Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2025-12-09
ECLI:NL:RBGEL:2025:11281
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
8,133 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBGEL:2025:11281 text/xml public 2026-02-05T13:30:58 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Gelderland 2025-12-09 141699 ontneming Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Strafrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2025:11281 text/html public 2025-12-19T15:53:32 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBGEL:2025:11281 Rechtbank Gelderland , 09-12-2025 / 141699 ontneming De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 592.809,00 en legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 78.388,73. RECHTBANK GELDERLAND Team strafrecht Zittingsplaats Arnhem Tegenspraak Parketnummer: 05/141699-24 (ontneming) Datum uitspraak : 9 december 2025 uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak van de officier van justitie tegen [veroordeelde] , geboren op [geboortedatum 1] 1992 in [geboorteplaats] , wonende aan de [adres 1] in ( [postcode] ) [woonplaats] . Raadsman: mr. E.G.S. Roethof, advocaat in Amsterdam. 1 De inhoud van de vordering De officier van justitie vordert dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt geschat en dat [veroordeelde] de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie is geschat op € 864.635,00. 2 De procedure De zaak is op een openbare terechtzitting onderzocht. De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering aangepast en gevorderd dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel en de betalingsverplichting van [veroordeelde] worden vastgesteld op een bedrag van € 750.673,41. De officier van justitie heeft dit, kort samengevat, toegelicht als volgt. [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] moeten worden aangemerkt als economische eenheid. De uitkomst van hun gezamenlijke kasopstelling, zoals berekend in het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (een bedrag van € 176.394,07), moet onder hen worden verdeeld. Dat komt neer op een bedrag van € 88.197,03 per persoon. Daarbij moet voor de kosten van levensonderhoud worden uitgegaan van de NIBUD-normen. Verder bestaat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] uit de geldbedragen in euro’s en buitenlandse valuta, het goud en (de waarde van) de Rolex horloges die zijn aangetroffen in de woning van [veroordeelde] in [plaats 1] , de woning van [medeveroordeelde 1] in [plaats 2] , de woning van [getuige 1] in [plaats 3] , het geldbedrag en het goud dat is afgegeven aan de politie door [getuige 2] , de waarde van de woning aan de [adres 2] te [plaats 4] en de waarde van de virtuele valuta waarvan de ‘seeds’ zijn aangetroffen in de woning van [veroordeelde] en in diens telefoon. Het voordeel uit de valse arbeidsovereenkomst van [medeveroordeelde 1] kan niet worden toegerekend aan [veroordeelde] . Datzelfde geldt voor het contante geldbedrag dat is aangetroffen bij [medeveroordeelde 2] en de waarde van de onder hem aangetroffen ‘seed’ van virtuele valuta. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk voordeel moet worden vastgesteld op nihil en de vordering van de officier van justitie daarom moet worden afgewezen. Wat de kasopstelling betreft, heeft de verdediging aangevoerd dat de NIBUD-normen niet gebruikt kunnen worden, nu de kosten voor levensonderhoud in België en Duitsland lager zijn dan in Nederland en daarom niet het van het Nederlandse prijspeil kan worden uitgegaan. Daardoor is onvoldoende aannemelijk gemaakt wat de uitgaven zijn geweest in België en dienen de aan de NIBUD-normen ontleende kosten voor levensonderhoud niet meegenomen te worden in de kasopstelling. Wat de overige uitgaven betreft, kan alleen voordeel worden meegenomen dat ook daadwerkelijk is behaald. