Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-01-31
ECLI:NL:RBGEL:2025:953
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
10,315 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05/035974-24
Datum uitspraak : 31 januari 2025
Tegenspraak
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag 1] 1971 in [geboorteplaats] ,
wonende aan het [adres 1] , [postcode 1] [woonplaats] .
Raadsman: mr. M. van Viegen, advocaat in Utrecht.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 januari 2025.
1De kern van het vonnis
Verdachte wordt verweten dat hij aangever heeft verkracht en anderszins misbruikt, begin jaren ‘90. Aangever was toen tussen de 10 en 12 jaar oud, verdachte was rond de 20 jaar oud. Hij en verdachte waren beiden leerling van een moskee-internaat in [plaats 1] , waar zij in het weekend verbleven. Het misbruik zou ’s nachts gebeurd zijn. Verdachte heeft ter terechtzitting en bij de politie de verkrachting ontkend.
De rechtbank bespreekt de verklaring van aangever en komt tot de conclusie dat deze verklaring betrouwbaar is. Ook oordeelt de rechtbank dat er voldoende steunbewijs is. Voor dit steunbewijs gebruikt de rechtbank onder meer het herstelbemiddelingsgesprek tussen aangever en verdachte, waarin verdachte op essentiële onderdelen het verhaal van aangever heeft bevestigd. Aangever heeft dit gesprek heimelijk opgenomen en aan de politie verstrekt. De vraag of deze opname kan worden gebruikt als bewijs in de strafzaak, beantwoordt de rechtbank bevestigend.
De rechtbank veroordeelt verdachte voor de verkrachting en legt hem een gevangenisstraf op van 20 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij wordt een contactverbod met aangever opgelegd en een locatieverbod voor een aantal moskeeën in [plaats 2] . Deze straf komt overeen met de eis van de officier van justitie.
Verdachte moet aan aangever een schadevergoeding betalen, bestaande uit € 2.125,04 voor de geleden materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld.
2De inhoud van de tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1993 te [plaats 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen van zijn penis tussen de billen en/of in de anus van die [slachtoffer] en/of- het kussen van de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of- het brengen van zijn vingers in de mond van die [slachtoffer] ,waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte, terwijl hij en die [slachtoffer] zich als leerlingen in een zogenaamd moskee-internaat bevonden,- die [slachtoffer] in de nachtelijke uren, terwijl de andere leerlingen op een slaapzaal sliepen, heeft meegenomen naar een afgelegen en/of lege kamer en/of- tijdens hun nachtelijk samenzijn meerdere lichamelijke aanrakingen geleidelijk aan heeft opgevoerd, waarbij hij door die opbouw het verzet van die [slachtoffer] kon breken en/of- onverhoeds de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of- hierbij misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [slachtoffer] , gelet op het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat hij, verdachte, volgens de regels/gebruiken van voornoemd moskee-internaat een positie van overwicht had op die [slachtoffer] (gelet op hun leeftijdsverschil) en/of- hierbij voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of- hierdoor die [slachtoffer] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat die [slachtoffer] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. De aangifte is betrouwbaar en wordt in voldoende mate ondersteund door ander bewijs. Het heimelijk opgenomen vertrouwelijke gesprek tussen verdachte en aangever acht de officier van justitie bruikbaar voor het bewijs.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde verkrachting. Na verloop van een lange periode als in deze zaak het geval is, kan niet meer worden vastgesteld wat er daadwerkelijk is gebeurd. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is naast de aangifte. De heimelijk gemaakte audio-opname moet worden uitgesloten van het bewijs, om redenen die hierna zullen worden besproken en bevatten bovendien geen bekentenis. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat er slechts is gestoeid en geworsteld; elke vorm van (voorwaardelijk) opzet ontbreekt. Meer subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van dwang.
Beoordeling
1. Verdachte heeft ontkend dat hij het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, waarvan aangever aangifte heeft gedaan. De vragen die nu voorliggen aan de rechtbank zijn: is de verklaring van aangever betrouwbaar, en zo ja vindt deze verklaring op bepaalde punten bevestiging in andere bewijsmiddelen.
