Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-12-10
ECLI:NL:RBGEL:2025:12008
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Bodemzaak
8,102 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12008 text/xml public 2026-04-30T14:17:15 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-10 11757383 CV EXPL 25-1891 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Apeldoorn Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12008 text/html public 2026-04-29T14:52:51 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12008 Rechtbank Gelderland , 10-12-2025 / 11757383 CV EXPL 25-1891 Verschuldigdheid van overeengekomen 'succesfee'. Uitleg. Haviltex. Beroep beperkende werking redelijkheid en billijkheid faalt. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 11757383 \ CV EXPL 25-1891 Vonnis van 10 december 2025 in de zaak van [naam eiser] , handelend onder de naam [naam eisend bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: Van Loon Incasso Advocaten, tegen OCCUPIER B.V. , te Ermelo, gedaagde partij, hierna te noemen: Occupier, gemachtigde: Baanmeesters. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025 - het bericht van 1 oktober 2025 met producties 13 t/m 16 van [de eiser] , - de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de eiser] houdt zich bezig met het geven van adviezen over en het regelen van bedrijfsfinancieringen. 2.2. In december 2023 heeft Occupier contact opgenomen met [de eiser] in verband met de benodigde financiering voor de aankoop van 10 chalets op een vakantiepark. Daarover heeft er tussen partijen op 18 december 2023 een gesprek plaatsgevonden. 2.3. Op 2 januari 2024 heeft Occupier in een e-mail aan [de eiser] , voor zover relevant, het volgende geschreven: “(…) Qua financiering voor ons belangrijke punten: Mogelijkheid tot aflossingsvrij ; Indien mogelijk boetevrij , en/of mogelijkheid tot aflossing X% per jaar; (mogelijk anders combinatie lineair en aflossingsvrij) 15 jaar looptijd. (…)” 2.4. Daarop heeft [de eiser] op dezelfde dag per e-mail, voor zover relevant, als volgt gereageerd: “(…)Onderstaande belangrijke punten neem ik mee en probeer ik maximaal uit te onderhandelen ”. Ook is de opdrachtbevestiging aan Occupier toegestuurd die daarna door Occupier is ondertekend. 2.5. In de opdrachtbevestiging is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “(…) Dienstverlening Graag bied ik je aan je te begeleiden bij het realiseren van de benodigde financiering. Mijn dienstverlening bestaat uit de volgende onderdelen: Opstellen van de financieringsaanvraag op basis van de door jou aangeleverde informatie Op zoek gaan naar de meest passende marktpartij(en) voor de financieringsoplossing Onderhandelen met de geldverstrekkende partijen over voorwaarden en condities Controleren van de offerte(s) en akte(n) op juistheid en volledigheid Vergoeding en voorwaarden De vergoeding voor mijn dienstverlening kent een vaste component van EUR 1.750,00 (excl. BTW), vermeerderd met een voorwaardelijke component. Deze succesfee bedraagt 1% over de hoogte van de financiering met een minimum van EUR 3.500,00 (excl. BTW) verminderd met de vaste component. Na ondertekening van deze opdrachtbevestiging factureer ik de vaste component en nadat je één of meerdere offertes van geldverstrekkende partijen hebt ontvangen, factureer ik het resterende bedrag. Op mijn dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Financieringsgilde van toepassing welke je hier kunt downloaden of aantreft op www.financieringsgilde.nl. (…)” 2.6. Bij factuur van 19 januari 2024 heeft [de eiser] de vaste component van € 1.750,00 (exclusief btw) bij Occupier in rekening gebracht. De factuur is op 14 mei 2024 betaald. 