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de kraamzorg daadwerkelijk is verleend en of en door wie die kraamzorg dan is betaald. Wat de meegenomen bonnetjes betreft, is er aan de betreffende winkels/dienstverleners niet gevraagd wie de bewuste goederen heeft gekocht en door wie er is betaald. Het beginvermogen van de kasopstelling kan verder niet goed worden vastgesteld. [veroordeelde] had legaal geld tot zijn beschikking uit eerdere werkzaamheden. Tot slot kunnen de opbrengsten uit het vermeende valse dienstverband niet aan [veroordeelde] worden toegerekend. 3 De beoordeling van de vordering 3.1 Het vonnis in de hoofdzaak De rechtbank heeft kennisgenomen van het op 9 december 2025 tegen [veroordeelde] gewezen vonnis waarbij hij ter zake van onder andere het medeplegen van het namaken van bankbiljetten en van het in voorraad hebben en verkopen van (valse) bankbiljetten, het medeplegen van meerdere (bedrijfs)oplichtingen en (het medeplegen van) gewoontewitwassen is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar. 3.2 Het kader voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden beoordeeld op basis van artikel 36e, derde lid, Sr. Op grond van die wettelijke bepaling kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien aannemelijk is dat dat misdrijf of andere strafbare feiten op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De feiten waarvoor [veroordeelde] is veroordeeld, zijn misdrijven die naar de wettelijke omschrijving worden bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De rechtbank komt in het navolgende tot het oordeel dat aannemelijk is dat [veroordeelde] wederrechtelijk voordeel heeft genoten en baseert zich op de hierna in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen. De rechtbank zal hierna een schatting maken van het voordeel waarvan het aannemelijk is dat [veroordeelde] dat heeft gekregen uit de bewezenverklaarde misdrijven of andere strafbare feiten. Daarbij zal het Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] (hierna: het rapport), opgemaakt in het onderzoek Parra, als uitgangspunt worden genomen. In het bijzonder zal de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] schatten aan de hand van een kasopstelling over de periode 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 en beoordelen of de voorwerpen als genoemd op pagina 10 van het rapport dienen te worden aangemerkt als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . 3.3 De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel 3.3.1 De kasopstelling De politie heeft in het rapport een eenvoudige kasopstelling gemaakt voor [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] gezamenlijk over de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020 (hierna: de onderzoeksperiode). In die eenvoudige kasopstelling is berekend hoeveel contant geld [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] in de genoemde periode legaal beschikbaar hadden voor het doen van uitgaven en hoeveel contant geld zij in die periode hebben uitgegeven. Als uit die berekening volgt dat er meer contant geld is uitgegeven dan legaal beschikbaar was, dan is sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel. Een persoon kan immers niet meer contant uitgeven dan die persoon fysiek aan kasgeld beschikbaar heeft. Dat tussen [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] in de onderzoeksperiode sprake was van een economische eenheid heeft de verdediging niet betwist. De rechtbank ziet ook geen reden om daar anders over te oordelen. De rechtbank zal daarom uitgaan van een kasopstelling van [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] gezamenlijk. Uit de het rapport volgt een kastekort voor [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] samen over de periode van 1. januari 2018 tot en met 30 juli 2020 van € 176.394,07.
