rente ad € 470,55; III. [de eiser in conventie] te veroordelen tot vergoeding van de volledige advocaatkosten van Wetac, zijnde: a. € 1.915,- (exclusief btw) aan buitengerechtelijke incassokosten; b. € 9.924,- (exclusief btw) aan daadwerkelijke kosten gemoeid met de onderhavige procedure tot op heden; c. € 2.275,- (exclusief btw) voor de mondelinge behandeling en de voorbereiding daarvan; IV. [de eiser in conventie] te veroordelen in de proceskosten. 3.9. Wetac stelt dat zij in reconventie in beide van de onder 3.6 genoemde gevallen vordert dat [de eiser in conventie] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van het te veel betaalde loon over de periode van 27 januari 2024 tot 1 maart 2024 van € 6.541,49 bruto met 8% vakantiegeld van € 523,32 = € 7.064,81 bruto, verminderd met € 2.852,26 (vakantie-uren) en € 355,70 (ATV-uren), zijnde € 3.856,85, te vermeerderen met rente. 3.10. Wetac stelt daarnaast dat [de eiser in conventie] misbruik maakt van bevoegdheid en/of procesrecht, dan wel onrechtmatig handelt door vorderingen in te stellen terwijl hij weet dat deze niet bestaan. Dit moet volgens Wetac leiden tot veroordeling van [de eiser in conventie] in de daadwerkelijke proceskosten. 3.11. [de eiser in conventie] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Wetac, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Wetac, met veroordeling van Wetac in de kosten van deze procedure. 3.12. Daartoe stelt [de eiser in conventie] onder meer dat van een schadeplichtige opzegging geen sprake is geweest en dat hij niet akkoord is gegaan met het voorstel van Wetac. Vrijstelling van werkzaamheden ligt daarnaast in de risicosfeer van Wetac, zodat van onverschuldigd betaald loon geen sprake is geweest. Ten slotte stelt [de eiser in conventie] dat misbruik van procesrecht hier niet aan de orde is, zodat de gevorderde vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten eveneens dient te worden afgewezen. 3.13. Op de overige stellingen van partijen in reconventie wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling Kern van het geschil en uitkomst 4.1. Kern van het geschil betreft - kort gezegd - de vraag of [de eiser in conventie] nog recht heeft op uitbetaling van opgebouwde en niet genoten vakantie- en ATV-uren bij einde arbeidsovereenkomst. In dat verband dient (onder andere) te worden beoordeeld wanneer het dienstverband tussen partijen tot een einde is gekomen en of de door [de eiser in conventie] genoemde verlof-uren al genoten zijn, dan wel dat de waarde daarvan dient te worden verrekend met een vordering die Wetac stelt uit hoofde van onverschuldigde betaling op [de eiser in conventie] te hebben. 4.2. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [de eiser in conventie] nog recht op uitbetaling van opgebouwde en niet-genoten vakantie-uren en heeft Wetac geen vordering op [de eiser in conventie] uit hoofde van onverschuldigde betaling. Het bedrag van € 2.852,26 bruto is dan ook toewijsbaar, te vermeerderen met (de gematigde) wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast wordt ook de vordering tot overlegging van een deugdelijke bruto/netto-specificatie, met uitzondering van de dwangsom, toegewezen, en het merendeel van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. De reconventionele vorderingen van Wetac worden afgewezen. Dit geldt ook met betrekking tot de vordering van [de eiser in conventie] tot vergoeding van ATV-uren, nu een rechtsgrond daarvoor ontbreekt. Tot slot wordt Wetac veroordeeld in de proceskosten in conventie en in reconventie. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht. in conventie Vordering tot uitbetaling van vakantie-uren 4.3. Artikel 7:641 lid 1 BW bepaalt dat een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht heeft op een uitkering in geld tot een bedrag van het loon over een tijdvak overeenkomend met de aanspraak, tenzij artikel 639 lid 2 van toepassing is. 4.4. Voor het antwoord op de vraag of er bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog vakantie-uren open stonden, dient allereerst te worden vastgesteld wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd, nu dit een van de geschilpunten tussen partijen betreft. 4.5. Vooropgesteld wordt dat opzegging van een arbeidsovereenkomst een eenzijdige rechtshandeling is, die een duidelijke en ondubbelzinnige op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte wilsverklaring vereist. Dit, gelet op de verstrekkende gevolgen die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor een werknemer kan hebben. Deze maatstaf brengt met zich dat een werkgever niet snel mag aannemen dat een verklaring van de werknemer is gericht op een vrijwillige beëindiging. Onder omstandigheden moet de werkgever zich er met redelijke zorgvuldigheid van vergewissen dat de werknemer inderdaad beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft betoogd. 4.6. Niet in geschil is als zodanig dat [de eiser in conventie] de wil had om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen, welke wil zich bij e-mail van 27 januari 2024 heeft geopenbaard. Wel is de kantonrechter van oordeel dat van een duidelijke en ondubbelzinnige wilsuiting ten aanzien van de datum van beëindiging niet gesproken kan worden. In dit verband wordt erop gewezen dat hoewel de in de e-mail van 27 januari 2024 gebruikte woorden ‘ per heden ’ er op lijken te wijzen dat [de eiser in conventie] de arbeidsovereenkomst per direct wilde opzeggen, hij zelf stelt de bedoeling te hebben gehad de arbeidsovereenkomst met inachtneming van de geldende opzegtermijn te beëindigen.