2.7. In april 2024 heeft er tussen partijen whatsappcontact plaatsgevonden, waarin partijen elkaar onder meer het volgende hebben geschreven: 15 april 2024 Occupier: “(…) De bank waar we de zakelijke rekening hebben kwam met een voorstel van gedeelte 10 jr afl. vrij en gedeelte 10 jr aflossing rentevast op 6 à 7% onder voorbehoud van goedgekeurde taxatie vanuit hun, leningsbedrag +/- 530000€. Heb jij tijd om hierover te bellen? (…)” 19 april 2024: Occupier: “(…) Heb met [betrokkene] gebeld vd week en willen dan 540.000€ als leningsbedrag aanhouden. (…) Van ons mag je gaan schrijven (…)” [de eiser] : “(…) Pak het volgende week op. (…)” 27 april 2024 Occupier: “(…) Gelukt met aanschrijven deze week. Wanneer verwacht je iets te horen qua voorstel?” [de eiser] : “(…) Voorstel zo goed als gereed. Maandag maak ik het voorstel af en gaat dan naar de diverse financiers. Verwacht eind volgende week de eerste reactie binnen te hebben. (…)” 2.8. Op 8 mei 2024 heeft [de eiser] de financieringsaanvraag voor € 540.000,00 ingediend bij de volgende vier partijen: BUFR, United Growth, de Rabobank en de ING Bank. 2.9. Op 13 mei 2024 heeft er whatsappverkeer tussen Occupier en [de eiser] plaatsgevonden waarin, voor zover relevant, partijen het volgende hebben geschreven: Occupier: “(…) Had je mogelijk al een update vanuit financierders? Hoor het graag” [de eiser] : “(…) Van één financier heb ik een indicatieve offerte binnen. Verwacht deze week van de diverse partijen de ind offertes te ontvangen. (…)” Occupier: “Ah kan je al wat delen over het % en mogelijkheden? (…)” [de eiser] : “Dit is van een alternatieve financier. Die zijn doorgaans duurder dan de banken. Als de banken niet willen dan hebben we die partijen achter de hand. Ze hebben in de ind offerte een percentage staan van 7,25%.” 2.10. Op 17 mei 2024 heeft [de eiser] twee indicatieve offertes van BUFR en United Growth ontvangen en naar Occupier toegestuurd. 2.11. Op 22 mei 2024 heeft de Rabobank aan [de eiser] laten weten dat Occupier al een financieringsaanvraag bij de Rabobank heeft ingediend. 2.12. Op 23 mei 2024 heeft [de eiser] in een whatsappbericht aan Occupier het volgende geschreven: “(…) Wil je vragen of [betrokkene] mij het voorstel van de RABO kan mailen? Dan wil ik kijken of BUFR wellicht nog wat extra kan doen. (…)” 2.13. [de eiser] heeft vervolgens in een e-mail van 4 juni 2024 aan Occupier het volgende geschreven: “(…) Wellicht goed om nogmaals duidelijk te maken dat ik het proces heel vreemd vind gaan. Jullie nemen mij in de arm om een financiering te regelen en gaan vervolgens zelf aan de slag. Ik heb in onderstaande mail aangegeven om de aanvraag verder over te nemen. Hier wordt ook niet op in gegaan. Natuurlijk mag dat maar jullie betalen mij daarvoor. Even een paar vragen: Gaan jullie alles verder zelf doen? Wat kan ik verder voor jullie betekenen? Moeten ik de financieringsvoorstellen van de andere partijen stopzetten? Zal ik de aanvraag bij de RABO stopzetten? Als jullie alles zelf willen doen, zal ik dan mijn eindfactuur opmaken? (…)” 2.14. Bij factuur van 24 juni 2024 heeft [de eiser] een bedrag van € 4.416,50 (inclusief btw) bij Occupier in rekening gebracht. Deze factuur is onbetaald gebleven. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Occupier tot betaling van een bedrag van € 4.416,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten. 3.2. Occupier voert verweer. Occupier concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kern van het geschil tussen partijen is of Occupier de overeengekomen succesfee aan [de eiser] moet betalen. 4.2. Uit de overeenkomst volgt dat de succesfee van 1% over de hoogte van de financiering bij Occupier in rekening wordt gebracht nadat zij één of meerdere offertes van geldverstrekkende partijen heeft ontvangen (hierna: de bepaling in de overeenkomst). Partijen zijn verdeeld over de betekenis van deze afspraak, en meer specifiek over de vraag waaraan de offerte van de geldverstrekker moet voldoen, wil sprake zijn van ‘succes’. 4.3.
