Rechtspraak
Gerechtshof Amsterdam
2025-12-04
ECLI:NL:GHAMS:2025:3802
Strafrecht
Hoger beroep
12,138 tokens
Volledig
ECLI:NL:GHAMS:2025:3802 text/xml public 2026-04-03T12:52:09 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Gerechtshof Amsterdam 2025-12-04 23-000246-24 Uitspraak Hoger beroep NL Amsterdam Strafrecht Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2024:228, Overig Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2025:3802 text/html public 2026-04-03T12:51:24 2026-04-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:GHAMS:2025:3802 Gerechtshof Amsterdam , 04-12-2025 / 23-000246-24 Varend ontgassen op plekken waar niet toegestaan is. Detecties door e-noses. Verwerping verweer inhoudende dat de opsporing onrechtmatig is verlopen, omdat deze is gebaseerd op door Comon Invent in strijd met de AVG verwerkte persoonsgegevens. afdeling strafrecht parketnummer: 23-000246-24 datum uitspraak: 4 december 2025 TEGENSPRAAK Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 januari 2024 in de strafzaak onder parketnummer 81-025641-23 tegen: [bedrijf 1] , gevestigd te [adres] . Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 en 23 oktober 2025 en 20 november 2025 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de vertegenwoordiger van de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht. Tenlastelegging Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: zij op of omstreeks 22 juni 2022 te Amsterdam en/of Diemen en/of Weesp en/of Muiden, althans in de gemeente Amsterdam en/of Diemen en/of Gooise Meren, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht en/of laten verrichten op het IJ en/of Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en/of met vervoermiddelen, die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en/of sectie 1.2.1 van de bijlage van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), hierna te noemen ADN, te weten een ledig en/of gelost (motortank)schip, genaamd [bedrijf 1] , de stof, genaamd AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 Wet vervoer gevaarlijke stoffen, te vervoeren, terwijl de laadruimten en/of de ladingtanks en/of houders en/of tanks die aan boord van dat schip zijn toegelaten niet vrij waren van die AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3, in elk geval gevaarlijke goederen en/of gassen zonder een of meer krachtens artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft zij toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in sectie 1.2.1 van het ADN, in elk geval als betrokkene bij het vervoer van die AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, niet overeenkomstig de aard en/of de omvang van de te voorziene gevaren maatregelen getroffen, om schadegevallen te verhinderen en/of, indien er schade optrad, de omvang niet zo beperkt mogelijk gehouden en/of de voor hen geldende bepalingen van het ADN in acht genomen, door in strijd met subsectie 1.4.2.2.1 onder i, in het kader van sectie 1.4.1 van het ADN, als vervoerder als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, in voorkomend geval in het bijzonder, zich niet ervan heeft vergewist dat de tijdens het laden en/of vervoeren en/of lossen en /of overige behandeling van die AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3, of resten daarvan, in elk geval gevaarlijke goederen, in laadruimen of ladingtanks van dat motortankschip, de bijzondere voorschriften in acht werden genomen, immers werd in strijd met subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN varend in de nabijheid van en/of onder bruggen (te weten de Nesciobrug en/of Uyllanderbrug en/of Muiderbrug A1 en/of Betlembrug A9) en/of in de nabijheid van dichtbevolkte gebieden (Amsterdam en/of Diemen en/of Muiden en/of Weesp) één of meer geloste en/of lege ladingtanks van dat motortankschip, waarin zich die gevaarlijke stoffen, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN, in elk geval andere dan de onder 7.2.3.7.1.1 genoemde gevaarlijke goederen hebben bevat, ontgast. Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad. Vonnis waarvan beroep Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de rechtbank. Leeswijzer Ter bevordering van de leesbaarheid zal het hof in de navolgende overwegingen de aanduiding van de verschillende processen-verbaal met bijlagen en de andere processtukken in het dossier van de strafzaak tegen de verdachte rechtspersoon verkort weergeven. Naar onderdelen daarvan is in de betogen van zowel de advocaat-generaal als van de raadsman verwezen en ook het hof zal dat hierna regelmatig doen. Met betrekking tot de ten laste gelegde (opzettelijke) overtreding op 22 juni 2022 met het binnenvaarttankschip [bedrijf 1] , heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) aanvankelijk proces-verbaal opgemaakt onder het nummer 612930-1-ILT-2022-442. Dit proces-verbaal telt, inclusief 19 bijlagen, 78 pagina’s en is afgesloten op 10 januari 2023. Het hof zal dit proces-verbaal met bijlagen in het navolgende zo nodig aanhalen als proces-verbaal A, met een paginanummering. Vervolgens heeft de ILT drie aanvullende processen-verbaal opgemaakt: - nummer 612930-3-ILT-2023-091, 42 doorgenummerde pagina’s inclusief 8 bijlagen, en gesloten op 13 maart 2023 (hierna: proces-verbaal B); - nummer 612930-4-ILT-2023-260, 14 doorgenummerde pagina’s inclusief 6 bijlagen, en gesloten op 24 april 2023 (hierna: proces-verbaal C); - nummer 612930-5-ILT-2023-493, 14 doorgenummerde pagina’s inclusief 2 bijlagen, en gesloten op 10 november 2023 (hierna: proces-verbaal D); Daarnaast behoren tot de processtukken: - een convenant getiteld ‘Convenant eNose-netwerk Noordzeekanaalgebied en Amsterdam-Rijnkanaal 2018-2020 (Definitief)’ (hierna: het Convenant 2018); - een convenant getiteld ‘Convenant eNose-netwerk Noordzeekanaalgebied en Amsterdam- Rijnkanaal 2021-2026 (21 december 2021)’ (hierna: het Convenant 2021). Bespreking gevoerde verweren en bewijsoverweging Algemene Verordening Gegevensbescherming Standpunt verdediging De verdediging voert aan dat de via het Automatic Identification System (AIS) verkregen gegevens moeten worden beschouwd als persoonsgegevens in de zin van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), mede gelet op de ruime uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan dit begrip geeft. Volgens de verdediging heeft Comon Invent deze gegevens onrechtmatig verwerkt, nu de toegepaste pseudonimisering met een zogenoemd Comon Invent Identification Nummer (CIID) niet voldoet aan de eisen van artikel 4 lid 5 AVG: de koppeling met de identiteit van het schip en daarmee met natuurlijke personen is eenvoudig te herstellen, onder meer via openbare bronnen zoals Vesselfinder . De verwerking van AIS-gegevens is daarom volledig aan de toets van de AVG onderworpen. Aangezien deze gegevens de basis vormden voor de opsporing van de vermeende overtreding, concludeert de verdediging, onder verwijzing naar het Peilbaken -arrest van de Hoge Raad dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs dat van het bewijs moet worden uitgesloten en dat verdachte dient te worden vrijgesproken.
