Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-10-02
ECLI:NL:RBGEL:2024:9745
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - meervoudig
15,197 tokens
Inleiding
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/420336 / HA ZA 23-258 / 115/871
Vonnis van 2 oktober 2024
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats] ,3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats] ,4. [eiser 4],
wonende te [woonplaats] ,5. [eiser 5],
wonende te [woonplaats] ,6. [eiser 6],
wonende te [woonplaats] ,7. [eiser 7],
wonende te [woonplaats] ,8. [eiser 8],
wonende te [woonplaats] ,9. [eiser 9],
wonende te [woonplaats] ,10. [eiser 10],
wonende te [woonplaats] ,11. [eiser 11],
wonende te [woonplaats] ,12. [eiser 12],
wonende te [woonplaats] ,13. [eiser 13],
wonende te [woonplaats] ,14. [eiser 14],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de participanten,
advocaat: mr. R.L.G. Kraaijvanger te Utrecht,
tegen
1 [gedaagde 1] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2 [gedaagde 2] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,3. [gedaagde 3],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,
advocaat: mr. C. van de Kraats te Apeldoorn.
1De zaak in het kort
1.1.
De participanten hebben kapitaal verstrekt voor een door [gedaagde 3] opgezet investeringsmodel. De insteek was dat geld verdiend zou worden met ‘groene’ investeringen in de mestverwerking. Via op te richten maatschappen ( [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) zou met de inleg van de participanten per maatschap een mestverwerkingsinstallatie (hierna: mvi) worden gekocht. De mvi’s zouden op locatie bij een boer worden geplaatst zodat boeren (uit de omgeving) tegen betaling mest konden (laten) verwerken. Zo zouden de participanten via de maatschappen rendement behalen. Ook zouden de participanten vanaf het moment van deelname een fiscaal gunstige (investerings)aftrek genieten omdat hun investeringen bijdragen aan verbetering van het milieu (MIA/Vamil-regeling). Tot op heden zijn de mvi’s voor de maatschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] niet op locatie opgeleverd en worden de participanten in 2024 geconfronteerd met een desinvesteringsbijtelling. Zij zijn daarom uit het investeringsmodel gestapt en willen hun inleg terug.
1.2.
Partijen twisten over (het bestaan van) hun rechtsbetrekking. De rechtbank is van oordeel dat tussen de individuele participanten enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de op hen uit hoofde van die overeenkomst rustende verplichtingen. De participanten hebben hun overeenkomsten terecht ontbonden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn gehouden de inleg aan de participanten terug te betalen. Ook [gedaagde 3] is als bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk voor de schade van de participanten.
Procesverloop
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis in incident van 4 oktober 2023
- de akte overlegging aanvullende producties 39 tot en met 41 van de participanten
- de aanvullende productie 8 van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
- de akte overlegging aanvullende producties 42 tot en met 58 van de participanten
- de aanvullende producties 9 en 10 van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
- de akte overlegging aanvullende producties 59 tot en met 61 van de participanten- het (verkort) proces-verbaal en het (deels) uitgewerkt proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 25 april 2024.
2.2.
Na de mondelinge behandeling is bepaald dat vonnis wordt gewezen.
Feiten
3.1.
De rechtbank heeft in het vonnis in incident onder 2.1. tot en met 2.4. feiten vastgesteld. Deze feiten worden overgenomen en, waar nodig, aangevuld.
3.2.
De participanten zijn particuliere investeerders, merendeels collega’s van [gedaagde 3] .
3.3.
[gedaagde 3] is piloot en bedenker van het investeringsmodel. Via zijn persoonlijke holdings [bedrijf 3] en [bedrijf 4] , is [gedaagde 3] sinds december 2018 enig aandeelhouder en bestuurder van respectievelijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .
3.4.
[gedaagde 1] is een advies- en investeringsmaatschappij die zich bezig houdt met het (doen) initiëren en het investeren in projecten en activa met het oog op de opwekking van duurzame energie, het bijeenbrengen van partijen die willen investeren in duurzame energie bronnen en projecten, alsmede het verrichten van consultancy en management activiteiten op voormeld gebied.