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:12008 text/xml public 2026-04-30T14:17:15 2026-04-16 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-10 11757383 CV EXPL 25-1891 Uitspraak Bodemzaak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Apeldoorn Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:12008 text/html public 2026-04-29T14:52:51 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:12008 Rechtbank Gelderland , 10-12-2025 / 11757383 CV EXPL 25-1891 Verschuldigdheid van overeengekomen 'succesfee'. Uitleg. Haviltex. Beroep beperkende werking redelijkheid en billijkheid faalt. RECHTBANK GELDERLAND Civiel recht Kantonrechter Zittingsplaats Apeldoorn Zaaknummer: 11757383 \ CV EXPL 25-1891 Vonnis van 10 december 2025 in de zaak van [naam eiser] , handelend onder de naam [naam eisend bedrijf] , te [vestigingsplaats] , eisende partij, hierna te noemen: [de eiser] , gemachtigde: Van Loon Incasso Advocaten, tegen OCCUPIER B.V. , te Ermelo, gedaagde partij, hierna te noemen: Occupier, gemachtigde: Baanmeesters. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025 - het bericht van 1 oktober 2025 met producties 13 t/m 16 van [de eiser] , - de mondelinge behandeling van 13 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [de eiser] houdt zich bezig met het geven van adviezen over en het regelen van bedrijfsfinancieringen. 2.2. In december 2023 heeft Occupier contact opgenomen met [de eiser] in verband met de benodigde financiering voor de aankoop van 10 chalets op een vakantiepark. Daarover heeft er tussen partijen op 18 december 2023 een gesprek plaatsgevonden. 2.3. Op 2 januari 2024 heeft Occupier in een e-mail aan [de eiser] , voor zover relevant, het volgende geschreven: “(…) Qua financiering voor ons belangrijke punten: Mogelijkheid tot aflossingsvrij ; Indien mogelijk boetevrij , en/of mogelijkheid tot aflossing X% per jaar; (mogelijk anders combinatie lineair en aflossingsvrij) 15 jaar looptijd. (…)” 2.4. Daarop heeft [de eiser] op dezelfde dag per e-mail, voor zover relevant, als volgt gereageerd: “(…)Onderstaande belangrijke punten neem ik mee en probeer ik maximaal uit te onderhandelen ”. Ook is de opdrachtbevestiging aan Occupier toegestuurd die daarna door Occupier is ondertekend. 2.5. In de opdrachtbevestiging is, voor zover relevant, het volgende vermeld: “(…) Dienstverlening Graag bied ik je aan je te begeleiden bij het realiseren van de benodigde financiering. Mijn dienstverlening bestaat uit de volgende onderdelen: Opstellen van de financieringsaanvraag op basis van de door jou aangeleverde informatie Op zoek gaan naar de meest passende marktpartij(en) voor de financieringsoplossing Onderhandelen met de geldverstrekkende partijen over voorwaarden en condities Controleren van de offerte(s) en akte(n) op juistheid en volledigheid Vergoeding en voorwaarden De vergoeding voor mijn dienstverlening kent een vaste component van EUR 1.750,00 (excl. BTW), vermeerderd met een voorwaardelijke component. Deze succesfee bedraagt 1% over de hoogte van de financiering met een minimum van EUR 3.500,00 (excl. BTW) verminderd met de vaste component. Na ondertekening van deze opdrachtbevestiging factureer ik de vaste component en nadat je één of meerdere offertes van geldverstrekkende partijen hebt ontvangen, factureer ik het resterende bedrag. Op mijn dienstverlening zijn de algemene voorwaarden van Financieringsgilde van toepassing welke je hier kunt downloaden of aantreft op www.financieringsgilde.nl. (…)” 2.6. Bij factuur van 19 januari 2024 heeft [de eiser] de vaste component van € 1.750,00 (exclusief btw) bij Occupier in rekening gebracht. De factuur is op 14 mei 2024 betaald. 