Volledig
Dat hij deze bedoeling had vindt ook steun in de in diezelfde e-mail opgenomen zinssnede ‘ ik zal er alles aan doen om de zaken zo netjes mogelijk af te sluiten ’. Daarbij komt dat ook uit de brief van Wetac van 30 januari 2024 volgt dat zij zich er bewust van was dat de e-mail van [de eiser in conventie] voor wat betreft de datum van beëindiging voor meerdere uitleggen vatbaar was. 4.7. Gelet op deze onduidelijkheid lag het op de weg van Wetac om de redelijke zorgvuldigheid in acht te nemen en de e-mail van [de eiser in conventie] , in ieder geval voor wat betreft de datum einde arbeidsovereenkomst, welwillend te lezen. Dit heeft Wetac aanvankelijk ook gedaan, nu zij in haar brief van 30 januari 2024 zelf aangeeft ‘ wij gaan er echter van uit dat u heeft bedoeld op te zeggen met inachtneming van de toepasselijke (wettelijke) opzegtermijn om voornoemde schadeplichtigheid te voorkomen (zo niet, dan vernemen wij dit graag omgaand van u) ’. Niet gebleken is dat [de eiser in conventie] vervolgens (ontkennend) op deze brief heeft gereageerd en vast staat dat hij in de periode van 28 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 in ieder geval nog overdrachtswerkzaamheden voor Wetac heeft verricht. Door Wetac is daarnaast ook het loon over de maand februari 2024 aan [de eiser in conventie] uitbetaald. De voornoemde omstandigheden tezamen maken naar het oordeel van de kantonrechter dat er vanuit dient te worden gegaan dat [de eiser in conventie] de wil heeft gehad om de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2024 op te zeggen en dat Wetac dit ook zo heeft begrepen. Dit maakt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook dat er vanuit dient te worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 maart 2024. 4.8. Ten aanzien van de gevolgen van een einde arbeidsovereenkomst per 1 maart 2024 wordt overwogen dat in beginsel als uitgangspunt geldt dat [de eiser in conventie] enerzijds gehouden is om tot aan die datum arbeid te verrichten en dat Wetac anderzijds verplicht is om het loon tot aan die datum te betalen. Daarnaast bepaalt de wet dat het openstaande vakantiesaldo bij de eindafrekening van het dienstverband wordt uitbetaald. Partijen kunnen echter overeenkomen om van het voorgaande af te wijken. 4.9. Dat partijen anders zijn overeengekomen, is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet komen vast te staan. Uit de brief van Wetac van 30 januari 2024 volgt weliswaar dat Wetac [de eiser in conventie] wenste vrij te stellen van werkzaamheden tot einde dienstverband met behoudt van loon, waarbij de nog openstaande vakantie-uren zouden worden geacht genoten te zijn, maar niet gebleken is dat [de eiser in conventie] daarmee op enig moment heeft ingestemd. In dit verband wordt overwogen dat [de eiser in conventie] ter mondelinge behandeling desgevraagd nog heeft benoemd dat hij de brief van 30 januari 2024, en meer specifiek de daarin door Wetac genoemde vrijstelling van werk als zijnde een consequentie van een einde dienstverband per 1 maart 2024, ter kennisgeving heeft aangenomen omdat hij er vanuit ging dat hij deze door Wetac gewenste vrijstelling van werk had te accepteren. Uit het niet reageren op de brief van 30 januari 2024 kan naar het oordeel van de kantonrechter ook geen instemming van [de eiser in conventie] met de door Wetac gestelde consequenties worden afgeleid. 4.10. Uit de brief van 30 januari 2024 aan [de eiser in conventie] volgt daarnaast onvoldoende duidelijk dat er als het ware twee opties werden voorgehouden aan [de eiser in conventie] waaruit [de eiser in conventie] diende te kiezen. Bovendien kunnen de door Wetac ‘voorgestelde opties’ naar het oordeel van de kantonrechter ook niet als redelijk worden aangemerkt. Immers andere - en voor [de eiser in conventie] minder ongunstige - opties zijn er aan [de eiser in conventie] , in het kader van onderhandeling, in het geheel niet voorgelegd. Een mogelijkheid om af te wijken van deze limitatieve opties leek er dan ook niet te zijn. 4.11. De