Volledig
Standpunt openbaar ministerie Het openbaar ministerie heeft zich in de onderhavige zaak op het standpunt gesteld, dat de verkregen AIS-gegevens geen persoonsgegevens betreffen in de zin van de AVG zodat niet daarmee in strijd is opgetreden. Oordeel van het hof Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Comon Invent is de leverancier van een eNose-netwerk dat onder meer is opgesteld langs het Noordzeekanaal, het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal. Deze eNoses worden door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: de Omgevingsdienst) beheerd en uitgelezen. In het Convenant 2018-2020 is het eNose-netwerk beschreven als project van de Provincie Noord-Holland. Dit project is gestart ten behoeve van toezicht en handhaving van het verbod op varend ontgassen, met als doel de leefkwaliteit rondom onder meer het Noordzeekanaal en het Amsterdam-Rijnkanaal te verbeteren. Het hof stelt vast dat op de onderhavige zaak, gelet op de ten laste gelegde datum van overtreding zijnde 22 juni 2022, het Convenant 2021-2026 van toepassing is. Voor wat betreft de primaire doelen van genoemd project en de werkwijze van de eNoses is geen wijziging vastgesteld. Uit het Convenant 2018-2020 volgt verder dat de Omgevingsdienst het netwerk op de website continu monitort. Het hof begrijpt dat eventuele detecties van verander(en)de luchtsamenstelling door een of meer eNoses langs de vaarwegen geplaatst, door het eNose-netwerk real time en geautomatiseerd per e-mailbericht aan de Omgevingsdienst worden gemeld. Een eNose is een ‘indicatief meetinstrument’ dat 24 uur per dag veranderingen van de luchtsamenstelling detecteert. De eNose geeft niet aan om welke stoffen het precies gaat of in welke concentraties. Bij een ontgassend vaartuig ontstaat echter wel een voor die ontgassing uniek eNose patroon. Met dit eNose patroon kan onder andere aangetoond worden of de verandering van de luchtsamenstelling (ontgassing) van één en hetzelfde vaartuig afkomstig is. Als een eNose een verandering van de luchtsamenstelling detecteert, verandert de eNose (dat wil zeggen op het beeldscherm) van kleur. Een groene eNose betekent geen verandering van de luchtsamenstelling. De eerste ‘stap’ van een verandering is geel, de volgende ‘stap’ is oranje en de laatste ‘stap’ is een rode verkleuring van de eNose. Een rode eNose wordt het alarmniveau genoemd. Alle data die door het eNose-netwerk worden gegenereerd worden binnen dit systeem digitaal opgeslagen. Dit geldt ook voor het scheepsverkeer dat door middel van de binnen dit systeem aanwezige AIS-ontvangers in het eNose-netwerk gevolgd kan worden. Met behulp van de software van Comon Invent kan de Omgevingsdienst de historische data uitlezen. Comon Invent heeft aan ieder AIS-uitzendend vaartuig een gepseudonimiseerd nummer (het zogenoemde CIID-nummer) toegekend. Het CIID-nummer staat voor ‘Comon Invent IDentification-nummer’. Comon Invent heeft voor het signaleren van varend ontgassende schepen een ontgassingstool beschikbaar die automatisch patronen herkent van een ontgassend schip. Hiermee heeft de tool een signaleringsfunctie en is het een hulpmiddel bij toezicht en handhaving. Deze tool, de Degassing Vessel Detective Tool , heeft op donderdag 22 juni 2022 meldingen van vijf verschillende opeenvolgende eNoses gegenereerd. Op 22 juni 2022 om 02:15 uur ontving (de meldkamer van) de Omgevingsdienst deze vijf detecties met een automatisch gegenereerd e-mailbericht van de Degassing Vessel Detective Tool van Comon Invent (proces-verbaal A, pag. 22). De Omgevingsdienst heeft naar aanleiding van die meldingen een afzonderlijke rapportage opgemaakt. Voor verdachte betreft dit de rapportage die betrekking heeft op eNose-detecties van 22 juni 2022 in relatie tot de vaarroute van vaartuig CIID [nummer 1] . Genoemde rapportage van de Omgevingsdienst, gedateerd 17 augustus 2022, is uitgebracht aan de ILT. In die rapportage wordt het vaartuig aangeduid met genoemd CIID-nummer. De ILT heeft vastgesteld dat het CIID-nummer reeds bij haar bekend was uit een eerdere melding en gekoppeld was aan het binnenvaarttankschip genaamd [bedrijf 1] . De ILT heeft verder onderzoek gedaan aan boord van de [bedrijf 1] en hierover proces-verbaal opgemaakt. Regelgeving In deze zaak zijn onder meer relevant: het Europees verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (hierna: ADN), de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (hierna: WVGS), het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen over binnenwateren, de AVG-verordening en de AVG-Richtlijn . Bespreking van het verweer In de kern komt het verweer erop neer dat de opsporing onrechtmatig is verlopen, omdat deze is gebaseerd op door Comon Invent in strijd met de AVG verwerkte persoonsgegevens. Volgens de verdediging hebben de Omgevingsdienst en de ILT niet alleen gebruik gemaakt van deze onrechtmatig verkregen gegevens, maar ook Comon Invent daartoe aangezet door haar opdracht te geven een digitale tool te ontwikkelen voor toezicht en handhaving. Daarmee zouden de overheidsinstanties de onrechtmatige verwerking door een particuliere partij bewust hebben mogelijk gemaakt, zodat sprake is van gebruik door de overheid van door een particulier onrechtmatig verkregen informatie in de zin van het Peilbakenarrest . Dit vormt volgens de verdediging een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), dat tot bewijsuitsluiting en vrijspraak van de verdachte moet leiden. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Allereerst is het hof, met de verdediging en anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat in het onderhavige geval, gelet op de AVG, sprake is van verwerking van persoonsgegevens door Comon Invent. Het eNose-netwerk van Comon Invent identificeert met behulp van het AIS een mogelijk ontgassend vaartuig, achterhaalt de naam van dat vaartuig en pseudonimiseert deze vervolgens door middel van het toekennen van een zogenoemd CIID-nummer. Dit nummer wordt door Comon Invent aan de Omgevingsdienst verstrekt. Aan de hand van dat CIID-nummer is het voor de ontvangende instanties – in dit geval de Omgevingsdienst en de ILT – mogelijk om, mede door gebruik te maken van algemeen toegankelijke digitale bronnen, de naam van het schip te achterhalen. Met de naam van het schip kan vervolgens ook de eigenaar worden geïdentificeerd. Indien het schip eigendom is van een rechtspersoon of een vennootschap onder firma, kan bovendien zonder noemenswaardige inspanning worden vastgesteld wie de natuurlijke personen zijn achter de aandeelhouders, vennoten of bestuurders. Daarmee is sprake van gegevens die direct of indirect herleidbaar zijn tot een natuurlijke persoon, zodat zij kwalificeren als persoonsgegevens in de zin van artikel 4, aanhef en onder 1, AVG. De onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens door Comon Invent en het verstrekken en het verdere gebruik daarvan raken de Omgevingsdienst en de ILT evenwel niet. In de eerste plaats geldt dat de AVG niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op onder andere opsporing, onderzoek of vervolging van strafbare feiten door bevoegde autoriteiten (artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d, AVG). Voor dergelijke verwerkingen geldt de Richtlijn (EU) 2016/680 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, opsporing, onderzoek of vervolging van strafbare feiten (de zogenoemde Opsporingsrichtlijn ). Op grond van artikel 8 van die richtlijn is verwerking van persoonsgegevens toegestaan, ook indien deze tot natuurlijke personen herleidbaar zijn, mits wordt voldaan aan de vereisten van noodzakelijkheid, proportionaliteit en doelbinding. Aan deze voorwaarden is in het onderhavige geval voldaan. De verwerking door de Omgevingsdienst en de ILT diende een legitiem doel – toezicht op en handhaving van milieuwetgeving, in het bijzonder het (plaatselijk) verbod op varend ontgassen –, vond plaats binnen hun wettelijke taken en maakte geen onevenredige inbreuk op de rechten van betrokkenen.
Volledig
Het hof overweegt voorts dat, ook nu moet worden aangenomen dat Comon Invent bij de verwerking van AIS-gegevens niet in overeenstemming met de vereisten van de AVG heeft gehandeld, dit niet zonder meer meebrengt dat de Omgevingsdienst of de ILT daardoor onrechtmatig heeft gehandeld of gebruik heeft gemaakt van onrechtmatig verkregen informatie. In dit geval volgt uit de stukken dat de Omgevingsdienst het eNose-netwerk zelfstandig beheerde en dat detecties van veranderingen in de luchtsamenstelling real time aan haar werden gemeld. De door Comon Invent ontwikkelde Degassing Vessel Detective Tool automatiseerde slechts deze meldingen en fungeerde niet als zelfstandige gegevensbron. Ook indien de initiële melding technisch via Comon Invent liep, beschikte de Omgevingsdienst over dezelfde meetgegevens binnen het systeem dat deze dienst beheerde, zodat de informatie in wezen uit eigen bron afkomstig was. De ILT heeft, na overdracht van de meldingen door de Omgevingsdienst, de identificatie van het schip op basis van eigen, reeds beschikbare AIS-gegevens kunnen verrichten. Daarmee ontbreekt het aan een zodanig causaal verband tussen een eventuele onrechtmatige verwerking door Comon Invent en de bewijsvergaring door de Omgevingsdienst en de ILT, dat gesproken kan worden van gebruik van door een particulier onrechtmatig verkregen informatie in de zin van het Peilbakenarrest . Van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv is dan ook geen sprake zodat het hof niet toekomt aan de vraag naar eventuele bewijsuitsluiting. Bewijsoverweging De raadsman heeft vrijspraak bepleit omdat concreet bewijs ontbreekt dat daadwerkelijk illegaal is ontgast. Met name ontbreekt het aan een objectieve waarneming van een daadwerkelijke ontgassing in verboden gebied . De metingen van de e-Nose werken juist à décharge. De [bedrijf 1] is na km-raai 21 (het hof begrijpt: de laatste km-raai voordat het Noordzeekanaal overgaat in het IJ) gestopt met ontgassen. Het ontbreken van de bij ontgassen behorende piekmetingen boven de 30 dB bewijst dat de [bedrijf 1] niet (meer) aan het ontgassen was toen zij in het verboden gebied voer. Voor e-Nose JA-01 op de kop van het Java-Eiland geldt bovendien dat de uitslag zo gering is (7,41 dB) dat deze kan worden verklaard door de door de [bedrijf 1] meegetrokken gassen of door andere oorzaken. Het hof gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op 15 augustus 2022, omstreeks 15:43 uur ontving [verbalisant 1] van de ILT een e-mailbericht van een medewerker van de Omgevingsdienst, met bijlage. Daarin deelde deze medewerker mee dat op 22 juni 2022 diverse veranderingen van de luchtsamenstelling gedetecteerd waren, kennelijk veroorzaakt door ontgassingen afkomstig van het schip met CIID-nummer [nummer 1] . Door de Degassing Detective Tool van