2.7. In april 2024 heeft er tussen partijen whatsappcontact plaatsgevonden, waarin partijen elkaar onder meer het volgende hebben geschreven: 15 april 2024 Occupier: “(…) De bank waar we de zakelijke rekening hebben kwam met een voorstel van gedeelte 10 jr afl. vrij en gedeelte 10 jr aflossing rentevast op 6 à 7% onder voorbehoud van goedgekeurde taxatie vanuit hun, leningsbedrag +/- 530000€. Heb jij tijd om hierover te bellen? (…)” 19 april 2024: Occupier: “(…) Heb met [betrokkene] gebeld vd week en willen dan 540.000€ als leningsbedrag aanhouden. (…) Van ons mag je gaan schrijven (…)” [de eiser] : “(…) Pak het volgende week op. (…)” 27 april 2024 Occupier: “(…) Gelukt met aanschrijven deze week. Wanneer verwacht je iets te horen qua voorstel?” [de eiser] : “(…) Voorstel zo goed als gereed. Maandag maak ik het voorstel af en gaat dan naar de diverse financiers. Verwacht eind volgende week de eerste reactie binnen te hebben. (…)” 2.8. Op 8 mei 2024 heeft [de eiser] de financieringsaanvraag voor € 540.000,00 ingediend bij de volgende vier partijen: BUFR, United Growth, de Rabobank en de ING Bank. 2.9. Op 13 mei 2024 heeft er whatsappverkeer tussen Occupier en [de eiser] plaatsgevonden waarin, voor zover relevant, partijen het volgende hebben geschreven: Occupier: “(…) Had je mogelijk al een update vanuit financierders? Hoor het graag” [de eiser] : “(…) Van één financier heb ik een indicatieve offerte binnen. Verwacht deze week van de diverse partijen de ind offertes te ontvangen. (…)” Occupier: “Ah kan je al wat delen over het % en mogelijkheden? (…)” [de eiser] : “Dit is van een alternatieve financier. Die zijn doorgaans duurder dan de banken. Als de banken niet willen dan hebben we die partijen achter de hand. Ze hebben in de ind offerte een percentage staan van 7,25%.” 2.10. Op 17 mei 2024 heeft [de eiser] twee indicatieve offertes van BUFR en United Growth ontvangen en naar Occupier toegestuurd. 2.11. Op 22 mei 2024 heeft de Rabobank aan [de eiser] laten weten dat Occupier al een financieringsaanvraag bij de Rabobank heeft ingediend. 2.12. Op 23 mei 2024 heeft [de eiser] in een whatsappbericht aan Occupier het volgende geschreven: “(…) Wil je vragen of [betrokkene] mij het voorstel van de RABO kan mailen? Dan wil ik kijken of BUFR wellicht nog wat extra kan doen. (…)” 2.13. [de eiser] heeft vervolgens in een e-mail van 4 juni 2024 aan Occupier het volgende geschreven: “(…) Wellicht goed om nogmaals duidelijk te maken dat ik het proces heel vreemd vind gaan. Jullie nemen mij in de arm om een financiering te regelen en gaan vervolgens zelf aan de slag. Ik heb in onderstaande mail aangegeven om de aanvraag verder over te nemen. Hier wordt ook niet op in gegaan. Natuurlijk mag dat maar jullie betalen mij daarvoor. Even een paar vragen: Gaan jullie alles verder zelf doen? Wat kan ik verder voor jullie betekenen? Moeten ik de financieringsvoorstellen van de andere partijen stopzetten? Zal ik de aanvraag bij de RABO stopzetten? Als jullie alles zelf willen doen, zal ik dan mijn eindfactuur opmaken? (…)” 2.14. Bij factuur van 24 juni 2024 heeft [de eiser] een bedrag van € 4.416,50 (inclusief btw) bij Occupier in rekening gebracht. Deze factuur is onbetaald gebleven. 3 Het geschil 3.1. [de eiser] vordert - samengevat - veroordeling van Occupier tot betaling van een bedrag van € 4.416,50, vermeerderd met de wettelijke handelsrente en kosten. 3.2. Occupier voert verweer. Occupier concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [de eiser] , met veroordeling van [de eiser] in de kosten van deze procedure. 3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 4 De beoordeling 4.1. De kern van het geschil tussen partijen is of Occupier de overeengekomen succesfee aan [de eiser] moet betalen. 4.2. Uit de overeenkomst volgt dat de succesfee van 1% over de hoogte van de financiering bij Occupier in rekening wordt gebracht nadat zij één of meerdere offertes van geldverstrekkende partijen heeft ontvangen (hierna: de bepaling in de overeenkomst). Partijen zijn verdeeld over de betekenis van deze afspraak, en meer specifiek over de vraag waaraan de offerte van de geldverstrekker moet voldoen, wil sprake zijn van ‘succes’. 4.3.