Volledig
Beginvermogen De rechtbank ziet geen reden af te wijken van het beginvermogen zoals vastgesteld in het rapport. De rechtbank heeft in het vonnis in de hoofdzaak tegen [veroordeelde] , specifiek in de paragraaf ‘De criminele herkomst’ van de bespreking van het onder feit 10 tenlastegelegde (gewoontewitwassen), al geoordeeld dat zij de verklaring van [veroordeelde] over zijn vermogen volstrekt ongeloofwaardig en bovendien niet verifieerbaar vindt. De rechtbank ziet geen reden in het kader van de ontnemingsprocedure anders te oordelen. NIBUD-normen De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging dat de posten die zien op de uitgaven voor levensonderhoud buiten beschouwing moeten worden gelaten. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft een schatting. Indien de verdediging een in het rapport gemaakte schatting betwist, mag van haar in een ontnemingsprocedure worden verwacht dat zij een alternatieve berekening presenteert en die berekening ook onderbouwt. Dat heeft de verdediging niet gedaan. Echter, nu de verdediging van medeveroordeelde [medeveroordeelde 1] wel een alternatieve berekening naar voren heeft gebracht en zij deze berekening ook heeft onderbouwd, ziet de rechtbank aanleiding daarop ook in deze beslissing nader in te gaan. De officier van justitie heeft weliswaar in de zaak [veroordeelde] niet op deze berekening kunnen reageren, maar omdat hij dat wel heeft kunnen doen en ook heeft gedaan in de zaak van [medeveroordeelde 1] , acht de rechtbank het niet in strijd met de goede procesorde om ook in deze zaak hierop in te gaan. De verdediging van [medeveroordeelde 1] heeft aangevoerd dat het prijspeil in Duitsland en België lager ligt dan in Nederland. Ter onderbouwing is gewezen op twee (digitale) artikelen van de Consumentenbond voor de jaren 2024 en 2025 en op een (digitaal) artikel van Omroep Brabant. De uitgaven voor levensonderhoud moeten daarom 10-20% lager worden vastgesteld. De officier van justitie heeft deze stelling van de verdediging (zonder onderbouwing) betwist en zich subsidiair op het standpunt gesteld dat er eventueel een aftrek moet plaatvinden. Uit de door de verdediging genoemde artikelen van de Consumentenbond, die zijn gebaseerd op een onderzoek dat is uitgevoerd in 2024 en 2025, blijkt dat in België het prijspeil voor basisboodschappen 12 tot 18% lager ligt dan in Nederland. Het prijspeil voor deze basisboodschappen lag in Duitsland in 2024 3% hoger dan in Nederland, maar in 2025 weer 15% lager. In Duitsland lag het prijspeil in 2024 voor A-merken zelfs weer 29% lager dan in Nederland. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat de in het rapport gehanteerde NIBUD-norm, die is opgesteld naar de maatstaven van het Nederlandse prijspeil, voor de schatting van de uitgaven voor levensonderhoud van [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] naar beneden dient te worden bijgesteld. De rechtbank acht een gemiddeld prijspeil voor België en Duitsland van 15% lager dan het prijspeil in Nederland aannemelijk en zal de uitgaven voor levensonderhoud in zoverre naar beneden bijstellen. In de bijlagen 1 tot en met 3 van het rapport zijn de uitgaven voor levensonderhoud per maand weergegeven. Daaruit volgt voor de onderzoeksperiode een totaal aan uitgaven voor levensonderhoud per jaar van: 2018 : € 5.055,52 2019 : € 5.134,92 2020 (tot en met juli) : € 3.296,17 + Totaal : € 13.486,61 De rechtbank zal dat bedrag van € 2.022,99 (= 15% x € 13.486,61) in mindering brengen op het totale hiervoor vermelde kastekort. Uitgaven voor kraamzorg In het rapport is voor het jaar 2018 een bedrag van € 4.385,46 opgenomen als kosten voor kraamhulp. In de iPhone X (beslagcode [IBN-code] ) in beslag genomen en in gebruik bij [medeveroordeelde 3] is een WhatsApp-conversatie aangetroffen tussen ‘owner’ ( [medeveroordeelde 3] ) en een persoon die is aangeduid als ‘Kraamzorg’. In de (niet uitputtend weergegeven) chat wordt onder meer het volgende gezegd: Op 5 juli 2018 [medeveroordeelde 3] : Hoi [naam 1] Zojuist gesproken 7 november