Verklaring aangever
2. Aangever [slachtoffer] (hierna: aangever) heeft verklaard dat hij in de weekenden vanaf 1992 in het internaat van de [stichting] (hierna: [stichting] ) in [plaats 1] kwam. Hij was toen tussen de 10 en 12 jaar oud. Verdachte was evenals aangever een leerling van het internaat, maar wel beduidend ouder, 21-23 jaar. Een aantal leerlingen overnachtte daar ook in het weekend. Zo ook aangever en verdachte. De leerlingen werden in drie groepen ingedeeld. Aangever zat in de groep met de jongste leerlingen, verdachte in de groep met de oudere leerlingen. De leerlingen sliepen in slaapzalen. ’s Nachts werd de wacht gehouden door een oudere leerling die werd gekoppeld met een jongere leerling. De oudere leerlingen hadden meer bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Verdachte was verantwoordelijk voor de nachtdienst en bepaalde welk koppel leerlingen de wacht hield gedurende de nacht. Er was sprake van strenge hiërarchische verhoudingen; jongere leerlingen werden geacht te luisteren naar de leraren en leiders van het internaat, maar ook naar de oudere leerlingen.
3. Aangever heeft verklaard dat hij in 1992 of 1993 een aantal keer de wacht moest houden samen met verdachte. Verdachte maakte hem dan wakker, gebaarde hem om mee te komen en gaf hem een snoepje. Hij nam hem mee naar een kamer op een andere verdieping. De eerste keer gebeurde er nog niet zoveel. Het contact ging steeds een stapje verder. Op het kamertje begon verdachte met stoeien. Op enig moment moest aangever op de grond liggen en verdachte ging op hem liggen. Hij ging dan met zijn geslachtsdeel bij het geslachtsdeel van aangever, aangever had toen wel nog zijn pyjama aan.
Aangever heeft verklaard dat verdachte ook met zijn vingers in de mond van aangever zat. Ook heeft verdachte hem op zijn rug gekust. Aangever lag toen op zijn buik, verdachte deed diens pyjama omhoog en kuste al stoeiend zijn rug.
De laatste keer moest aangever voorovergebogen op zijn knieën voor een bank zitten. Verdachte deed aangevers pyjamabroek en onderbroek naar beneden. Aangever kon de erectie van verdachte tussen zijn billen voelen. Verdachte ging met zijn penis in de anus van aangever. Hij voelde zijn geslachtdeel in hem. Dit deed hem pijn.
4. Eén van de leerlingen in de groep van aangever, getuige [getuige] , vroeg op enig moment aan aangever 'maakt hij jou ook wakker in de nacht?'. Aangever bevestigde dat. [getuige] heeft vervolgens gesproken met zijn oom, een oudere leerling met aanzien, met toegang tot het bestuur van het internaat, waarna een gesprek plaatsvond met [naam 1] en [naam 2] , twee sleutelfiguren binnen het internaat en de Stichting. Aangever en getuige werd gevraagd of verdachte ‘ook met zijn lul in ons had gezeten’. Aangever heeft dit toen ontkend. Verdachte is na het gesprek met de leiding van het internaat weggestuurd.
Betrouwbaarheid
5. Aangever heeft pas 30 jaar na het ten laste gelegde feit aangifte gedaan. Bovendien verklaart hij over een periode waarin hijzelf tussen de 10 en 12 jaar oud was. Dit betekent dat de rechtbank behoedzaam met de verklaringen van aangever omgaat. De rechtbank is echter van oordeel dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van die verklaringen te twijfelen. Aangever is consistent in hetgeen hij over de gebeurtenissen heeft verklaard, zowel ten aanzien van de handelingen die zouden hebben plaatsgevonden als de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden. De aangifte van 17 februari 2023 en het informatieve gesprek zeden van 5 januari 2023 en het aanvullend verhoor van 28 maart 2023 komen op essentiële punten overeen.
6. De rechtbank merkt daarbij op dat zij ook gebruik maakt van de handgeschreven aantekeningen van het informatieve gesprek, omdat deze aantekeningen dichter liggen bij wat aangever daadwerkelijk tegenover de politie heeft verklaard.
Zo vermeldt het proces-verbaal van het informatieve gesprek: “Uiteindelijk moest [slachtoffer] op
zijn buik liggen, zijn broek uitdoen en ging [verdachte] op hem liggen. [verdachte] penetreerde
[slachtoffer] met zijn geslachtsdeel zonder condoom,” waar de handgeschreven aantekeningen vermelden: “Moest op buik gaan liggen. Er is sprake van verkrachting. Mijn broek moest uit. Voelde zijn geslachtsdeel in mij.” Aangever geeft geen kwalificatie aan het gebeurde maar geeft een fysieke beschrijving van wat hij destijds voelde.