Volledig
Zo stelt [de eiser] zich op het standpunt dat Occupier de succesfee is verschuldigd op het moment dat Occupier één of meerdere reële offertes krijgt van een geldverstrekkende partij. In de visie van [de eiser] is tussen partijen niet afgesproken dat de offerte(s) aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Omdat de offertes van BUFR en United Growth reële offertes zijn moet Occupier een succesfee betalen, aldus [de eiser] . 4.4. Daar denkt Occupier anders over. Occupier stelt dat zij in het gesprek met [de eiser] heeft aangegeven dat de financiering aan de volgende drie voorwaarden moet voldoen: 1) een looptijd van minimaal 15 jaar, 2) aflossingsvrij en 3) een mogelijkheid tot boetevrij aflossen. [de eiser] heeft het vertrouwen gewekt dat hij een financiering kan regelen die (grotendeels) aan deze vereisten zou voldoen. Occupier mag dan ook redelijkerwijs verwachten dat de succesfee pas in rekening zal worden gebracht als er daadwerkelijk succes is geboekt, namelijk als sprake is van een offerte van een geldverstrekker die voldoet aan de gestelde voorwaarden, aldus Occupier. 4.5. Gelet op deze verschillende lezingen zal de bepaling in de overeenkomst moeten worden uitgelegd, en wel aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Uitgaande van die maatstaf, geldt het volgende. 4.6. Op grond van de tekst in de bepaling in de overeenkomst is de succesfee verschuldigd als Occupier minstens één offerte van een geldverstrekker ontvangt. De overeenkomst rept niet over bepaalde eisen die aan de inhoud van zo’n offerte worden gesteld. Wel volgt uit de overeenkomst dat [de eiser] zich heeft verplicht om de financieringsaanvraag conform de door Occupier aangeleverde informatie op te stellen, om op zoek te gaan naar de meest passende marktpartij voor de financieringsoplossing, daarmee te onderhandelen en de offertes te controleren. Dit betekent dat [de eiser] ervoor dient te zorgen dat Occupier een zo goed mogelijke offerte van een geldverstrekker onder ogen krijgt die zoveel mogelijk aansluit bij de wensen van Occupier en de voor haar project benodigde financiering. Daarvoor heeft Occupier [de eiser] immers ingeschakeld. 4.7. Vaststaat dat partijen vóór het sluiten van de overeenkomst met elkaar hebben gesproken over de punten die voor Occupier belangrijk zijn voor de financiering. Dit zijn volgens Occupier de looptijd, een aflossingsvrije lening en de mogelijkheid om boetevrij af te lossen. Dat tussen partijen is afgesproken dat deze punten tevens gelden als voorwaarden waaraan de te verkrijgen financieringsofferte moet voldoen, blijkt nergens uit. Zo rept Occupier in haar e-mail van 2 januari 2024 ook niet over ‘voorwaarden’ maar alleen over voor haar ‘belangrijke punten’ voor de financiering. [de eiser] heeft daarop aangegeven dat hij deze punten meeneemt en maximaal probeert uit te onderhandelen met de geldverstrekkers. Dit geeft er geen blijk van dat de financieringsofferte aan de door Occupier gestelde voorwaarden moet voldoen. Daarna is de opdrachtbevestiging, waarin dus niet staat vermeld dat de offerte aan bepaalde voorwaarden moet voldoen, door Occupier voor akkoord getekend. 4.8. Dit leidt ertoe dat de door [de eiser] voorgestane uitleg wordt gevolgd. Gelet op de tekst van de bepaling en de gang van zaken rond de totstandkoming van de overeenkomst brengt een redelijke uitleg van de bepaling met zich dat Occupier de succesfee verschuldigd is als zij minstens één reële offerte van een geldverstrekker ontvangt. 