Comon Invent waren in totaal vijf meldingen gegenereerd die mogelijk door dit schip waren veroorzaakt. Volgens deze meldingen waren de volgende eNoses aangesproken: Peak detected by ST-01 (w), AW-01 at 2022-06-22 02:00:20. Peak detected by PE-02, ND-01 at 2022-06-22 02:24:09. Peak detected by JA-01, SU-01 at 2022-06-22 02:49:22. Peak detected by WM-02, OV-02 at 2022-06-22 03:09:26. Peak detected by KD-02, OV-02, KD-04, LE-01 at 2022-06-22 03:25:38. Tien van deze (twaalf) eNoses zijn gepositioneerd in gebieden waar op basis van subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN, ontgassen is verboden. Naar aanleiding van deze melding door de Omgevingsdienst heeft de ILT op 16 augustus 2022 aan boord van de [bedrijf 1] een inspectie uitgevoerd. Uit de gevorderde documenten bleek dat [getuige] op 22 juni 2022 de verantwoordelijke schipper was en dat de exploitant (vervoerende onderneming in de zin van het ADN) van de [bedrijf 1] , [bedrijf 1] was. De [bedrijf 1] was op 22 juni 2022 om 01.45 uur uit Amsterdam vertrokken en om 10.00 uur in Rotterdam aangekomen. Uit de gevorderde documenten bleek dat de laatst vervoerde en (geloste) gevaarlijke stof UN 1268, AARDOLIE DESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), 3 (N2, CMR, F), I. MILIEUGEVAARLIJK betrof, dat het lossen van deze lading in Amsterdam geëindigd was op 21 juni 2022 omstreeks 23:49 uur, waarna de laad/losarm op 22 juni 2022 omstreeks 00:25 uur werd afgekoppeld. Op het opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in de subsectie 8.1.2.1 aanhef en onder g van het ADN) zijn de meetresultaten van de voorgeschreven gasmetingen genoteerd. Blijkens dit gasmeetformulier is op 22 juni 2022 om(streeks) 02:00 uur gestart met ontgassen in (het hof begrijpt: het Noorzeekanaalgebied tussen) IJmuiden – Amsterdam. Door de Omgevingsdienst werd een definitieve eNose-rapportage opgesteld (proces-verbaal A, pagina 66 e.v.) waaruit bleek dat in de vaarrichting van het schip meer eNoses waren aangesproken dan in eerste instantie in de melding was vermeld. In aanvulling op de eerder vermelde eNoses waren de volgende eNoses aangesproken: SI-01; SA-01; CA-01; HO-01; AM-01; PE-01 en HE-01. De eNoses JA-01; SU-01; WM-02; HE-01; KD-02 en KD-04 staan in een verboden gebied zoals bedoeld in subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. [getuige] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij wel ontgast heeft maar niet continu en dat hij op plekken waar het niet mocht daarmee is gestopt. Dit laatste wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Uit de detecties van de eNoses blijkt immers dat op 22 juni 2022 vanaf 02.00 uur tot 03.37 uur continu min of meer opeenvolgende eNoses aan de benedenwindse-zijde van de vaarweg van de [bedrijf 1] hebben gesignaleerd. Het hof concludeert dat met het motortankschip [bedrijf 1] op 22 juni 2022 varend is ontgast op het Noordzeekanaal, het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal, ook op plaatsen waar dat verboden was. Het verweer van de raadsman dat concreet bewijs ontbreekt dat ontgast is in gebieden waar dit niet is toegestaan, wordt weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. Anders dan door de raadsman gesteld, is het hof van oordeel dat het ontbreken van piekmetingen van boven de 30 dB niet betekent dat de [bedrijf 1] niet (meer) aan het ontgassen was toen zij in verboden gebieden voer. De eNoses hebben immers veranderingen in de luchtsamenstelling gedetecteerd en een uitslag van boven de nul dB betekent dat er ontgast is. Wat betreft de stelling van de raadsman dat de uitslag van eNose JA-01 zo gering was dat deze kan worden verklaard door de door de [bedrijf 1] meegetrokken gassen of door andere oorzaken, overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat dampen zouden zijn meegevoerd door het varende schip waardoor de eNoses reageerden ten gevolge van eerdere ontgassingen op niet-verboden locaties. Het hof verwijst naar de hiervoor benoemde repeterende reacties van meerdere opeenvolgende eNoses en de vaarrichting van het schip. Evenmin is aannemelijk geworden dat de veranderingen in luchtsamenstelling veroorzaakt zouden zijn door een andere oorzaak. Het verweer van de raadsman wordt in al zijn onderdelen verworpen. Het hof stelt vast dat onder meer ten laste is gelegd dat ‘in de nabijheid van en/of onder bruggen (te weten de Nesciobrug en/of Uyllanderbrug en/of Muiderbrug A1 en/of Betlembrug A9) is ontgast’. Met betrekking tot de eNose-signaleringen OV-02, KD-02 en LE-01 wordt als verbodsgebied genoemd ‘nabijheid brug’ . In de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN staat vermeld: Ontgassen is niet toegestaan in de nabijheid van sluizen, inclusief hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden. Door de ILT wordt opgemerkt (proces-verbaal A, pag. 6) dat sprake is van ‘in de nabijheid van bruggen’ indien het schip zich binnen 500 meter vanaf het midden van een brug op een vaarweg bevindt. Het hof kan de ILT niet volgen in de conclusie dat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat in de kamerbrief van 21 augustus 2019 (bijlage 2 bij proces-verbaal A, pag. 28-30) de invulling van het begrip “onder bruggen” heeft bekrachtigd. In genoemde kamerbrief staat enkel vermeld dat sinds april 2019 conform het ADN een breder spectrum aan stoffen niet meer varend mag ontgast worden in dichtbevolkte gebieden en nabij sluizen en bruggen.