7. Tevens zijn de verklaringen van aangever voldoende gedetailleerd en authentiek. Aangever benoemt immers ook wat hij zich niet kan herinneren. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten in het dossier dat de verklaring van aangever gekleurd zou zijn door het tijdsverloop en trauma’s die geen verband houden met het ten laste gelegde. Aan de betrouwbaarheid van de aangifte draagt bij dat getuige [getuige] (hierna: getuige [getuige] ) zeer vergelijkbare ervaringen heeft met verdachte, zoals hierna zal worden vermeld. Ook hij is in de nacht meegenomen naar een andere kamer, er werd gestoeid en getuige heeft de erectie van verdachte gevoeld. Verder wordt de context waarbinnen het misbruik plaatsvond bevestigd door verdachte en getuige [getuige] . Niet op de laatste plaats heeft verdachte, zoals hieronder verder zal worden besproken, op essentiële onderdelen de verklaring van aangever bevestigd. De rechtbank acht daarom de verklaringen van aangever betrouwbaar.
Bewijsminimum
8. Volgens het tweede lid van artikel 342 Sv kan het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.
9. Kenmerkend voor veel zedenzaken is dat het veelal gaat om zaken waarin de feiten zich in het verborgene afspelen en het in de kern gaat om het woord van de aangever tegen dat van verdachte. Volgens de Hoge Raad is niet vereist dat het misbruik of de betrokkenheid van verdachte daarbij, steun vindt in ander bewijsmateriaal, maar kan het op bepaalde punten bevestigd zien van de verklaring van de aangever in andere bewijsmiddelen, mits afkomstig van een andere bron, eveneens afdoende zijn. Er mag geen te ver verwijderd verband bestaan tussen de aangifte en het overige gebezigde bewijsmateriaal.
10. De rechtbank is van oordeel dat voldaan is aan het bewijsminimum. De verklaring van aangever wordt op cruciale punten ondersteund door de volgende bewijsmiddelen, afkomstig uit andere bronnen.
Steunbewijs: verklaring [getuige]
11. Getuige [getuige] verbleef in dezelfde periode als aangever en verdachte gedurende de weekenden in het moskee-internaat. Bij de politie heeft hij verklaard dat hij, toen hij ongeveer 10 jaar was, gedurende de nachtdienst steeds benaderd werd door verdachte. Verdachte was verantwoordelijk voor de slaapzaal. Hij koos steeds [getuige] uit om de nachtdienst mee te doen. Verdachte drong dan met enige regelmaat aan om in de hal of een andere ruimte te stoeien en wat te duwen en te trekken. Hij kreeg geld van verdachte als hij meeging. Nadat hij een aantal keer mee was gegaan, voelde hij een keer het opgewonden geslachtsdeel van verdachte op zijn rug. Dat was het moment voor getuige dat hij hiervan melding deed bij zijn oom, een oudere leerling van het internaat, die in de groep van verdachte zat.
Conclusie
24. Op grond van deze bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft gedwongen tot het ondergaan van de in de tenlastelegging genoemde handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam.
Gelet op de jonge leeftijd waarop het misbruik plaatsvond, acht de rechtbank het begrijpelijk dat het voor aangever moeilijk is om precies in de tijd aan te geven wanneer de seksuele handelingen zijn gepleegd. Vast staat in ieder geval dat het in de in de tenlastelegging ruim omschreven periode is geweest.