[gedaagde 2] houdt zich bezig met de in- en verkoop van mvi’s en mestproducten, alsmede met het voeren van administratie daarover.
3.5.
In 2018 heeft [gedaagde 1] het ‘Aanbiedingsmemorandum 2018’ laten opstellen met bijlage A tot en met H, hierna verder: het aanbiedingsmemorandum. In 2019 zijn enkele woorden in het aanbiedingsmemorandum aangepast.
De bijlagen A tot en met H hebben de volgende titels:
- Bijlage A Maatschapsovereenkomst
- Bijlage B Koop- en leveringsakte Mestverwerkingsinstallatie- Bijlage C Leningovereenkomst - Bijlage D Service en beheerovereenkomst
- Bijlage E Overeenkomst van opdracht administratie en volmacht
- Bijlage F Akte van oprichting van [bedrijf 5]
- Bijlage G Akte van inbreng
- Bijlage H Deelnameformulier 2018
3.6.
De participanten hebben bijlage H, het Deelnameformulier 2018 en/of het Deelnameformulier 2019, ingevuld en ondertekend. De tekst van deze formulieren komt grotendeels overeen en wordt hieronder gecombineerd weergegeven. De afwijkingen en/of toevoegingen voor 2019 zijn grijs gearceerd. De grijs gearceerde tekst tussen […] staat wel in de tekst van 2018, maar niet in de tekst van 2019. Verder zijn in de tekst hieronder ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ door de rechtbank vervangen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] :
(…)
De ondergetekende wenst als Maat deel te nemen in de Maatschap overeenkomstig de voorwaarden van het Informatiememorandum en de bijlagen daarbij (…)
De ondergetekende verklaart hierbij op de hoogte te zijn van het feit dat hij/zij door ondertekening een rechtsgeldig aanbod tot deelname in de Maatschap heeft gedaan, dat na aanvaarding door [gedaagde 1] / [gedaagde 2] een bindende en afdwingbare overeenkomst vormt die eenzijdig kan worden ontbonden door [gedaagde 1] / [gedaagde 2] indien [de Belastingdienst geen ruling afgeeft en/of] er onvoldoende extern kapitaal beschikbaar is voor de aanschaf van de MVI.
Betaling van het maatschapsaandeel dient binnen een termijn van 5 werkdagen te geschieden na eerste schriftelijk verzoek van [gedaagde 1] / [gedaagde 2] . Na belastingteruggave verstrekt de participant van de maatschap een lening ter grootte van de oorspronkelijke inleg zoals in dit deelnameformulier is aangegeven door participant aan [gedaagde 2] met als doel vreemdvermogen te verstrekken voor de aankoop van de MVI.
De maten een onherroepelijke volmacht verlenen aan [gedaagde 1] voor de oprichting van de maatschap.
Ondergetekende verleent hierbij een onherroepelijke volmacht aan [gedaagde 1] om haar op de eerste maatschapsvergadering te vertegenwoordigen en namens hem/haar te stemmen voor de volgende op deze vergadering te behandelen punten:
- koopovereenkomst mvi;
- serviceovereenkomst, huurovereenkomst [bedrijf 6] ;
- Beheer-, administratieovereenkomst;
- Leningovereenkomst
- onherroepelijke volmacht voor het inbreng kapitaalvennootschap en overdracht door Maatschap reeds gesloten overeenkomsten;
- aanvraag voor de Vamil/MIA verzorgen voor de Maatschap en zal optreden als contactpersoon
- inbrengbeschrijving benodigd voor de oprichting van [bedrijf 7]
- de akte van oprichting van [bedrijf 7] tekenen, conform de tekst van Bijlage F bij het Aanbiedingsmemorandum,
- de akte van inbreng van zijn aandeel in de Maatschap in [bedrijf 7] te tekenen conform de tekst van Bijlage G bij het Informatiememorandum/Aanbiedingsmemorandum;
- ter zake te doen al hetgeen de gevolmachtigde nuttig of nodig mocht oordelen terzake de MVI, met het recht van substitutie.
De ondergetekende geeft de gevolmachtigde uitdrukkelijk de toestemming om i) ook namens de andere partijen betrokken bij deze overeenkomsten als gevolmachtigde op te treden en ii) tevens als wederpartij van de gevolmachtigde op te treden.