Volledig
Het hof is van oordeel dat “nabij… bruggen” zoals vermeld in de kamerbrief berust op een onjuiste lezing van het ADN gelet op de hiervoor aangehaalde passage uit de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het hiervoor aangehaalde onderdeel van de tenlastelegging niet bewezen kan worden en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, met uitzondering van e-nose KD-02 nu daarover wordt opgemerkt: Vaartuig vaart onder de Muiderbrug (Al) en Betlembrug (A9) (proces-verbaal A, bijlage 18, pag. 69). Opzet In het economisch strafrecht is sprake van kleurloos opzet. Dat wil zeggen dat het opzet van de verdachte niet gericht behoeft te zijn op de wederrechtelijkheid van zijn handelen maar slechts op de handeling zelf. Gelet daarop acht het hof bewezen dat sprake is geweest van opzet. Toerekening van de gedragingen aan de verdachte Deze overtreding van de WVGS op 22 juni 2022 met het motortankschip [bedrijf 1] kan aan de verdachte worden toegerekend. Het hof overweegt daarover als volgt. Uittreksels uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel van 5 september 2022 en van 7 oktober 2025 wijzen uit dat [bedrijf 1] een handelsnaam is van de vennootschap onder firma [bedrijf 2] V.O.F. Artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt: Strafbare feiten kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen. (….) Voor de toepassing van de vorige leden wordt met de rechtspersoon gelijkgesteld: de vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, de maatschap, de rederij en het doelvermogen. Gelet op het derde lid is de verdachte een strafrechtelijk vervolgbare, met een rechtspersoon gelijkgestelde entiteit. Ter vaststelling dat een rechtspersoon een strafbare dader is dienen steeds twee vragen te worden beantwoord: I. is de verdachte geadresseerde van de norm? II. kan de verboden gedraging (gepleegd door een ander) redelijkerwijs aan de verdachte worden toegerekend? Het hof beantwoordt beide vragen bevestigend op grond van de navolgende overwegingen. Ad I. In het uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte d.d. 5 september 2022 staat als activiteit van de verdachte opgenomen: ‘SBI-code: 50402 - Binnenvaart (tankvaart)’. In het uittreksel uit het handelsregister ten name van de verdachte d.d. 7 oktober 2025 staat als activiteit van de verdachte opgenomen: ‘SBI-code: 50402 - Goederenvervoer over binnenwateren door middel van tankvaart’. Deze SBI-codes (standaardbedrijfsindelingen) worden bij de oprichting van (opvolgende) ondernemingen door de oprichters daarvan opgegeven. Volgens de zogenoemde Rijnvaartverklaring wordt het motortankschip [bedrijf 1] geëxploiteerd door [bedrijf 1] , zijnde de verdachte. In zijn getuigenverhoor op de zitting van de economische politierechter op 24 mei 2024 verklaarde [getuige] , kort en zakelijk weergegeven, dat hij op 22 juni 2022 schipper was op het motortankschip (mts) [bedrijf 1] en dat hij, na het leegpompen van het schip van een lading Nafta in Amsterdam, de ladingtanks heeft ontgast. Het hof stelt vast dat de verdachte VOF geadresseerde is van de normen die betrekking hebben op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het binnenwater als bedoeld in het ADN en in artikel 2 van de WVGS. Zij is ‘vervoerder’ in de zin van de wet. Ad II. De verdachte, vervoerder in de zin van de wet, maakte in de ten laste gelegde zaak gebruik van het door haar geëxploiteerde motortankschip [bedrijf 1] . Daarbij was [getuige] de schipper/gezagvoerder, en daarmee de feitelijke natuurlijke persoon-uitvoerder van de verboden gedraging. [getuige] is enig aandeelhouder en enig bestuurder van [bedrijf 3] B.V. Deze laatste vennootschap is een van de vennoten van de verdachte VOF. Onder deze omstandigheden kan de gedraging aan de verdachte worden toegerekend. Daarvan is volgens inmiddels bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad sprake omdat: - het gaat om een gedraging van iemand – [getuige] – die werkzaam was ten behoeve van de verdachte, namelijk als schipper en als bestuurder van een van de vennoten van de verdachte; - de gedraging paste in de normale bedrijfsvoering van de verdachte, het vervoer van goederen – in dit geval gevaarlijke stoffen – over binnenwateren door middel van tankvaart; - de gedraging de verdachte dienstig is geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf. Door varend te ontgassen op plaatsten waar dat niet was toegestaan, kon het schip efficiënter door de verdachte worden geëxploiteerd. Of de verdachte daarmee meer heeft verdiend dan wanneer de regels zouden zijn nageleefd kan het hof niet met zekerheid vaststellen, maar dat is ook niet van doorslaggevend belang. Omdat een (middellijk) vennoot van de verdachte, schipper [getuige] , de gedraging verrichtte, vermocht de verdachte ook erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en dit gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte aanvaard. Het hof stelt daarom vast dat de overtreding van de regelgeving op 22 juni 2022 aan de verdachte vennootschap kan worden toegerekend. Bewezenverklaring Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat: zij op 22 juni 2022 te Amsterdam en Diemen en Weesp opzettelijk, handelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen heeft verricht op het IJ en het Amsterdam-Rijnkanaal, zijnde binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van genoemde wet, ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met een vervoermiddel die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b van genoemde wet, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels, door met een vervoermiddel als bedoeld in artikel 1 onder l van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en/of in sectie 1.2.1 van de bijlage van het ADN (Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren), hierna te noemen ADN, te weten een gelost (motortank)schip, genaamd [bedrijf 1] , resten van de stof, genaamd AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3, , te vervoeren, terwijl de ladingtanks aan boord van dat schip niet vrij waren van gassen van die AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3, zonder een of meer krachtens artikel 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in bijlage 1 (ADN) van de Regeling vervoer over de binnenwateren van gevaarlijke stoffen gestelde regels in acht te nemen, immers heeft zij toen en aldaar in strijd met subsectie 1.4.1.1 van het ADN als vervoerder als bedoeld in sectie 1.2.1 van het ADN, bij het vervoer van resten van die AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), UN1268, klasse 3 in strijd met subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN, varend onder bruggen (te weten de Muiderbrug A1 en de Betlembrug A9), en in dichtbevolkte gebieden (Amsterdam en Diemen), geloste ladingtanks van dat motortankschip, die gevaarlijke stoffen hadden bevat, zijnde gevaarlijke stoffen van de Klasse 3 genoemd in 3.2, Tabel C, Kolom 3b ADN, ontgast. Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken. Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen, in bijlage, op dit arrest zijn vervat. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezenverklaarde levert op: opzettelijke overtreding van artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon. Strafbaarheid van de verdachte De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit. Oplegging van straf De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 5.000,00. Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de draagkracht van de verdachte.