4De bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 1992 tot en met 31 december 1993 te [plaats 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten- het brengen van zijn penis tussen de billen en/of in de anus van die [slachtoffer] en/of- het kussen van de rug, althans het lichaam van die [slachtoffer] en/of- het brengen van zijn vingers in de mond van die [slachtoffer] ,waarbij dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging met geweld en/of met die andere feitelijkheid er in heeft/hebben bestaan dat verdachte, terwijl hij en die [slachtoffer] zich als leerlingen in een zogenaamd moskee-internaat bevonden,- die [slachtoffer] in de nachtelijke uren, terwijl de andere leerlingen op een slaapzaal sliepen, heeft meegenomen naar een afgelegen en/of lege kamer en/of- tijdens hun nachtelijk samenzijn meerdere lichamelijke aanrakingen geleidelijk aan heeft opgevoerd, waarbij hij door die opbouw het verzet van die [slachtoffer] kon breken en/of- onverhoeds de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken en/of- hierbij misbruik heeft gemaakt van zijn uit feitelijke verhoudingen en omstandigheden voortvloeiende overwicht op die [slachtoffer] , gelet op het grote leeftijdsverschil en/of het feit dat hij, verdachte, volgens de regels/gebruiken van voornoemd moskee-internaat een positie van overwicht had op die [slachtoffer] (gelet op hun leeftijdsverschil) en/of- hierbij voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer] en/of- hierdoor die [slachtoffer] in een zodanig weerloze en/of afhankelijke toestand heeft gebracht dat die [slachtoffer] zich niet aan bovengenoemde seksuele handelingen kon en/of durfde te onttrekken.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5De kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Verkrachting.
6De strafbaarheid van het feit
Het feit is strafbaar.
7De strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Overwegingen
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen als bijzondere voorwaarden een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor alle bij de [stichting] aangesloten moskeeën in [plaats 2] te worden verbonden.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft, in het geval van een bewezenverklaring, bepleit dat rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop.
Beoordeling
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig feit, te weten verkrachting van een jongen die destijds 10 à 12 jaar oud was, waarmee hij een ernstige inbreuk op diens lichamelijke integriteit heeft gemaakt. Hij heeft daarbij gebruik gemaakt van diens kwetsbare positie alsook van het overwicht dat hij uit hoofde van zijn leeftijd en positie binnen het moskee-internaat op het slachtoffer had. Het is een feit van algemene bekendheid dat dit soort feiten langdurige en ernstige schade kunnen toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Ook in deze zaak is dat het geval, zoals blijkt uit de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring. Verdachte heeft slechts oog gehad voor bevrediging van zijn eigen behoeften en heeft niet stilgestaan bij de (ernstige) gevolgen die zijn daad zou kunnen hebben voor het minderjarige slachtoffer.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 29 november 2024, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. De reclassering heeft over verdachte een rapport opgemaakt. Er is niet gebleken van problemen die de aandacht van de reclassering behoeven. De reclassering adviseert bij veroordeling tot een voorwaardelijke straf om geen bijzondere voorwaarden op te leggen, behalve de door het slachtoffer verzochte contact- en locatieverbod.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank kan op het plegen van ernstige strafbare feiten als de bovengenoemde niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank realiseert zich dat de bewezen feiten zich dertig jaar geleden hebben voorgedaan. De wetgever heeft ervoor gekozen om ten aanzien van een aantal zeer ernstige misdrijven de verjaring af te schaffen, omdat het rechtsgevoel in de samenleving vervolging en bestraffing van dergelijke misdrijven ook na lange tijd nog verlangt. Onder meer om die reden meent de rechtbank dat een andere straf niet volstaat.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van verdachte. Zij zal aan verdachte een gevangenisstraf van 20 maanden opleggen, waarvan 12 maanden voorwaardelijk en daaraan gekoppeld een contactverbod met het slachtoffer. Het slachtoffer heeft daarnaast om een locatieverbod voor de bij de [stichting] aangesloten moskeeën in [plaats 1] verzocht. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat dit de moskeeën zijn die verdachte veelvuldig bezoekt. Eenieder, ook verdachte, heeft het recht op een zo onbelemmerd mogelijke geloofsvrijheid in woord en daad, waarvan ook deel uit maakt dat geloof te belijden door het bijwonen van godsdienstige bijeenkomsten in daarvoor bestemde gebedshuizen. Aangever heeft dat recht ook, en dan zonder het risico zijn vroegere belager weer tegen te komen. Aangever woont echter in [plaats 2] en heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom hij er belang bij heeft juist in een moskee in [plaats 1] godsdienstige bijeenkomsten bij te wonen. Daarom zal de rechtbank een locatieverbod voor alle bij de [stichting] aangesloten moskeeën in [plaats 2] opleggen.
De rechtbank zal daarbij de proeftijd van het voorwaardelijk strafdeel bepalen op twee jaren. Dit is een kortere proeftijd dan door de officier van justitie geëist, omdat de rechtbank, gelet op het lange tijdsverloop, een proeftijd van drie jaren niet passend acht.