beslissing van Wetac om [de eiser in conventie] tot 1 maart 2024 vrij te stellen van zijn reguliere werkzaamheden betreft dus een eenzijdig besluit van Wetac. De omstandigheid dat [de eiser in conventie] in de periode van 27 januari tot en met 29 februari 2024 zijn reguliere arbeid niet heeft verricht, betreft dan ook een omstandigheid die voor rekening en risico van Wetac komt. Wetac is hiermee dan ook niet ontslagen van haar verplichting om het loon over die periode aan [de eiser in conventie] door te betalen (artikel 7:628 lid 1 BW). Evenmin kan de vrijstelling van werkzaamheden eenzijdig bij [de eiser in conventie] in rekening worden gebracht door hem verplicht vakantiedagen op te laten nemen. In dit kader wordt er ook nog op gewezen dat vaststelling van vakantiedagen overeenkomstig de wensen van de werknemer dient plaats te vinden, tenzij er gewichtige redenen zijn (artikel 7:638 lid 2 BW). Uit niets is echter gebleken dat [de eiser in conventie] dit zo heeft gewild. 4.12. Het voorgaande brengt met zich dat de door [de eiser in conventie] genoemde resterende 73,21 vakantie-uren, waarvan Wetac de hoogte voor het overige niet heeft betwist, niet kunnen worden geacht genoten te zijn en bij het einde van de arbeidsovereenkomst dus nog open stonden. Nu Wetac daarnaast gehouden was het loon over de periode van 27 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 door te betalen, is van een onverschuldigde betaling van dit loon evenmin sprake geweest. Het beroep van Wetac op verrekening slaagt dan ook niet, zodat Wetac alsnog gehouden is om tot uitbetaling van het restant aan vakantie-uren over te gaan. De vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van het bedrag van € 2.852,26 bruto wordt dan ook toegewezen. Vordering tot uitbetaling van ATV-uren 4.13. ATV-regelingen zijn in het algemeen in het leven geroepen om het verlies van arbeidsplaatsen tegen te gaan en nieuwe arbeidsplaatsen te creëren. Dit betekent dat, anders dan bij de vakantieregeling het geval is, deze regeling niet de bedoeling heeft om de werknemer te beschermen tegen overbelasting door hem betaald verlof te geven. Om die reden is het wettelijke regime dat geldt voor vakantiedagen dan ook niet van toepassing op ATV-dagen. Het antwoord op de vraag of de werknemer bij einde dienstbetrekking aanspraak zal hebben op een vergoeding in geld voor niet-genoten ATV-dagen, wordt dan ook niet bepaald door artikel 7:641 BW maar door de partij-afspraak. Gekeken dient dan te worden naar hetgeen tussen werkgever en werknemer is overeengekomen, danwel wat daarover in een toepasselijke CAO is opgenomen. 4.14. In het onderhavige geval is gesteld nog gebleken dat tussen partijen is overeengekomen dat [de eiser in conventie] bij einde dienstbetrekking aanspraak heeft op een vergoeding in geld voor niet-genoten ATV-uren. Een rechtsgrond voor toewijzing van deze vordering van [de eiser in conventie] ontbreekt dan ook. Dit leidt ertoe dat dit deel van de vordering van [de eiser in conventie] wordt afgewezen. Wettelijke verhoging en wettelijke rente 4.15. [de eiser in conventie] heeft verder verzocht de wettelijke verhoging toe te wijzen over alle door hem gevorderde bedragen. Wetac heeft op haar beurt verzocht de wettelijke verhoging af te wijzen dan wel te matigen. 4.16. Uit het voorgaande volgt dat Wetac de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren niet tijdig aan [de eiser in conventie] heeft betaald. Op grond van artikel 7:625 BW kan de wettelijke verhoging worden toegewezen over het loon bij niet tijdige betaling. Daaronder wordt ook begrepen de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren. De wettelijke verhoging wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter in de gegeven omstandigheden wel aanleiding ziet om deze te matigen tot 10%. 4.17. Ook de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW) is toewijsbaar over de vergoeding voor openstaande vakantie-uren en de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid. Bruto/netto-specificatie 4.18.