4.9. Vervolgens rijst de vraag of Occupier een reële offerte heeft ontvangen van een geldverstrekker. Dit is het geval en daarvoor is het volgende redengevend. [de eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat United Growth een aanbod heeft gedaan om de volledige € 540.000,00 te financieren, dat die lening aflossingsvrij is en dat Occupier na 1 jaar boetevrij kan aflossen. Weliswaar wijkt de looptijd van deze lening (5 jaar) af van de door Occupier gewenste looptijd van 15 jaar, maar dit maakt niet dat de offerte van United Growth onbruikbaar of irreëel is. In dat kader is relevant dat Occupier zelf in januari 2024 een financieringsaanvraag bij de Rabobank heeft gedaan en zij de lening van de Rabobank inmiddels heeft verkregen. Als onweersproken gesteld staat vast dat de lening bij de Rabobank ook niet de gewenste looptijd van 15 jaar heeft. De looptijd van de lening bij de Rabobank van 10 jaar was kennelijk geen belemmering voor Occupier. Verder heeft [de eiser] onweersproken gesteld dat de lening bij de Rabobank slechts met 5% per jaar versneld mag worden afgelost en dat er een aflossingsverplichting van € 2.233,00 per maand geldt. Dit betekent dat het aanbod van United Growth ten aanzien van de onder 2) en 3) van de door Occupier gestelde voorwaarden, zoals vermeld onder 4.4, beter is dan het aanbod van de Rabobank. Occupier stelt terecht dat de rentepercentages bij United Growth slechter zijn, maar daartegenover staat volgens [de eiser] dat de lening bij United Growth flexibeler is en dus een betere optie is als Occupier het risico wil verkleinen. Al met al is door [de eiser] voldoende onderbouwd dat Occupier een reële offerte van United Growth heeft gekregen. 4.10. De conclusie is dat Occupier de succesfee verschuldigd is geworden. Occupier heeft geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde succesfee ad € 4.416,50. Daarom ligt dit bedrag in beginsel voor toewijzing gereed. 4.11. Maar Occupier meent dat zij niet gehouden is dit volledige bedrag aan [de eiser] te betalen vanwege het volgende. Occupier stelt dat [de eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door Occupier niet tijdig adequaat te adviseren, informeren en/of te waarschuwen voor de onmogelijkheid van de beoogde financiering. [de eiser] heeft het doen voorkomen dat de gewenste looptijd van 15 jaar geen probleem zou zijn én dat hij een financiering zou kunnen realiseren die aan de vereisten van Occupier zou voldoen. [de eiser] heeft de opdracht echter tegen beter weten in voortgezet, terwijl hij ervan op de hoogte was dat er een bruikbare offerte lag van de Rabobank. Ook staat het gevorderde bedrag volgens Occupier niet in verhouding tot de door [de eiser] verrichte werkzaamheden. 4.12. De kantonrechter vat dit verweer op als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Dit beroep gaat alleen al niet op omdat de juistheid van de door Occupier gestelde omstandigheden niet is komen vast te staan. Dit wordt hierna toegelicht. 4.13. [de eiser] heeft de door Occupier ingenomen stellingen gemotiveerd betwist. Zo heeft hij onder meer naar voren gebracht dat hij de voor- en nadelen van alternatieve financiers ten opzichte van de banken met Occupier heeft besproken. Ook betwist hij dat hij daarbij zou hebben aangegeven dat ‘banken juist graag langere looptijden willen’. Occupier heeft haar stellingen op dit punt in het geheel niet (met stukken) onderbouwd, zodat niet kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan. Verder blijkt niet uit het dossier dat [de eiser] zijn werkzaamheden tegen de wil van Occupier in heeft voortgezet. Ook nadat Occupier op 15 april 2024 het voorstel van de Rabobank aan [de eiser] heeft toegestuurd, heeft Occupier aangegeven dat [de eiser] ‘mag gaan schrijven’. Vervolgens heeft Occupier meermaals gevraagd of [de eiser] al een voorstel van een geldverstrekker heeft ontvangen. Dit duidt erop dat Occupier – ook na het verkregen voorstel van de Rabobank – graag (meer) offertes vanuit [de eiser] wenste te ontvangen van geldverstrekkers. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft Occupier vervolgens een reëel voorstel ontvangen van United Growth dat grotendeels voldoet aan de wensen van Occupier. Aldus is niet komen vast te staan dat [de eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst. In dit licht valt ook niet in te zien dat de hoogte van de succesfee buitenproportioneel is. Daarvoor heeft Occupier ook geen, althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht. 4.14. De slotsom is dat Occupier op grond van de overeenkomst een succesfee ter hoogte van € 4.416,50 aan [de eiser] moet betalen.