uitgerekend Qua uren wil ze de benodigde uren die normaal zijn qua zorg Ik weet niet wat normaal is per keer? Kraamzorg: Normaal is 49 uur verdeeld over 8 dagen Ik zal vanavond nog even in mijn planning kijken of ik nog tijd heb voor een kraambed in november. Ik laat het vanavond weten. Mag ik al wel het adres? Verder is er altijd mogelijk om meer uren te indiceren indien nodig. [medeveroordeelde 3] : Geen punt Is een kennismaking gepast? Kraamzorg: Ja kan. Ik doe altijd een intake thuis. Maar daar zijn dan ook kosten aan verbonden. Dat is 60 70 ex reistijd en klm vergoeding. [medeveroordeelde 3] : Oké ik zal het even overleggen. Kraamzorg: Prima. [medeveroordeelde 3] : Intake is akkoord Wanneer schikt het? Kraamzorg: Laat het vanavond weten Wat is het adres? Ik ben nu aan het werk t/m volgende week vrijdag. Ik wil het op een vrije dag plannen. Dus wordt dan in de week van 16 juli. (…) [medeveroordeelde 3] : [adres 3] sorry Kraamzorg: (…) Kraamzorg: Wil je me nog even naam en achternaam en geboortedatum doorgeven Dan noteer ik die vast in mijn administratie [medeveroordeelde 3] : Heb ik nu niet bij de hand Kan je straks even geven Kraamzorg: Ik Oke Oja ook telefoonnummer [medeveroordeelde 3] : [medeveroordeelde 1] [geboortedatum 2] -1987 [telefoonnummer] Kraamzorg: Dank je (…) Op 9 juli 2018 Kraamzorg: Hallo [naam 2] Ik kan zaterdag 28 juni [de rechtbank begrijpt: 28 juli] langskomen voor een kennismaking/intake gesprek. Eerder lukt echt niet Hopelijk komt dat uit. Gr. [naam 1] [medeveroordeelde 3] : Hoi Ik ga even overleggen Is goed Hoelaat Kraamzorg: Rond 12.00 uur. [medeveroordeelde 3] : Is goed Kraamzorg: Ik wil graag contant afrekenen als het kan. 66 is de intake. Uurtarief is 47.70 euro. En klm is 133 enkele reis 0.29 per klm. Ik doe er 1 uur en 50 minuten over volgens mijn navigatie. Normaal reken ik voor 20 minuten enkele reis niks. Dus betekent totaal 3 uur reistijd. Ik hoor graag nog terug. [medeveroordeelde 3] : Is akkoord Wordt contant betaald Kraamzorg: 28 juli 2018 [medeveroordeelde 3] : Hoi Kun je me bellen Kraamzorg: Hallo ik sta voor de deur maar er doet niemand open [medeveroordeelde 3] : Hoi Hoebedoel je Kraamzorg: Het is geregeld maar de ap komt nu pas aan Zag dat je me net belde [medeveroordeelde 3] : Klopt ik zag je app Binnen komen Alles goed gegaan Kraamzorg: Ja alles is goed gegaan Ik had een verkeerd huisnummer [medeveroordeelde 3] : Klopt mijn fout Kraamzorg: Geeft niet is goed gekomen [medeveroordeelde 3] : Mooi fijn om te horen Hierna heeft er, naar de rechtbank aanneemt, geen conversatie meer plaatsgevonden tussen [medeveroordeelde 3] en ‘ [naam 1] ’. De rechtbank leidt uit dit chatgesprek af dat kraamverzorgster ‘ [naam 1] ’ op 28 juli 2018 langs is geweest bij [medeveroordeelde 1] voor een intake ten behoeve van het verlenen van kraamzorg voor de geboorte van haar dochter [naam 3] . [naam 3] is geboren op [geboortedatum 3] 2018 , dus enkele dagen voor de genoemde uitgerekende datum van [datum]. Die afspraak is “goed gegaan”. Dat er na de intake geen communicatie meer heeft plaatsgevonden tussen ‘ [naam 1] ’ en [medeveroordeelde 3] , acht de rechtbank verklaarbaar omdat het contact tussen de kraamverzorgster en [medeveroordeelde 1] tot stand was gebracht en tussenkomst van [medeveroordeelde 3] niet langer noodzakelijk was. Dat [medeveroordeelde 1] en de kraamverzorgster daarna direct contact met elkaar hebben gehad en gehouden is aannemelijk. [veroordeelde] heeft ter terechtzitting geen antwoord willen geven op de vraag of er na de geboorte van [naam 3] kraamzorg is verleend. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat er na de geboorte van [naam 3] kraamzorg is verleend en dat daarvoor in contanten aan de kraamzorgverlener is betaald door [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] . De verdediging heeft niets tegenover de bevindingen uit het rapport gesteld dat zou moeten leiden tot een ander oordeel. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding af te wijken van de geschatte uitgaven zoals genoemd in het rapport.