De ondergetekende verklaart ermee bekend te zijn en akkoord te gaan dat er afspraken over de fiscale behandeling van de deelname worden gemaakt met de Belastingdienst.
De ondergetekende verklaart bekend te zijn met het feit dat als de participaties in de Maatschap zijn overtekend, zijn deelname kan geschieden in andere GPS maatschappen.
3.7.
Eind 2018 hebben de participanten onder 1 tot en met 11 het deelnameformulier 2018 ingevuld en ondertekend. Deze elf participanten hebben in de periode van 21 t/m 30 december 2018 op verzoek van [gedaagde 1] hun inleg betaald op de bankrekening van [gedaagde 2] eindigend op 942. De participanten zijn, samen met de broer van [gedaagde 3] , [naam 1] , ingedeeld in [bedrijf 1] . Op 31 december 2018 heeft [bedrijf 1] , vertegenwoordigd door [gedaagde 3] , een koopovereenkomst gesloten met [gedaagde 2] , vertegenwoordigd door [gedaagde 3] , voor de koop en levering van een mvi voor € 1.390.000,00 exclusief btw. Deze koopovereenkomst wijkt af van bijlage B in die zin dat aan artikel 1 een lid 4 is toegevoegd dat als de koopsom niet wordt voldaan, de maatschap daarover rente verschuldigd is vanaf de dag na de in de factuur genoemde betalingsdatum.
3.8.
Eind 2019 hebben de participanten onder 1 tot en met 3, 6, 8 tot en met 10 en 12 tot en met 14 het deelnameformulier 2019 ingevuld en ondertekend. Deze tien participanten hebben in de periode van 18 t/m 27 december 2019 op verzoek van [gedaagde 2] hun inleg betaald op de bankrekening van [gedaagde 2] eindigend op 942. De participanten zijn, samen met de broer van [gedaagde 3] , ingedeeld in maatschap [bedrijf 2] . Bij overeenkomst, ondertekend door voormelde participanten en de broer van [gedaagde 3] in de periode van 22 t/m 27 december 2019, zijn de participanten maatschap [bedrijf 2] aangegaan.
Op 30 december 2019 heeft maatschap [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [gedaagde 3] , een koopovereenkomst gesloten met [gedaagde 2] , vertegenwoordigd door [gedaagde 3] , voor de koop en levering van een mvi voor € 1.390.000,00. Deze koopovereenkomst wijkt af van bijlage B in die zin dat aan artikel 1 een lid 4 is toegevoegd dat als de koopsom niet wordt voldaan, de maatschap daarover rente verschuldigd is vanaf de dag na de in de factuur genoemde betalingsdatum.
3.9.
De oplevering van de mvi’s is steeds uitgesteld. Op 10 december 2020 heeft [gedaagde 3] namens [gedaagde 1] aan de maten van [bedrijf 1] gemaild dat [gedaagde 1] in gesprek is met diverse locatiehouders en dat de levering van onderdelen uit Japan in verband met COVID19 is vertraagd.
Dictum
De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat eisers onder 1 tot en met 11 ieder voor zich de met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten overeenkomsten tot deelname aan de ketenorganisatie rechtsgeldig buitengerechtelijk hebben ontbonden,
5.2.
verklaart voor recht dat eisers onder 1 tot en met 3, 6, 8 tot en met 10 en 12 tot en met 14 ieder voor zich de met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesloten overeenkomsten tot deelname aan de ketenorganisatie rechtsgeldig buitengerechtelijk hebben ontbonden,
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 1 te betalen een bedrag van € 72.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.4.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 2 te betalen een bedrag van € 10.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 3 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.6.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 4 te betalen een bedrag van € 25.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.7.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 5 te betalen een bedrag van € 30.900,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.8.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 6 te betalen een bedrag van € 15.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.9.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 7 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.10.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 8 te betalen een bedrag van € 103.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.11.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 9 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.12.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 10 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.13.