Volledig
Dat hij deze bedoeling had vindt ook steun in de in diezelfde e-mail opgenomen zinssnede ‘ ik zal er alles aan doen om de zaken zo netjes mogelijk af te sluiten ’. Daarbij komt dat ook uit de brief van Wetac van 30 januari 2024 volgt dat zij zich er bewust van was dat de e-mail van [de eiser in conventie] voor wat betreft de datum van beëindiging voor meerdere uitleggen vatbaar was. 4.7. Gelet op deze onduidelijkheid lag het op de weg van Wetac om de redelijke zorgvuldigheid in acht te nemen en de e-mail van [de eiser in conventie] , in ieder geval voor wat betreft de datum einde arbeidsovereenkomst, welwillend te lezen. Dit heeft Wetac aanvankelijk ook gedaan, nu zij in haar brief van 30 januari 2024 zelf aangeeft ‘ wij gaan er echter van uit dat u heeft bedoeld op te zeggen met inachtneming van de toepasselijke (wettelijke) opzegtermijn om voornoemde schadeplichtigheid te voorkomen (zo niet, dan vernemen wij dit graag omgaand van u) ’. Niet gebleken is dat [de eiser in conventie] vervolgens (ontkennend) op deze brief heeft gereageerd en vast staat dat hij in de periode van 28 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 in ieder geval nog overdrachtswerkzaamheden voor Wetac heeft verricht. Door Wetac is daarnaast ook het loon over de maand februari 2024 aan [de eiser in conventie] uitbetaald. De voornoemde omstandigheden tezamen maken naar het oordeel van de kantonrechter dat er vanuit dient te worden gegaan dat [de eiser in conventie] de wil heeft gehad om de arbeidsovereenkomst per 1 maart 2024 op te zeggen en dat Wetac dit ook zo heeft begrepen. Dit maakt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook dat er vanuit dient te worden gegaan dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd per 1 maart 2024. 4.8. Ten aanzien van de gevolgen van een einde arbeidsovereenkomst per 1 maart 2024 wordt overwogen dat in beginsel als uitgangspunt geldt dat [de eiser in conventie] enerzijds gehouden is om tot aan die datum arbeid te verrichten en dat Wetac anderzijds verplicht is om het loon tot aan die datum te betalen. Daarnaast bepaalt de wet dat het openstaande vakantiesaldo bij de eindafrekening van het dienstverband wordt uitbetaald. Partijen kunnen echter overeenkomen om van het voorgaande af te wijken. 4.9. Dat partijen anders zijn overeengekomen, is naar het oordeel van de kantonrechter echter niet komen vast te staan. Uit de brief van Wetac van 30 januari 2024 volgt weliswaar dat Wetac [de eiser in conventie] wenste vrij te stellen van werkzaamheden tot einde dienstverband met behoudt van loon, waarbij de nog openstaande vakantie-uren zouden worden geacht genoten te zijn, maar niet gebleken is dat [de eiser in conventie] daarmee op enig moment heeft ingestemd. In dit verband wordt overwogen dat [de eiser in conventie] ter mondelinge behandeling desgevraagd nog heeft benoemd dat hij de brief van 30 januari 2024, en meer specifiek de daarin door Wetac genoemde vrijstelling van werk als zijnde een consequentie van een einde dienstverband per 1 maart 2024, ter kennisgeving heeft aangenomen omdat hij er vanuit ging dat hij deze door Wetac gewenste vrijstelling van werk had te accepteren. Uit het niet reageren op de brief van 30 januari 2024 kan naar het oordeel van de kantonrechter ook geen instemming van [de eiser in conventie] met de door Wetac gestelde consequenties worden afgeleid. 4.10. Uit de brief van 30 januari 2024 aan [de eiser in conventie] volgt daarnaast onvoldoende duidelijk dat er als het ware twee opties werden voorgehouden aan [de eiser in conventie] waaruit [de eiser in conventie] diende te kiezen. Bovendien kunnen de door Wetac ‘voorgestelde opties’ naar het oordeel van de kantonrechter ook niet als redelijk worden aangemerkt. Immers andere - en voor [de eiser in conventie] minder ongunstige - opties zijn er aan [de eiser in conventie] , in het kader van onderhandeling, in het geheel niet voorgelegd. Een mogelijkheid om af te wijken van deze limitatieve opties leek er dan ook niet te zijn. 4.11. De