Volledig
Bonnen In de woning van [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] aan de [adres 3] te [plaats 1] zijn diverse bonnen en facturen aangetroffen die contant zijn voldaan. Dit betreffen telkens goederen die zijn aangetroffen in de woning, zoals de fitnessapparatuur en het biljart , of goederen waarvan kan worden aangenomen dat ze bestemd waren voor de woning, zoals de uitgaven bij Overstock Garden. Verder zijn er bonnen/facturen aangetroffen die onder andere zien op uitgaven voor bijvoorbeeld de auto’s in gebruik bij [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] , babyspullen en kleding. Nu de bonnen en facturen zijn aangetroffen in de woning vindt de rechtbank het aannemelijk dat de uitgaven ook daadwerkelijk door [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] zijn gedaan en dat zij daar dus voordeel uit hebben behaald. Dat aan de betreffende winkels niet is gevraagd wie de goederen heeft betaald, maakt dat niet anders. De rechtbank ziet geen reden voor wat betreft de bonnen en facturen af te wijken van het rapport. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op. Een deel van de bonnen betreft uitgaven voor kleding. Ook in de NIBUD-normen zijn kosten opgenomen voor kleding. De rechtbank zal de bonnen voor kleding echter toch meenemen in de kasopstelling, omdat dit telkens luxe goederen betreffen waarvan de rechtbank het aannemelijk acht dat die bovenop de basiskosten voor kleding komen die zijn meegenomen in de NIBUD-normen. Naar het oordeel van de rechtbank is voor de kleding daarom geen sprake van een dubbeltelling. Conclusie kasopstelling Het voorgaande betekent dat de rechtbank de kasopstelling enkel zal aanpassen voor zover het de uitgaven voor levensonderhoud betreft. Het totaal van de kasopstelling komt daarmee op € 162.907,46 (€ 176.394,07 - € 13.486,61). De rechtbank zal [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] dit bedrag ieder voor de helft toerekenen. Dat betekent dat het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] , voor zover dat volgt uit de kasopstelling voor de periode van 1 januari 2018 tot en met 30 juli 2020, neerkomt op een bedrag van € 81.453,73 . 3.3.2 De aangetroffen voorwerpen Naast de kasopstelling is het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] in het rapport gebaseerd op voorwerpen die zijn aangetroffen op verschillende locaties. Het merendeel van deze voorwerpen is tevens als voorwerp van witwassen ten laste gelegd in de hoofdzaak. De rechtbank zal de verschillende voorwerpen per locatie waar ze zijn aangetroffen bespreken en daarbij zo veel mogelijk verwijzen naar de beslissing in de hoofdzaak. De woning van [veroordeelde] in [plaats 1] De rechtbank heeft in de hoofdzaak vastgesteld dat in de woning van [veroordeelde] een bedrag van € 40.605,00 is aangetroffen dat [veroordeelde] heeft witgewassen door het voorhanden te hebben. De rechtbank rekent dit bedrag toe aan [veroordeelde] . Daarnaast is op 30 juli 2020 in de woning een bedrag van € 5.435,00 (IBN-code [IBN-code] ) aangetroffen dat niet als voorwerp van witwassen stond vermeld op de tenlastelegging. Omdat dit geldbedrag is aangetroffen in de woning van [veroordeelde] en vanwege de feiten en omstandigheden zoals beschreven in de hoofdzaak, waaronder de criminele antecedenten van [veroordeelde] en zijn financiële positie, is de rechtbank van oordeel dat ook dit bedrag kan worden toegerekend aan [veroordeelde] en afkomstig is uit misdrijf. Verder blijkt uit het vonnis in de hoofdzaak dat in de woning van [veroordeelde] voor een bedrag van omgerekend € 1.345,89 aan buitenlandse valuta is aangetroffen en dat daarnaast zijn aangetroffen drie horloges met een waarde van in totaal € 63.600,00 en ‘seeds’ voor een cryptovaluta wallet voor een