veroordeelt [gedaagde 1] om aan eiser onder 11 te betalen een bedrag van € 25.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.14.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 1 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.15.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 2 te betalen een bedrag van € 15.450,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.16.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 3 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.17.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 6 te betalen een bedrag van € 25.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.18.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 8 te betalen een bedrag van € 103.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.19.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 9 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.20.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 10 te betalen een bedrag van € 25.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.21.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 12 te betalen een bedrag van € 10.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.22.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 13 te betalen een bedrag van € 103.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 16 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.23.
veroordeelt [gedaagde 2] om aan eiser onder 14 te betalen een bedrag van € 51.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 maart 2023, tot de dag van volledige betaling,
5.24.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van de hoofdzaak, aan de zijde van de participanten tot op heden begroot op € 9.595,41, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.25.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten onder 5.24 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.26.
veroordeelt eisers 1 tot en met 14 hoofdelijk in de proceskosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot op heden begroot op € 614,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als eisers 1 tot en met 14 niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.27.
veroordeelt eisers 1 tot en met 14 hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten onder 5.26 als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.28.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.27 uitvoerbaar bij voorraad,
5.29.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Meijer, mr. F.M.T.
Conclusie
Conclusie van antwoord 4.18
Aanbiedingsmemorandum, pag. 26
Aanbiedingsmemorandum, pag. 37, 49
Aanbiedingsmemorandum, pag. 19
Aanvullende producties 9 en 10 van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3]
Aanbiedingsmemorandum, pag. 20
Aanbiedingsmemorandum, pag. 45
HR 27 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6997
Conclusie
Dagvaarding 74 tot en met 86
Dagvaarding 74
Dagvaarding 78
Dagvaarding 79
Dagvaarding 81
Dagvaarding 82
Dagvaarding 90 + 91
Dagvaarding 84 en 94
Feiten
Hierdoor heeft [gedaagde 1] voor de maten, bij het Ministerie van Financiën (de belastingdienst) uitstel gevraagd en verkregen tot 1 augustus 2021.
3.10.
Vervolgens is een tweede uitstel gevraagd. Op 24 september 2021 heeft [gedaagde 3] namens [gedaagde 2] aan het Ministerie van Financiën, met cc aan de maatschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , hierover het volgende gemaild:
(…) [gedaagde 2] begeleid de projecten van A tot Z voor maatschappen. (…) De Mestverwerkingsmachines zijn al geruime tijd in aanbouw. Echter (…) zijn er een aantal belangrijke factoren buiten onze invloed die voor vertragingen hebben gezorgd en nog steeds actueel zijn. (…)
Allereerst (…) COVID-19 pandemie [heeft] er voor gezorgd dat de levering van materialen (...) een enorme vertraging hebben opgeleverd (…).
Ten tweede [de door mvi geproduceerde kunstmestvervangers mogen we van de overheid niet als kunstmest verhandelen]. Hierdoor wachten boeren af en kunnen we de installaties nog niet plaatsen. Wij verzoeken u daarom om zowel maatschap GPS 10 als GPS 11 een jaar uitstel te verlenen om de installatie in gebruik te nemen.
Ten derde staan er grote veranderingen voor de landbouw op stapel (…) met als gevolg (…) vertraging (…) in het maken van een duidelijk mestbeleid waarmee boeren de volgende investeringen kunnen doen om hun bedrijf verder te verduurzamen.
(…) Wij verzoeken u uitstel van een jaar te verlenen (…) voor de ingebruikname van hun mestverwerkingsinstallaties. (…)
3.11.
Op 3 november 2021 is de belastingdienst akkoord gegaan met een verlenging van de ingebruiknemingstermijn van de mvi’s tot 1 december 2022.
3.12.
Ook 1 december 2022 is niet haalbaar gebleken. Op 29 december 2022 heeft de belastingdienst aan [gedaagde 2] bericht dat de desinvesteringsbijtelling per 1 december 2022 voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] achterwege wordt gelaten tot en met 31 december 2023.
3.13.
