Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
2021-06-23
ECLI:NL:GHARL:2021:6302
Strafrecht
Hoger beroep
1,423 tokens
Inleiding
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003144-20
Uitspraak d.d.: 23 juni 2021
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 26 augustus 2020 met het parketnummer 18-087097-20 op de vordering ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen
[de betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] ,
hierna te noemen: de betrokkene.
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 juni 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel bedrag van € 1.313,-.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door betrokkene en zijn raadsvrouw, mr. M.R.M. Schaap, naar voren is gebracht.
Dictum
Bij de hierboven genoemde beslissing, waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de politierechter het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, alsmede diens terugbetalingsverplichting vastgesteld op € 1.313,-.
Het hof verenigt zich niet met die beslissing zodat die behoort te worden vernietigd en opnieuw moet worden rechtgedaan.
Vordering
De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt tot schatting van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op € 1.313,- en tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 1.313,- en dat aan betrokkene wordt opgelegd de verplichting tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Opmerking daarbij verdient dat dit bedrag gelinkt wordt aan de betalingen die aan betrokkene middels “Tikkies’ zijn gedaan.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De betrokkene is bij arrest van dit hof van 23 juni 2021 (parketnummer 21-003143-20) veroordeeld tot straf ter zake van onder meer de verkoop van MDMA.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit die verkoop voordeel heeft genoten.
Aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen ontleent het hof de schatting van dat voordeel op een bedrag van € 1.273,92,-. Het hof komt tot deze schatting door de optelling van de Tikkies zoals deze zijn geregistreerd in het dossier. Daarbij verdient opmerking 1) dat dit bedrag afwijkt van het gevorderde bedrag, hetgeen het hof toeschrijft aan abusievelijke dubbeltelling, en 2) dat weliswaar aannemelijk is dat betrokkene ook contante betalingen voor de pillen heeft ontvangen maar dat daarvan wordt geabstraheerd nu het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt voor een reële inschatting van de omvang daarvan.
Op dat verkoopbedrag (€ 1.273,92,-) dienen de kosten van inkoop in mindering te worden gebracht. Voor de berekening hiervan volgt het hof de aannames die de verdediging in eerste aanleg naar voren heeft gebracht. Kort gezegd: gemiddelde verkoopprijs per pil
€ 3,50,- betrokkene heeft 364 pillen verkocht; gemiddelde inkoopprijs per pil € 1,20,- betrokkene heeft € 436,80,- betaald voor de inkoop, welk bedrag in mindering moet worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel, zodat resulteert een bedrag van
€ 837,12,-.
Overeenkomstig het standpunt van de raadsvrouw in hoger beroep, ter onderbouwing waarvan zij verwijst naar een arrest van de Hoge Raad, dient bij de bepaling van de aan betrokkene op te leggen betalingsverplichting het in de strafzaak verbeurdverklaarde bedrag ad € 962,20,- in mindering te worden gebracht, zodat die betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld en de vordering tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold ten tijde van de procedure.
Dictum
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 837,12 (achthonderdzevenendertig euro en twaalf cent).
Wijst de vordering af.
Aldus gewezen door
mr. W. Foppen, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Abdulkarim, griffier,
en op 23 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1479, in het bijzonder r.o. 2.3.2.