Door het slachtoffer is verzocht om het contact- en locatieverbod dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De rechtbank kan hiertoe slechts overgaan indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Hiervan is niet gebleken. Afgezien van het contact dat door aangever is geïnitieerd heeft er al jaren geen contact plaatsgevonden tussen beiden.
Beoordeling
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in verband met het ten laste gelegde feit een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 2.125,04 aan materiële schade en € 10.000,- aan smartengeld, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard, in verband met de door de raadsman bepleite vrijspraak. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging betoogd dat het causaal verband tussen het feit en de schade niet eenvoudig kan worden vastgesteld, omdat tevens sprake zou zijn van problematiek die geen verband houdt met de ten laste gelegde feiten en die dezelfde schade kan hebben veroorzaakt.
Beoordeling
Materiële schade
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte schade heeft geleden. Uit de toelichting op de vordering blijkt voldoende het rechtstreekse verband tussen het bewezen verklaarde feit en de door de benadeelde partij gemaakte kosten voor therapie en het eigen risico. De schadeposten zijn daarmee voldoende onderbouwd en komen redelijk voor. Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk en de rechtbank zal dit deel van de vordering toewijzen.
De benadeelde partij heeft ook vergoeding verzocht van nog te maken medische kosten en vergoeding van het wettelijk eigen risico voor 2025. Dit verzoek is onderbouwd met een recente brief van zijn behandelaar aan zijn huisarts. Hoewel de kosten nog niet zijn gemaakt, acht de rechtbank aannemelijk dat deze kosten gemaakt zullen gaan worden en zijn ze daarmee voor toewijzing vatbaar.
Smartengeld
Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden doordat hij in de persoon is aangetast. Door de verkrachting heeft de benadeelde immers geestelijk letsel in de vorm van onder andere PTSS opgelopen. De psychische klachten vinden hun directe oorsprong in het handelen van verdachte, zodat dit aan verdachte is toe te rekenen. Dat aan de huidige emotionele en psychische problemen ook andere oorzaken ten grondslag liggen die in het geheel niet met het misbruik te maken hebben, is niet aannemelijk geworden. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Naar maatstaven van billijkheid zal zij het smartengeld op een bedrag van € 10.000,- vaststellen.
Proceskosten
Nu de vordering geheel wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Conclusie
De rechtbank zal de vordering toewijzen tot een bedrag van € 12.125,04, bestaande uit € 2.125,04 aan materiële schade en € 10.000,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal ook de door de benadeelde partij gevorderde wettelijke rente toewijzen. De materiële schade zal worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering tot schadevergoeding, te weten 8 januari 2025. De toegewezen immateriële schade zal worden verhoogd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1993, een datum die in het midden ligt van de bewezen verklaarde delictsperiode. Dat is een redelijke en praktisch uitvoerbare beslissing.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.
10De toegepaste wettelijke bepalingen
De oplegging van de straf en maatregel is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 12 maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
contactverbod
- verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact opneemt, zoekt of heeft met slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [geboortedag 2] 1981;
locatieverbod
- verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt op het terrein van de volgende moskeeën die zijn aangesloten bij de [stichting] :
[stichting] [plaats 2] , [adres 2] , [postcode 2] [plaats 2] ;
[stichting] [plaats 2] , [adres 3] , [postcode 3] [plaats 2] ;
[stichting] [plaats 2] , [adres 4] , [postcode 4] [plaats 2] ;
[stichting] [plaats 2] , [adres 5] , [postcode 5] [plaats 2] ;
[stichting] [plaats 2] , [adres 6] , [postcode 6] [plaats 2] ;
veroordeelt verdachte in verband met het feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 12.125,04, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag aan materiële schade van € 2.125,04 vanaf 8 januari 2025, en over een bedrag aan smartengeld van € 10.000,00 vanaf 1 januari 1993, steeds tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;
veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;
legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag van € 12.125,04, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag aan materiële schade van € 2.125,04 vanaf 8 januari 2025, en over een bedrag aan smartengeld van € 10.000,00 vanaf 1 januari 1993, steeds tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald. Als dit bedrag niet wordt betaald, kunnen 95 dagen gijzeling worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;
bepaalt daarbij dat met betaling aan de benadeelde partij in zoverre de betaling aan de Staat vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens, voorzitter, mr. J.M. Breimer en mr. R.D. Leen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W. Braaksma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2025.
mr. Braaksma is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2022593506, gesloten op 1 februari 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.
Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 13-18 en proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 1-2 en 6.
Proces-verbaal informatief gesprek, p. 1.
Formulier uitvoeren informatief gesprek, p. 6, in samenhang met het hiervan opgemaakte proces-verbaal.
Proces-verbaal verhoor getuige [getuige] , p. 118, 121-123.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 5.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 5.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 5.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 6.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 9.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 9.
Aanvullend proces-verbaal van bevindingen, volledige uitwerking audiobestand 18-01-2023, p. 2 en 5.
Bijlage bij het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 21.
Bijlage bij het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 22.
Beoordeling
Kort hierna vond er een gesprek plaats op de directiekamer. Aangever was ook bij dit gesprek aanwezig. Het weekend erop was verdachte vertrokken.
Steunbewijs: gesprek tussen verdachte en aangever
12. Aangever is op 18 januari 2023 samen met een medewerker van Perspectief Herstelbemiddeling in gesprek gegaan met verdachte over wat er in de jaren 90 tussen hen zou zijn gebeurd. Het gesprek vond plaats op basis van vertrouwelijkheid. Aangever heeft dit gesprek echter heimelijk opgenomen en de opname aan de politie overhandigd. Het woordelijk uitgewerkte gesprek is onderdeel van het procesdossier. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de (uitwerking van) de opname van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat kort gezegd – zo begrijpt de rechtbank het verweer – sprake is van onrechtmatig bewijs.
13. De rechtbank stelt voorop dat er onder omstandigheden plaats kan zijn voor het verbinden van een rechtsgevolg aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere persoon dan een opsporingsambtenaar. Daarvoor is vereist dat:
(i) de resultaten van deze onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte voor het tenlastegelegde feit; en
(ii) dat de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en/of de (verdere) vervolging van de verdachte voor het tenlastegelegde feit. (vgl. Hoge Raad 12 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1159, r.o. 2.5.3 e.v.).
Als daarvan sprake is, is beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan dit gebruik van resultaten van onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op rechten van verdachte.
14. De rechtbank is van oordeel dat de resultaten van het opgenomen gesprek niet van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en de verdere vervolging. Het opsporingsonderzoek bestaat voor een belangrijk deel uit het horen van getuigen. De personen die als getuige zijn gehoord, zijn door aangever genoemd in zijn aangifte en aanvullende verklaring. De rechtbank leidt hieruit af dat ook zonder de gewraakte opname deze getuigen zouden zijn gehoord. Zodoende is de opname van het herstelbemiddelingsgesprek met verdachte niet van bepalende invloed geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek en de vervolging van de verdachte voor het ten laste gelegde feit.
15. De verdediging heeft voorts gesteld dat de uitgewerkte opname van het gesprek van het bewijs moet worden uitgesloten, omdat verdachte niet de cautie is gegeven. Dit was echter ook niet vereist, omdat geen sprake was van een verhoorsituatie, zoals bedoeld in artikel 29 Sv, dat wil zeggen door opsporingsambtenaren gestelde vragen omtrent mogelijke betrokkenheid bij een strafbaar feit.
16. Door de verdediging is ten slotte aangevoerd dat de inhoud niet bruikbaar is voor het bewijs, omdat verdachte onder druk werd gezet om een bekennende verklaring af te leggen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Verdachte heeft tijdens het gesprek niet alleen informatie van aangever bevestigd, maar ook uit eigen beweging informatie gegeven die niet eerder ter sprake is gekomen. De rechtbank verwijst naar de hierna onder 17 opgenomen citaten. Bij de conclusie dat geen sprake is van door aangever uitgeoefende druk betrekt de rechtbank ook dat verdachte op meerdere momenten aangeeft dat hij het niet meer weet. Bovendien had verdachte ook het gesprek kunnen beëindigen en weglopen, maar heeft hij dit niet gedaan. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat verdachte uit eigen beweging een belastende verklaring heeft afgelegd.