bedrag van in totaal € 41.037,01 . De rechtbank heeft bewezen geacht dat [veroordeelde] deze voorwerpen heeft witgewassen door ze voorhanden te hebben. In de woning van [veroordeelde] zijn dus (aanwijzingen voor) voorwerpen aangetroffen met een waarde van in totaal € 152.022,90 . De rechtbank zal dit bedrag meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . De woning in [plaats 2] De rechtbank heeft in de hoofdzaak vastgesteld dat in de woning aan de [adres 4] te [plaats 2] € 92.500,00 aan contant geld in euro’s, een bedrag van € 2.937,37 aan buitenlandse valuta en goud ter waarde van € 22.500,00 is aangetroffen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat [veroordeelde] deze voorwerpen heeft witgewassen door ze voorhanden te hebben. In de woning in [plaats 2] zijn dus voorwerpen aangetroffen met een waarde van in totaal € 117.937,37 . De rechtbank zal dit bedrag meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . De woning van [getuige 1] in [plaats 3] De rechtbank heeft in de hoofdzaak vastgesteld dat in de woning van [getuige 1] aan de [adres 5] te [plaats 3] een bedrag van € 58.000,00 in contanten en goud ter waarde van € 88.045,00 zijn aangetroffen. De rechtbank heeft verder vastgesteld dat [veroordeelde] deze voorwerpen heeft witgewassen, onder andere door ze voorhanden te hebben. In de Jumbotas waarin het contante geld en het goud is aangetroffen bevond zich ook een envelop met daarin een bedrag van € 750,00 (IBN-code [IBN-code] ) . Dit geldbedrag stond niet op de tenlastelegging van [veroordeelde] . Nu dit geldbedrag is aangetroffen in dezelfde Jumbotas en [getuige 1] over het geld en het goud dat bij hem is aangetroffen heeft verklaard dat het van [veroordeelde] was, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat ook dit geldbedrag afkomstig is uit misdrijf en dat het aan [veroordeelde] kan worden toegerekend. De waarde van de voorwerpen die zijn aangetroffen in de woning van [getuige 1] is in totaal € 146.795,00 . De rechtbank zal dit bedrag meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . Voorwerpen afgegeven door [getuige 2] Uit het vonnis in de hoofdzaak blijkt dat [getuige 2] op 5 februari 2021 een bedrag van € 85.000 in contanten en goud ter waarde van € 9.600,00 , welke voorwerpen toebehoren aan [veroordeelde] , heeft afgegeven aan de politie. De rechtbank heeft vastgesteld dat [veroordeelde] deze voorwerpen heeft witgewassen, onder andere door ze voorhanden te hebben. De waarde van de voorwerpen die zijn afgegeven door [getuige 2] is in totaal € 94.600,00 . De rechtbank zal dit bedrag meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . Overige voorwerpen Van de cryptovaluta wallet ter waarde van € 666,00 waarvan de ‘seed’ is aangetroffen in woning van [medeveroordeelde 2] aan de [adres 6] te [plaats 4] heeft de rechtbank in de hoofdzaak geoordeeld dat zich in het dossier onvoldoende aanwijzingen bevinden dat [veroordeelde] daarbij betrokken is. De rechtbank is van oordeel dat hetzelfde geldt voor het bedrag van € 1.000,00 dat in die woning is aangetroffen. De rechtbank zal deze geldbedragen daarom niet meenemen als wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . Ook van het witwassen van de woning aan de [adres 2] te [plaats 4] heeft de rechtbank [veroordeelde] in de hoofdzaak vrijgesproken. De rechtbank kan niet vaststellen dat de woning aan [veroordeelde] toebehoort. De waarde van deze woning zal daarom niet worden meegenomen in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] . Totaal wederrechtelijk verkregen voordeel uit de aangetroffen voorwerpen Uit het voorgaande volgt dat het geschatte wederrechtelijk voordeel van [veroordeelde] uit de op diverse locaties aangetroffen en afgegeven voorwerpen € 511.355,27 bedraagt. 