Volledig
Zo stelt [de eiser] zich op het standpunt dat Occupier de succesfee is verschuldigd op het moment dat Occupier één of meerdere reële offertes krijgt van een geldverstrekkende partij. In de visie van [de eiser] is tussen partijen niet afgesproken dat de offerte(s) aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen. Omdat de offertes van BUFR en United Growth reële offertes zijn moet Occupier een succesfee betalen, aldus [de eiser] . 4.4. Daar denkt Occupier anders over. Occupier stelt dat zij in het gesprek met [de eiser] heeft aangegeven dat de financiering aan de volgende drie voorwaarden moet voldoen: 1) een looptijd van minimaal 15 jaar, 2) aflossingsvrij en 3) een mogelijkheid tot boetevrij aflossen. [de eiser] heeft het vertrouwen gewekt dat hij een financiering kan regelen die (grotendeels) aan deze vereisten zou voldoen. Occupier mag dan ook redelijkerwijs verwachten dat de succesfee pas in rekening zal worden gebracht als er daadwerkelijk succes is geboekt, namelijk als sprake is van een offerte van een geldverstrekker die voldoet aan de gestelde voorwaarden, aldus Occupier. 4.5. Gelet op deze verschillende lezingen zal de bepaling in de overeenkomst moeten worden uitgelegd, en wel aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Uitgaande van die maatstaf, geldt het volgende. 4.6. Op grond van de tekst in de bepaling in de overeenkomst is de succesfee verschuldigd als Occupier minstens één offerte van een geldverstrekker ontvangt. De overeenkomst rept niet over bepaalde eisen die aan de inhoud van zo’n offerte worden gesteld. Wel volgt uit de overeenkomst dat [de eiser] zich heeft verplicht om de financieringsaanvraag conform de door Occupier aangeleverde informatie op te stellen, om op zoek te gaan naar de meest passende marktpartij voor de financieringsoplossing, daarmee te onderhandelen en de offertes te controleren. Dit betekent dat [de eiser] ervoor dient te zorgen dat Occupier een zo goed mogelijke offerte van een geldverstrekker onder ogen krijgt die zoveel mogelijk aansluit bij de wensen van Occupier en de voor haar project benodigde financiering. Daarvoor heeft Occupier [de eiser] immers ingeschakeld. 4.7. Vaststaat dat partijen vóór het sluiten van de overeenkomst met elkaar hebben gesproken over de punten die voor Occupier belangrijk zijn voor de financiering. Dit zijn volgens Occupier de looptijd, een aflossingsvrije lening en de mogelijkheid om boetevrij af te lossen. Dat tussen partijen is afgesproken dat deze punten tevens gelden als voorwaarden waaraan de te verkrijgen financieringsofferte moet voldoen, blijkt nergens uit. Zo rept Occupier in haar e-mail van 2 januari 2024 ook niet over ‘voorwaarden’ maar alleen over voor haar ‘belangrijke punten’ voor de financiering. [de eiser] heeft daarop aangegeven dat hij deze punten meeneemt en maximaal probeert uit te onderhandelen met de geldverstrekkers. Dit geeft er geen blijk van dat de financieringsofferte aan de door Occupier gestelde voorwaarden moet voldoen. Daarna is de opdrachtbevestiging, waarin dus niet staat vermeld dat de offerte aan bepaalde voorwaarden moet voldoen, door Occupier voor akkoord getekend. 4.8. Dit leidt ertoe dat de door [de eiser] voorgestane uitleg wordt gevolgd. Gelet op de tekst van de bepaling en de gang van zaken rond de totstandkoming van de overeenkomst brengt een redelijke uitleg van de bepaling met zich dat Occupier de succesfee verschuldigd is als zij minstens één reële offerte van een geldverstrekker ontvangt. 