17. Tijdens het gesprek verklaart verdachte zonder aansporing: ‘een tijdje waarschijnlijk heb ik uh moeilijk gehad uh, met begrenzen van mijn uh seksuele gevoelens waarschijnlijk, dus daarom heb ik uh mogelijk eigenlijk uh bij, ik heb niet willen bewust eigenlijk jou gekozen toen. Maar dat uh toen ja, bij eerste keer volgens mij uh gewoon een beetje aanrakingen dat soort dingen, zoiets. Zoiets gebeurde eigenlijk’. Iets later verklaart verdachte uit zichzelf: ‘Ik herken wel de laatste keer dat het echt uh ik ben wel uh wel iets verdergegaan eigenlijk bij die laatste keer was het. En toen reageerde je ook uh wel uh, hoe heet het, dat je weg wilde. Uiteindelijk ben je ook weggegaan’. Ook verklaart hij uit eigen beweging dat hij een gesprek had met bestuurders van het internaat en dat hij werd weggestuurd. Aangever vraagt verdachte vervolgens of verdachte zich kan herinneren dat hij met zijn geslachtsdeel tussen de billen van aangever zat. Verdachte reageert met de vraag ‘Ben ik al zover gekomen?’, direct gevolgd door de opmerking ‘maar ik weet wel dat ik jouw broek wel naar beneden trek, dat weet ik nog wel’. Tegen het einde van het gesprek verklaart verdachte: ‘Ja, ja. Ik ben daar niet om kinderen zo te misbruiken eigenlijk hoor. Dat was in ieder geval helaas, maar het is gebeurd. Een tijdje heb ik inderdaad zoals ik in het begin zeg, waarschijnlijk had ik moeite mee om mijn uh bepaalde gevoelens onder controle te hebben’. Aangever vraagt hem nog waarom hij gedurende de week (als zij allen thuis verbleven) niet tot inkeer kwam, als hij zoveel spijt had van wat hij had gedaan. Verdachte antwoordt ‘bij eerste keer die, je hebt een bepaalde drempel als daar overheen is dan is tweede keer gaat makkelijker’ en ‘met jou doorgaan is makkelijker dan een nieuw slachtoffer zoeken’.
18. De rechtbank komt tot de slotsom dat de uitwerking van het gesprek tussen verdachte en aangever kan worden gebruikt als bewijs. De verklaringen van de verdachte gegeven tijdens dit gesprek – zoals hierboven aangehaald – ondersteunen op essentiële onderdelen de verklaringen van aangever. Daarbij noemt de rechtbank ook de bevestigingen die verdachte op onderdelen heeft gegeven, zoals dat verdachte het slaaprooster bepaalde, hij verdachte heeft aangeraakt en op zijn rug heeft gekust en zijn broek omlaag heeft getrokken.
19. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat de opname onbetrouwbaar en oncontroleerbaar is en om die reden van het bewijs uitgesloten dient te worden, overweegt de rechtbank dat de verdediging in de gelegenheid is geweest om de opname te beluisteren en betrokkenen te horen. Het had voorts op de weg van de verdediging gelegen om aan te geven op welke punten de weergave van het gesprek niet overeenkomt met hoe het in werkelijkheid zou zijn gegaan. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de uitwerking van het gesprek.
Steunbewijs: emailconversatie tussen aangever en verdachte
20. De rechtbank betrekt daarbij ook de emailberichten tussen aangever en verdachte, waarover verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij deze heeft verstuurd. In een van deze e-mailberichten na 25 januari 2023 schrijft verdachte: ‘In het verleden ben ik erg fout bezig geweest. Ik heb sinds (bijna) dertig jaar al erg spijt. Daarvoor bied ik mijn oprechte excuses aan. Hoop dat ik ooit vergeven mag worden. Maar verder weet ik echt niet hoe ik het (… ) moet doen’. Ook benoemt verdachte in deze emailberichten dat hij door de leiding van de moskee voor een gesprek werd geroepen, dat hij al wist waarvoor zij hem wilden spreken en dat zij er achter gekomen waren dat verdachte met aangever seksuele handelingen had verricht. De rechtbank acht het onaannemelijk dat de door verdachte gestelde druk tijdens het gesprek van 18 januari 2023 nog steeds voortduurde toen verdachte, verblijvende in de veilige omgeving van zijn eigen woning, zittend achter een computer, deze belastende verklaring naar aangever stuurde.
De disculperende verklaring van verdachte?
21. Verdachte heeft ter terechtzitting de verdenking ontkend en verklaard dat hij wel met aangever in de nacht naar een aparte ruimte is gegaan, maar dat zij daar slechts hebben gestoeid, zoals jongens dat doen.