beslissing van Wetac om [de eiser in conventie] tot 1 maart 2024 vrij te stellen van zijn reguliere werkzaamheden betreft dus een eenzijdig besluit van Wetac. De omstandigheid dat [de eiser in conventie] in de periode van 27 januari tot en met 29 februari 2024 zijn reguliere arbeid niet heeft verricht, betreft dan ook een omstandigheid die voor rekening en risico van Wetac komt. Wetac is hiermee dan ook niet ontslagen van haar verplichting om het loon over die periode aan [de eiser in conventie] door te betalen (artikel 7:628 lid 1 BW). Evenmin kan de vrijstelling van werkzaamheden eenzijdig bij [de eiser in conventie] in rekening worden gebracht door hem verplicht vakantiedagen op te laten nemen. In dit kader wordt er ook nog op gewezen dat vaststelling van vakantiedagen overeenkomstig de wensen van de werknemer dient plaats te vinden, tenzij er gewichtige redenen zijn (artikel 7:638 lid 2 BW). Uit niets is echter gebleken dat [de eiser in conventie] dit zo heeft gewild. 4.12. Het voorgaande brengt met zich dat de door [de eiser in conventie] genoemde resterende 73,21 vakantie-uren, waarvan Wetac de hoogte voor het overige niet heeft betwist, niet kunnen worden geacht genoten te zijn en bij het einde van de arbeidsovereenkomst dus nog open stonden. Nu Wetac daarnaast gehouden was het loon over de periode van 27 januari 2024 tot en met 29 februari 2024 door te betalen, is van een onverschuldigde betaling van dit loon evenmin sprake geweest. Het beroep van Wetac op verrekening slaagt dan ook niet, zodat Wetac alsnog gehouden is om tot uitbetaling van het restant aan vakantie-uren over te gaan. De vordering van [de eiser in conventie] tot betaling van het bedrag van € 2.852,26 bruto wordt dan ook toegewezen. Vordering tot uitbetaling van ATV-uren 4.13. ATV-regelingen zijn in het algemeen in het leven geroepen om het verlies van arbeidsplaatsen tegen te gaan en nieuwe arbeidsplaatsen te creëren. Dit betekent dat, anders dan bij de vakantieregeling het geval is, deze regeling niet de bedoeling heeft om de werknemer te beschermen tegen overbelasting door hem betaald verlof te geven. Om die reden is het wettelijke regime dat geldt voor vakantiedagen dan ook niet van toepassing op ATV-dagen. Het antwoord op de vraag of de werknemer bij einde dienstbetrekking aanspraak zal hebben op een vergoeding in geld voor niet-genoten ATV-dagen, wordt dan ook niet bepaald door artikel 7:641 BW maar door de partij-afspraak. Gekeken dient dan te worden naar hetgeen tussen werkgever en werknemer is overeengekomen, danwel wat daarover in een toepasselijke CAO is opgenomen. 4.14. In het onderhavige geval is gesteld nog gebleken dat tussen partijen is overeengekomen dat [de eiser in conventie] bij einde dienstbetrekking aanspraak heeft op een vergoeding in geld voor niet-genoten ATV-uren. Een rechtsgrond voor toewijzing van deze vordering van [de eiser in conventie] ontbreekt dan ook. Dit leidt ertoe dat dit deel van de vordering van [de eiser in conventie] wordt afgewezen. Wettelijke verhoging en wettelijke rente 4.15. [de eiser in conventie] heeft verder verzocht de wettelijke verhoging toe te wijzen over alle door hem gevorderde bedragen. Wetac heeft op haar beurt verzocht de wettelijke verhoging af te wijzen dan wel te matigen. 4.16. Uit het voorgaande volgt dat Wetac de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren niet tijdig aan [de eiser in conventie] heeft betaald. Op grond van artikel 7:625 BW kan de wettelijke verhoging worden toegewezen over het loon bij niet tijdige betaling. Daaronder wordt ook begrepen de vergoeding voor opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren. De wettelijke verhoging wordt dan ook toegewezen, met dien verstande dat de kantonrechter in de gegeven omstandigheden wel aanleiding ziet om deze te matigen tot 10%. 4.17. Ook de gevorderde wettelijke rente (artikel 6:119 BW) is toewijsbaar over de vergoeding voor openstaande vakantie-uren en de wettelijke verhoging vanaf de dag van opeisbaarheid. Bruto/netto-specificatie 4.18.