3.3.3 Valse dienstverband De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat de opbrengsten uit het valse dienstverband van [medeveroordeelde 1] geen wederrechtelijk verkregen voordeel van [veroordeelde] betreffen. 3.3.4 Conclusie Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank het totale geschatte wederrechtelijk voordeel van [veroordeelde] vast op een bedrag van € 592.809,00 (€ 81.453,73 + € 511.355,27). 3.4 Betalingsverplichting 3.4.1 De standpunten De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de waarde van de verbeurd verklaarde goederen niet moeten worden afgetrokken van de betalingsverplichting.
Volledig
Een verrekening van die verbeurdverklaring moet plaatsvinden in de executiefase. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de waarde van de verbeurd verklaarde goederen wel moet worden afgetrokken. 3.4.2 De beoordeling door de rechtbank Aftrek verbeurd verklaarde goederen Op grond van artikel 36e lid 5 Sr kan de rechtbank de betalingsverplichting op een lager bedrag vaststellen dan het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank is van oordeel dat het aftrekken van de waarde van de verbeurd verklaarde goederen in de ontnemingsbeslissing, indien sprake is van een rechtstreeks verband tussen de verbeurd verklaarde goederen en het bepaalde voordeel de meest geëigende weg is. Door zowel voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel als voor de aftrek van de verbeurd verklaarde voorwerpen bij de bepaling van de betalingsverplichting uit te gaan van dezelfde waarde van die voorwerpen, wordt voorkomen dat een veroordeelde zou profiteren van vervolgprofijt door de waardevermeerdering van de voorwerpen op het moment van de vervreemding van die voorwerpen of dat een veroordeelde zou worden benadeeld door een waardevermindering van die voorwerpen. Doel van de ontnemingsmaatregel is immers dat een veroordeelde wordt teruggebracht in de financiële situatie waarin hij of zij zich bevond voor het plegen van de strafbare feiten (het reparatoire karakter van de maatregel, vgl. ECLI:NL:HR:2019:1479). In de hoofdzaak heeft de rechtbank beslist tot verbeurdverklaring van verschillende goederen, waarvan de waarde tevens is meegenomen in het vastgestelde geschatte wederrechtelijk voordeel. De rechtbank zal de waarde van die goederen aftrekken van de betalingsverplichting, omdat er een rechtsreeks verband bestaat tussen die goederen en het vastgestelde geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de buitenlandse valuta die zijn aangetroffen in de woning van [veroordeelde] , de Audi A6, het goud dat is aangetroffen in de woning van [getuige 1] en het goud dat is afgegeven door [getuige 2] geldt dat de waarde op de beslaglijst verschilt van de waarde die is meegenomen in het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel. Voor de Audi A6 geldt dat de aanschaf van die auto voor een bedrag van in totaal € 18.500,00 (€ 3.000,00 + € 15.500,00 ) is meegenomen in de kasopstelling. De rechtbank zal de waarde waartegen de voorwerpen van de betalingsverplichting worden afgetrokken, bepalen op de bedragen die zijn meegenomen in de berekening van het voordeel. Omdat de kasopstelling is opgesteld voor [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] gezamenlijk en het totaal van de kasopstelling daarom is gedeeld door twee, dienen ook de kosten voor de aanschaf van de Audi slechts voor de helft afgetrokken te worden van de betalingsverplichting, dat is een bedrag van (€ 18.500,00 / 2 =) € 9.250,00. De rechtbank zal de volgende voorwerpen tegen de genoemde waarde aftrekken van de betalingsverplichting: contant geld woning [veroordeelde] (beslaglijstnummer 11, gedeeltelijk): € 40.605,00 buitenlandse valuta woning [veroordeelde] (beslaglijstnummer 14-15): € 