4.9. Vervolgens rijst de vraag of Occupier een reële offerte heeft ontvangen van een geldverstrekker. Dit is het geval en daarvoor is het volgende redengevend. [de eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat United Growth een aanbod heeft gedaan om de volledige € 540.000,00 te financieren, dat die lening aflossingsvrij is en dat Occupier na 1 jaar boetevrij kan aflossen. Weliswaar wijkt de looptijd van deze lening (5 jaar) af van de door Occupier gewenste looptijd van 15 jaar, maar dit maakt niet dat de offerte van United Growth onbruikbaar of irreëel is. In dat kader is relevant dat Occupier zelf in januari 2024 een financieringsaanvraag bij de Rabobank heeft gedaan en zij de lening van de Rabobank inmiddels heeft verkregen. Als onweersproken gesteld staat vast dat de lening bij de Rabobank ook niet de gewenste looptijd van 15 jaar heeft. De looptijd van de lening bij de Rabobank van 10 jaar was kennelijk geen belemmering voor Occupier. Verder heeft [de eiser] onweersproken gesteld dat de lening bij de Rabobank slechts met 5% per jaar versneld mag worden afgelost en dat er een aflossingsverplichting van € 2.233,00 per maand geldt. Dit betekent dat het aanbod van United Growth ten aanzien van de onder 2) en 3) van de door Occupier gestelde voorwaarden, zoals vermeld onder 4.4, beter is dan het aanbod van de Rabobank. Occupier stelt terecht dat de rentepercentages bij United Growth slechter zijn, maar daartegenover staat volgens [de eiser] dat de lening bij United Growth flexibeler is en dus een betere optie is als Occupier het risico wil verkleinen. Al met al is door [de eiser] voldoende onderbouwd dat Occupier een reële offerte van United Growth heeft gekregen. 4.10. De conclusie is dat Occupier de succesfee verschuldigd is geworden. Occupier heeft geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van de gevorderde succesfee ad € 4.416,50. Daarom ligt dit bedrag in beginsel voor toewijzing gereed. 4.11. Maar Occupier meent dat zij niet gehouden is dit volledige bedrag aan [de eiser] te betalen vanwege het volgende. Occupier stelt dat [de eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst door Occupier niet tijdig adequaat te adviseren, informeren en/of te waarschuwen voor de onmogelijkheid van de beoogde financiering. [de eiser] heeft het doen voorkomen dat de gewenste looptijd van 15 jaar geen probleem zou zijn én dat hij een financiering zou kunnen realiseren die aan de vereisten van Occupier zou voldoen. [de eiser] heeft de opdracht echter tegen beter weten in voortgezet, terwijl hij ervan op de hoogte was dat er een bruikbare offerte lag van de Rabobank. Ook staat het gevorderde bedrag volgens Occupier niet in verhouding tot de door [de eiser] verrichte werkzaamheden. 4.12. De kantonrechter vat dit verweer op als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Dit beroep gaat alleen al niet op omdat de juistheid van de door Occupier gestelde omstandigheden niet is komen vast te staan. Dit wordt hierna toegelicht. 4.13. [de eiser] heeft de door Occupier ingenomen stellingen gemotiveerd betwist. Zo heeft hij onder meer naar voren gebracht dat hij de voor- en nadelen van alternatieve financiers ten opzichte van de banken met Occupier heeft besproken. Ook betwist hij dat hij daarbij zou hebben aangegeven dat ‘banken juist graag langere looptijden willen’. Occupier heeft haar stellingen op dit punt in het geheel niet (met stukken) onderbouwd, zodat niet kan worden uitgegaan van de juistheid daarvan. Verder blijkt niet uit het dossier dat [de eiser] zijn werkzaamheden tegen de wil van Occupier in heeft voortgezet. Ook nadat Occupier op 15 april 2024 het voorstel van de Rabobank aan [de eiser] heeft toegestuurd, heeft Occupier aangegeven dat [de eiser] ‘mag gaan schrijven’. Vervolgens heeft Occupier meermaals gevraagd of [de eiser] al een voorstel van een geldverstrekker heeft ontvangen. Dit duidt erop dat Occupier – ook na het verkregen voorstel van de Rabobank – graag (meer) offertes vanuit [de eiser] wenste te ontvangen van geldverstrekkers. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft Occupier vervolgens een reëel voorstel ontvangen van United Growth dat grotendeels voldoet aan de wensen van Occupier. Aldus is niet komen vast te staan dat [de eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit de overeenkomst. In dit licht valt ook niet in te zien dat de hoogte van de succesfee buitenproportioneel is. Daarvoor heeft Occupier ook geen, althans onvoldoende concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht. 4.14. De slotsom is dat Occupier op grond van de overeenkomst een succesfee ter hoogte van € 4.416,50 aan [de eiser] moet betalen.