Volledig
De vordering tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de nog door Wetac te verrichten betalingen op straffe van een dwangsom, wordt eveneens toegewezen, op grond van artikel 7:626 BW. 4.19. Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom ziet de kantonrechter echter geen aanleiding, nu Wetac heeft aangegeven dat zij bij toewijzing van deze vordering daaraan vrijwillig zal voldoen. Een belang bij toewijzing van de gevorderde dwangsom ontbreekt dan ook. Buitengerechtelijke incassokosten 4.20. [de eiser in conventie] maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 445,80 netto inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. Daar is door Wetac bezwaar tegen gemaakt. 4.21. Aangezien Wetac niet tijdig tot uitbetaling van de opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren is overgegaan, heeft [de eiser in conventie] zijn vordering terecht uit handen gegeven. [de eiser in conventie] heeft daarnaast voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De daarvoor gemaakte kosten komen dan ook voor rekening van Wetac. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gelet op het toegewezen bedrag niet in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief dat redelijk wordt geacht. Derhalve wordt conform het in het voornoemd besluit genoemde tarief een bedrag van € 410,22 toegewezen. Proceskosten 4.22. Wetac is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,02 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.038,52 4.23. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie Vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling 4.24. Uit hetgeen in conventie is geoordeeld volgt dat van een vordering van Wetac uit hoofde van onverschuldigde betaling geen sprake is, nu Wetac gehouden was het loon over de periode februari 2024 aan [de eiser in conventie] uit te betalen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de reconventionele vordering van Wetac wordt afgewezen. Vergoeding daadwerkelijke proceskosten 4.25. Wetac heeft ook nog aanspraak gemaakt op een vergoeding ter zake van daadwerkelijk gemaakte proceskosten. 4.26. Voor een volledige proceskostenvergoeding moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden voldaan aan de maatstaf voor misbruik van procesbevoegdheid. Die situatie doet zich niet snel voor. Hoofdregel is dat een forfaitair bedrag aan proceskosten wordt toegekend en niet de werkelijke proceskosten die vaak hoger zijn. 4.27. In het onderhavige geval is [de eiser in conventie] grotendeels in het gelijk gesteld en is van misbruik van procesbevoegdheid niet gebleken. Voor toekenning van een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte proceskosten wordt dan ook geen aanleiding gezien. Proceskosten 4.28. Wetac is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 126,50 (1 punt × factor 0,5 × € 253,00) Totaal € 126,50 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt Wetac om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 2.852,26 bruto aan opgebouwde en niet genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, 5.2. veroordeelt Wetac om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 410,22 netto aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw), 5.3. veroordeelt Wetac om aan [de eiser in conventie] binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken conform artikel 7:626 BW waarin de voornoemde betalingen zijn verwerkt, 5.4. veroordeelt Wetac in de proceskosten van € 1.038,52 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Wetac niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. veroordeelt Wetac tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, in reconventie 5.6. wijst de vorderingen van Wetac af, 5.7. veroordeelt Wetac in de proceskosten van € 126,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Wetac niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, in conventie en in reconventie 5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af, Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. 2108 HR 6 februari 1998, NJ 1998/351, HR 28 april 2000, NJ 2000/582 en HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9633 HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Grand Café/Duka/Achmea)
Volledig