Volledig
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft varend ontgast op plaatsen waar dat niet is toegestaan. Daarmee zijn gevaarlijke stoffen in de atmosfeer gebracht die ernstige schade kunnen toebrengen aan mensen en milieu. Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 24 september 2025 is zij niet eerder strafrechtelijk veroordeeld. Het hof acht, alles afwegende, een geldboete als door de advocaat-generaal gevorderd, passend en geboden. Toepasselijke wettelijke voorschriften De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar. Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 5.000,00 (vijfduizend euro) . Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. M.F.J.M. de Werd en mr. R.D. van Heffen, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 december 2025. Bijlage Bewijsmiddelen 1. Een proces-verbaal met nummer 612930-1-ILT-2022-442 van 10 januari 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] [doorgenummerde pagina’s 5-20], met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 21 – 78]. Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten of één van hen : Op 15 augustus 2022, omstreeks 15:43 uur is door mij, [verbalisant 1] , een door een medewerker van Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna te noemen: ODNZKG) verzonden e-mail ontvangen. In deze e-mail (met gevoegde bijlage) gaf deze medewerker aan dat hij, in verband met een eerder aan de ILT doorgezette en gerapporteerde melding, in het eNose systeem had gezien dat er toen ook, nagenoeg gelijktijdig, een ander tankschip kennelijk aan het ontgassen was geweest. Er waren toen namelijk diverse veranderingen van luchtsamenstelling gedetecteerd door meerdere eNoses. Uit de in deze e-mail gevoegde bijlage is door deze ODNZKG medewerker verwoord dat de veranderingen van luchtsamenstelling, o.a. in dichtbevolkt gebied, kennelijk afkomstig waren van het schip met CIID-nummer [nummer 1] . Uit de bijlage van de voornoemde ODNZKG (e-mail) melding blijkt dat er in totaal 5 meldingen zijn gegenereerd door de ontgassingstool van Comon Invent met als mogelijke veroorzaker het schip met CIID-nummer [nummer 1] . Volgens deze meldingen werden de volgende eNoses aangesproken: ST-01(w) // AW-01 // PE-02 // ND-01 // JA-01 // SU-01 // WM-02 // KD-02 // KD-04. De volgende toen aangesproken eNoses staan gepositioneerd in een gebied zoals bedoeld in de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN (in de nabijheid van dichtbevolkt gebied en/of bruggen): JA-01 // SU-01 // WM-02 // KD-02 // KD-04 //. Reden aanmerken tankschip [bedrijf 1] als mogelijk ontgassend tankschip Naar aanleiding van: - de ODNZKG-melding over de door eNoses geconstateerde veranderingen van de luchtsamenstellingen; - het (in eerste instantie gepseudonimiseerd) op het Noordzeekanaal, het IJ en Amsterdam-Rijnkanaal varende tankschip, gelet op de posities ten opzichte van de betreffende eNoses, de vaarbeweging en afgelegde vaarroute, windrichting en windsnelheid, is dit tankschip aan deze eNose detecties gekoppeld als mogelijke veroorzaker; - het door mij, [verbalisant 1] , verkregen CIID-nummer [nummer 2] waarvan mij reeds bekend was (proces-verbaal nummer 547965-l-ILT-2022-245) dat dit gepseudonimiseerde nummer gekoppeld was aan/behoorde bij het binnenvaarttankschip genaamd [bedrijf 1] met MMSI-nummer [nummer 3] en ENI [nummer 4] , was hier mogelijk sprake van het ontgassen in/naar de atmosfeer van de ladingtanks van het tankschip [bedrijf 1] in de nabijheid van dichtbevolkte gebieden en/of bruggen, betreffende een tot dan toe onbekende stof. Gelet op de hiervoor omschreven bevindingen werd door ons op 16 augustus 2022 aan boord van de [bedrijf 1] een nader onderzoek ingesteld. Op 16 augustus 2022 omstreeks 11:05 uur bevond ik mij, [verbalisant 1] , met opsporing belast, op de Methaanweg te Amsterdam. Ik werd tijdens dit onderzoek vergezeld door [verbalisant 2] . Wij zagen dat daar toen het motortankschip genaamd [bedrijf 1] gemeerd lag. Wij zagen dat op dit motortankschip de naam “ [bedrijf 1] ” en het ENI (officieel scheepsnummer) “ [nummer 4] ” waren aangebracht. Verder zagen wij dat dit schip een vervoermiddel was, als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen eveneens dat genoemd schip een tankschip (zijnde een binnenvaart motortankschip) als bedoeld in subsectie 1.2.1 van het ADN, betrof. De in dit proces-verbaal genoemde haven en vaarwegen betroffen allen binnenwateren als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Ik, [verbalisant 1] , ben op 16 augustus 2022 omstreeks 11:15 uur aan boord van genoemd motortankschip gegaan. Ik werd hierbij vergezeld door [verbalisant 2] . Nadat wij aan boord van genoemd tankschip waren gegaan begaven wij ons naar het achterschip van dit tankschip. Daar troffen wij een manspersoon aan, welke zich ten overstaan van ons, in de Nederlandse taal, kenbaar maakte als de zich aan boord bevindende verantwoordelijke schipper (later te noemen [getuige] ). Nadat ik, [verbalisant 1] , aan [getuige] had gevraagd naar de laatst vervoerde lading op 22 juni 2022, hoorden wij [getuige] zeggen: “Ik moet even in de agenda kijken, dan zie ik of ik aan boord was toen. Ik kan het ook zien aan mijn handschrift.” En na enkele ogenblikken gaf [getuige] ons ongevraagd aan: “Ik was toen aan boord en we zijn toen uit Amsterdam vertrokken naar Rotterdam.” Vervolgens werd ons door [getuige] medegedeeld dat de ladingtanks toen bij de walinstallatie van [BV] waren gelost van Nafta. Uit het (later) ter inzage gevorderde vervoersdocument bleek ons dat de, in de bakboord en stuurboord ladingtanks 1 tot en met 6 gestuwde, toen laatst vervoerde (en geloste) gevaarlijke stof: UN 1268, AARDOLIE DESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), 3 (N2, CMR, F), I. MILIEUGEVAARLIJK, betrof. De in dit proces-verbaal genoemde stoffen zijn gevaarlijke stoffen als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Wij zagen op genoemd Certificaat van Goedkeuring (CvG) en Certificaat van onderzoek (Cvo), onder andere, de volgende scheepsgegevens staan: Naam: [bedrijf 1] ENI: [nummer 4] Soort vaartuig: motortankschip Wij zagen op de Rijnvaartverklaring dat als exploitant (vervoerende onderneming in de zin van het ADN) van de [bedrijf 1] de volgende onderneming stond vermeld: [bedrijf 1] [adres] Uit de door het Agentschap Telecom afgegeven document Maritiem mobiel bleek ons dat voor het voornoemde beroepsbinnenvaartuig [bedrijf 1] met ENI-nummer [nummer 4] , bij zenderidentificatie gegevens, als MMSI-nummer stond vermeld: [nummer 3] . Nadat we het vaartijdenboek ter inzage hadden gevraagd overlegde [getuige] ons het ongeldige (voorlaatste) én huidige vaartijdenboek. Nadat ik, [verbalisant 1] , hem gevraagd had wat er op de datum 22 juni 2022 stond opgetekend in het vaartijdenboek, gaf hij, na dit te hebben gelezen aan: “Ik heb daar toen in geschreven dat we om 01:45 uur uit Amsterdam zijn vertrokken en 10 uur op 22 juni in Rotterdam zijn aangekomen.” Enkele ogenblikken later gaf hij tevens spontaan aan: “Toen we in Rotterdam zijn aangekomen (…) zijn er gasmetingen in de tanks uitgevoerd.
Volledig
(…)” Ik, [verbalisant 1] , vroeg hem toen wat de meetresultaten waren, waarop hij aangaf: “Die waren vanzelf 0, want we waren ontgast.” Uit het vaartijdenboek (afgegeven op 18 december 2020, met volgnummer 1) van de [bedrijf 1] bleek ons dat op 22 juni 2022, tijdens het vermoedelijke ontgassen, als enige (verantwoordelijke) schipper aan boord van dit tankschip [getuige] stond opgetekend. Wij zagen dat op het ‘Cognossement - Bill of lading’ (vervoerdocument als bedoeld in het ADN) en de ‘Scheepsmeting na laden’ (tevens stuwplan) van het tankschip [bedrijf 1] , aangaande de lading met reisnummer 35, in de bakboord en stuurboord ladingtanks 1 tot en met 6 van dit tankschip, de toen vervoerde (en geloste) stof betrof de als volgt hierop verwoorde geclassificeerde stof betrof: UN 1268, AARDOLIEDESTILLATEN, N.E.G. (Nafta), 3 (N2, CMR, F), I. MILIEUGEVAARLIJK. Deze stof betrof een andere dan in subsectie 7.2.3.7.1.1 genoemde stof. Het betrof hier namelijk een gevaarlijke stof van de klasse 3, zonder ‘T’ in de classificatiecode. Wij zagen op de ‘scheepsmeting voor lossen’ dat de hier boven genoemde lading UN 1268 betreffende reis 35 gestuwd (en vervolgens gelost) was geweest in bakboord en stuurboord ladingtanks 1 tot en met 6 van voornoemd tankschip. Volgens de door [BV] B.V. opgemaakte ‘Timesheet’ werd het lossen van de hiervoor genoemde lading op 21 juni 2022 omstreeks 23:49 uur beëindigd, waarna de laad/losarm werd afgekoppeld omstreeks 00:25 uur op 22 juni 2022. Op het door de [BV] B.V. opgemaakte document ‘Timesheet’ zagen wij dat als geschatte vertrektijd 22 juni 2022 omstreeks 02:00 stond genoteerd. Gasmeetformulier ontgassing 22 juni 2022 Op het opgemaakte gasmeetformulier (document als bedoeld in de subsectie 8.1.2.1 onder g van het ADN) stonden de meetresultaten van de voorgeschreven gasmetingen verwoord. Gelet op het op dit formulier genoteerde tijdstip is er op ‘22-06-2022’ om(streeks) ‘02:00 uur’ gestart met ontgassen met als plaats ‘IJmuiden – Amsterdam’. Uit deze genoteerde meetresultaten van de uitgevoerde en voorgeschreven gasmetingen bleek ons dat de genoemde ladingtanks daadwerkelijk waren ontgast. Op 23 augustus 2022 ontving ik, [verbalisant 1] , op verzoek en naar aanleiding van het door ons uitgevoerde onderzoek, een definitieve eNose-rapportage van een medewerker van de ODNZKG inzake deze ontgassing d.d. 22 juni 2022. Deze rapportage bevestigt dat het schip met CIID-nummer [nummer 1] verantwoordelijk was voor de veranderingen van luchtsamenstelling (zijnde een ontgassing van ladingtanks in de atmosfeer). Uit deze definitieve ODNZKG eNose-rapportage bleek ons dat er meer eNoses aangesproken waren als ons in de eerste instantie uit de ontvangen melding was gebleken. De volgende eNoses zijn een aanvulling op de in de eerste instantie per e- mail gemelde en in dit proces-verbaal reeds genoemde eNoses (bijlage 1): onder meer CA-01 // HO-0l // AM-01 // PE-01 // HE-01. De in deze rapportage, hieronder genoemde, eNoses staan gepositioneerd in een gebied zoals bedoeld in de subsectie 