1.345,89 virtuele valuta woning [veroordeelde] (beslaglijst nummers 8-10): € 41.037,01 drie Rolex horloges (beslaglijst nummers 16-18): € 63.600,00 Audi A6 [kenteken] (beslaglijst nummer 20): € 9.250,00 contant geld woning [plaats 2] (beslaglijstnummers 2-4, 6-7): € 92.500,00 buitenlandse valuta woning [plaats 2] (beslaglijstnummer 5, gedeeltelijk): € 2.937,37 goud woning [plaats 2] (beslaglijstnummer 1): € 22.500,00 geld woning [getuige 1] (beslaglijstnummer 21): € 58.000,00 goud woning [getuige 1] (beslaglijstnummer 23-24): € 88.045,00 geld afgegeven door [getuige 2] (beslaglijstnummer 25): € 85.000,00 goud afgegeven door [getuige 2] (beslaglijstnummer 26-27): € 9.600,00 + Totaal € 514.420,27 Voor de overige verbeurd verklaarde goederen geldt dat er geen rechtstreekse relatie bestaat tussen die goederen en het vastgestelde wederechtelijk verkregen voordeel. Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere veroordeelde is gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat jegens de veroordeelde een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de ontnemingsvordering moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat voor de ontneming net als in de hoofdzaak een ruimere redelijke termijn van drie jaar dient te gelden en verwijst voor de onderbouwing daarvan naar de hoofdzaak. De ontnemingsvordering hangt samen met de hoofdzaak en kan ook niet eerder dan die hoofdzaak worden afgedaan. De redelijke termijn is in het onderhavige geval aangevangen op 1 februari 2023, het moment waarop de machtiging tot beslaglegging van de rechter-commissaris en het bevel tot inbeslagneming van de officier van justitie van verschillende voorwerpen door betekening door de deurwaarder bekend zijn geworden bij [veroordeelde] . Voorgaande betekent dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Draagkracht De verdediging heeft geen draagkrachtverweer gevoerd. Conclusie betalingsverplichting Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank de betalingsverplichting voor [veroordeelde] vast op een bedrag van € 78.388,73 (€ 592.809,00 - € 514.420,27). De rechtbank zal hem veroordelen tot betaling van dit bedrag aan de Staat. 3.5 Gijzeling Volgens de LOVS-oriëntatiepunten dient de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd, te worden bepaald op € 50,00 per dag met een maximum van 1080 dagen. De rechtbank ziet geen reden hiervan af te wijken. De rechtbank zal de duur van de gijzeling daarom bepalen op 1080 dagen. 4 De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5 De beslissing De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 592.809,00 ; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 78.388,73 ; - bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering op 1080 dagen . Aldus gegeven door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. M.J. Wasmann en mr. R.P.W. van de Meerakker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Fliert, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2025. Mr. R.P.W. van de Meerakker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, opsporingsonderzoek Parra, dossiernummer ON3R018117, gesloten op 31 oktober 2022, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden (inclusief die van de bij het onderzoek Parra behorende deelonderzoeken Marker, Palestina, Lega en Reseda), tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld. Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] , p. 0005-0009, p. 00013-00017. Https://www.consumentenbond.nl/nieuws/2024/boodschappen-in-veel-vakantielanden-goedkoper-dan-in-nederland; https://www.consumentenbond.nl/acties-claims/nieuws/2025/boodschappen-buitenland. Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling [veroordeelde] en [medeveroordeelde 1] , p. 00013-00017.