De vordering tot afgifte van een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de nog door Wetac te verrichten betalingen op straffe van een dwangsom, wordt eveneens toegewezen, op grond van artikel 7:626 BW. 4.19. Voor toewijzing van de gevorderde dwangsom ziet de kantonrechter echter geen aanleiding, nu Wetac heeft aangegeven dat zij bij toewijzing van deze vordering daaraan vrijwillig zal voldoen. Een belang bij toewijzing van de gevorderde dwangsom ontbreekt dan ook. Buitengerechtelijke incassokosten 4.20. [de eiser in conventie] maakt aanspraak op vergoeding van een bedrag van € 445,80 netto inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. Daar is door Wetac bezwaar tegen gemaakt. 4.21. Aangezien Wetac niet tijdig tot uitbetaling van de opgebouwde maar niet genoten vakantie-uren is overgegaan, heeft [de eiser in conventie] zijn vordering terecht uit handen gegeven. [de eiser in conventie] heeft daarnaast voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De daarvoor gemaakte kosten komen dan ook voor rekening van Wetac. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is gelet op het toegewezen bedrag niet in overeenstemming met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief dat redelijk wordt geacht. Derhalve wordt conform het in het voornoemd besluit genoemde tarief een bedrag van € 410,22 toegewezen. Proceskosten 4.22. Wetac is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op: - kosten van de dagvaarding € 149,02 - griffierecht € 257,00 - salaris gemachtigde € 506,00 (2 punten × € 253,00) - nakosten € 126,50 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.038,52 4.23. De gevorderde wettelijke rente over de nakosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. in reconventie Vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling 4.24. Uit hetgeen in conventie is geoordeeld volgt dat van een vordering van Wetac uit hoofde van onverschuldigde betaling geen sprake is, nu Wetac gehouden was het loon over de periode februari 2024 aan [de eiser in conventie] uit te betalen. Het voorgaande heeft tot gevolg dat de reconventionele vordering van Wetac wordt afgewezen. Vergoeding daadwerkelijke proceskosten 4.25. Wetac heeft ook nog aanspraak gemaakt op een vergoeding ter zake van daadwerkelijk gemaakte proceskosten. 4.26. Voor een volledige proceskostenvergoeding moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad worden voldaan aan de maatstaf voor misbruik van procesbevoegdheid. Die situatie doet zich niet snel voor. Hoofdregel is dat een forfaitair bedrag aan proceskosten wordt toegekend en niet de werkelijke proceskosten die vaak hoger zijn. 4.27. In het onderhavige geval is [de eiser in conventie] grotendeels in het gelijk gesteld en is van misbruik van procesbevoegdheid niet gebleken. Voor toekenning van een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte proceskosten wordt dan ook geen aanleiding gezien. Proceskosten 4.28. Wetac is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [de eiser in conventie] worden begroot op: - salaris gemachtigde € 126,50 (1 punt × factor 0,5 × € 253,00) Totaal € 126,50 5 De beslissing De kantonrechter in conventie 5.1. veroordeelt Wetac om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 2.852,26 bruto aan opgebouwde en niet genoten vakantie-uren, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 10% ex artikel 7:625 BW en het aldus verhoogde bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente ingevolge artikel 6:119 BW, vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening, 5.2. veroordeelt Wetac om aan [de eiser in conventie] te betalen een bedrag van € 410,22 netto aan buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw), 5.3. veroordeelt Wetac om aan [de eiser in conventie] binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken conform artikel 7:626 BW waarin de voornoemde betalingen zijn verwerkt, 5.4. veroordeelt Wetac in de proceskosten van € 1.038,52 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Wetac niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, 5.5. veroordeelt Wetac tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, in reconventie 5.6. wijst de vorderingen van Wetac af, 5.7. veroordeelt Wetac in de proceskosten van € 126,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Wetac niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, in conventie en in reconventie 5.8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, 5.9. wijst het meer of anders gevorderde af, Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Weerkamp - Beens en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026. 2108 HR 6 februari 1998, NJ 1998/351, HR 28 april 2000, NJ 2000/582 en HR 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9633 HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, NJ 2012/233 (Grand Café/Duka/Achmea)