7.2.3.7.1.3 van het ADN, namelijk de eNoses: JA-01 // SU-01 // WM-02 // HE-01 // KD-02 en KD-04. In de hieronder aangegeven tabel staan een aantal aangesproken eNoses weergeven: Ten aanzien van WM-02 laat het hof wat betreft het verbodsgebied buiten beschouwing “nabijheid brug”. Het hof begrijpt ten aanzien van KD-02 als verbodsgebied ‘onder de brug’ in plaats van ‘nabijheid brug’. Het hof wijst in dit verband op hetgeen in het proces-verbaal A, bijlage 18, pag. 69 ten aanzien van deze eNose is gerelateerd: ‘Vaartuig vaart onder de Muiderbrug (A1) en Betlembrug (A9)’ Bijlage 1 Een geschrift zijnde een e-mail van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied aan [verbalisant 1] (ILT) van 15 augustus 2022 [doorgenummerde pagina 21] met bijlagen [doorgenummerde pagina’s 22-27]: Dit geschrift houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Bijlage 2022-06-22 ontgassende varende tanker zaak 11413976 Consignatiedienst: melding varend ontgassen d.d. 22 juni 2022 (zaak 11413976) Vaartuig met CIID: [nummer 1] MMSI: - heeft op 22/06/2022 op het NZK varend ontgast. Waarneming Op woensdag 22 juni 2022 heeft de ontgassingstool van Comon Invent vijf meldingen gegenereerd van een varend ontgassend vaartuig. Van: Comon Invent Websuite <[email 1]> Verzonden: woensdag 22 juni 2022 02:15 Aan: [persoon] <[email 2]> Onderwerp: Degassing Vessel Detective Alarm for Noordzeekanaal - Zuid Peak detected by ST-01 (w), AW-01 at 2022-06-22 02:00:20. Peak detected by PE-02, ND-01 at 2022-06-22 02:24:09. Peak detected by JA-01, SU-01 at 2022-06-22 02:49:22. Peak detected by WM-02 at 2022-06-22 03:09:26. Peak detected by KD-02, KD-04 at 2022-06-22 03:25:38. Bijlage 10 Een geschrift zijnde een kopie van een Cognossement - Bill of lading van 18 juni 2022 (doorgenummerde pagina 54). Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven –: Naam tanklichter: [bedrijf 1] ADN gevarenklasse: UN1268 AARDOLIEDESTILATEN, N.E.G. (NAFTA) 3, (N2, CMR, F) I, MILIEUGEVAARLIJK Datum: 18 Jun 22 Bijlage 16 Een geschrift zijnde een formulier ‘Toestemming besloten ruimten/meetstaat – conform ADN’ van het schip [bedrijf 1] van 22 juni 2022 met als starttijd 02.00 uur [doorgenummerde pagina 61]. Dit geschrift houdt in voor zover van belang en zakelijk weergegeven: Bijlage 18 Een geschrift zijnde een (definitieve) eNose-rapportage varend ontgassen binnenvaartschip van [persoon] van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 17 augustus 2022 aan [verbalisant 1] (ILT) [doorgenummerde pagina’s 66-76] Dit geschrift houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven –: 22 juni 2022: melding varend ontgassende vaartuig Op 22 juni 2022, kreeg ik vijf automatisch gegenereerde en mij middels email toegezonden melding van de Degassing Vessel Detective tool van Comon Invent. Ik heb de informatie uit de email van Comon Invent hierbij weergegeven. Peak detected by ST-01 (w), AW-01 at 2022-06-22 02:00:20. Peak detected by PE-02, ND-01 at 2022-06-22 02:24:09. Peak detected by JA-01, SU-01 at 2022-06-22 02:49:22. Peak detected by WM-02, at 2022-06-22 03:09:26. Peak detected by KD-02, KD-04 at 2022-06-22 03:25:38. 17 augustus 2022: onderzoek eNose netwerk Naar aanleiding van het verzoek van ILT heb ik, in verband met voornoemde melding, op 17 augustus 2022 een nader onderzoek uitgevoerd. Hiervoor heb ik de historische data van 22 juni 2022, van 01:30 uur tot 04:00 uur, opgevraagd met behulp van de software van Comon Invent. Varend ontgassend vaartuig Bij het nalopen van de track zag ik dat het vaartuig met CIID [nummer 1] voorbij een nader te noemen eNose voer, dat door de betreffende eNose een sterke, dan wel een matige verandering van de luchtsamenstelling werd gedetecteerd. Gelet op deze eNose detecties is het voor mij als eNose specialist duidelijk dat dit vaartuig is aan te merken als veroorzaker van de gedetecteerde verandering van de luchtsamenstelling. Ik zag dat de ontgassing (emissie) van het vaartuig zo extreem was dat veel eNoses in het Westelijk Havengebied de veranderingen van de luchtsamenstelling hebben gedetecteerd. Vergelijking eNose patronen Vanaf het moment dat het vaartuig met CIID [nummer 1] vertrok uit de Mauritiushaven heeft het eNose netwerk in totaal 17 maal een ontgassing gedetecteerd. Ik zag dat de eNose patronen in alle 17 gedetecteerde ontgassingen vrijwel overeenkomen wat duid op één en hetzelfde ontgassende tankschip. 17 augustus 2022: overzicht geactiveerde eNoses In figuur 3 is een overzicht weergegeven van de geactiveerde eNoses, tijdstippen en locaties welke gerelateerd zijn aan het vaartuig met CIID [nummer 1] . 2. Het proces-verbaal ter terechtzitting in eerste aanleg van 24 mei 2023. Dit proces-verbaal houdt in – voor zover van belang en zakelijk weergegeven – als de op 24 mei 2023 afgelegde verklaring van de getuige [getuige] : Ik was op 22 juni 2022 schipper op het motortankschip (mts) [bedrijf 1] . Na het leegpompen van het schip in Amsterdam, ben ik daar weggevaren. Ik heb de ladingtanks ontgast. Ik ben de schipper, dus ik ging over het ontgassen. Er is aardoliedestillaten (nafta) gelost.