Bij brieven van 16-26 februari 2023 hebben de participanten in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in gebreke gesteld omdat het door [gedaagde 3] opgezette investeringsmodel niet correct is uitgevoerd, onder meer doordat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet de overeenkomsten hebben gesloten die zij op grond van het aanbestedingsmemorandum hadden moeten sluiten, waaronder de huurovereenkomst voor de locatie van de mvi’s. De participanten in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd om uiterlijk 10 maart 2023 de overeenkomsten met [bedrijf 1] respectievelijk [bedrijf 2] tot stand te brengen die staan opgesomd in het deelnameformulier en die als model zijn gehecht aan het aanbiedingsmemorandum, alsmede te zorgen voor een huurlocatie waar de mvi zal komen te staan.
Dit is niet gebeurd.
3.14.
Daarop hebben de participanten in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] de deelnameovereenkomsten bij brieven van 15-17 maart 2023 ontbonden. De participanten maken bij [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aanspraak op terugbetaling van de door hen betaalde participatiebedragen en zij sommeren [gedaagde 1] om rekening en verantwoording af te leggen. Daarnaast vorderen de participanten van [gedaagde 3] een schadevergoeding (misgelopen rendement).
3.15.
Lopende de onderhavige procedure zijn de maatschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] eveneens een procedure gestart tegen [gedaagde 2] , [bedrijf 4] en [gedaagde 3] . Op grond van ontbinding van de koopovereenkomsten tussen de maatschappen en [gedaagde 2] (bij brieven van 9 en 11 mei 2023) vorderen de maatschappen de bij [gedaagde 2] gestorte koopsommen van respectievelijk € 500.000,00 terug.
4De verdere beoordeling
4.1.
Zoals in het vonnis in incident is overwogen twisten partijen over hun rechtsbetrekking, meer in het bijzonder over de kwalificatie van het door de participanten ingevulde en ondertekende deelnameformulier. De participanten stellen met ondertekening van dit deelnameformulier een overeenkomst te hebben gesloten met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die kwalificeert als een overeenkomst van opdracht dan wel lastgeving om verschillende overeenkomsten tot stand te brengen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij met de participanten een overeenkomst hebben gesloten. Volgens hen hebben de participanten door ondertekening van het deelnameformulier alleen een volmacht verstrekt aan [gedaagde 1] om bepaalde (rechts)handelingen uit te voeren of overeenkomsten tot stand te brengen maar is dit voor [gedaagde 1] geen verplichting. De individuele participanten zijn daarom niet-ontvankelijk in hun vorderingen, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Als de participanten hun inleg terug willen, zullen zij de maatschappen moeten aanspreken waar hun geld is ingebracht. En, als de inleg door de maatschappen is gebruikt om de mvi’s aan te schaffen, dan dient volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] terugbetaling daarvan plaats te vinden in de rechtsverhouding tussen de maatschappen en [gedaagde 2] .
4.2.
Gelet op deze standpunten is allereerst de vraag of tussen de individuele participanten enerzijds en [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] anderzijds een overeenkomst tot stand is gekomen en zo ja, welke verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst op partijen rusten.
Bestaat tussen de individuele participanten en [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] een overeenkomst? Ja
4.3.
Een overeenkomst is een meerzijdige rechtshandeling, waarbij een of meer partijen jegens een of meer anderen een verbintenis aangaan (artikel 6:213 lid 1 BW). Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan (artikel 6:217 lid 1 BW). De vraag wie partij zijn bij een overeenkomst hangt af van hetgeen hij en die ander daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. En hoe een overeenkomst moet worden uitgelegd, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval, in hun onderlinge samenhang bezien, van belang.
4.4.
Die omstandigheden zijn in onderhavige zaak de volgende. [gedaagde 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling nader toegelicht hoe het investeringsmodel tot stand is gekomen en wat zijn rol daarin is. [gedaagde 3] voerde sinds 2010 een vergelijkbaar investeringsmodel uit met een aantal andere mestpartners, waaronder [bedrijf 8] Dat investeringsmodel hield in dat er diverse maatschappen werden opgericht met de naam ‘ [bedrijf 9] ’ ( [bedrijf 9] ). Voor de maatschappen [bedrijf 5] tot en met [bedrijf 10] zijn mvi’s gekocht bij [bedrijf 8] Naast de bouw van de mvi’s verzorgde [bedrijf 8] ook de locatie en de levering van de mest. Uiteindelijk heeft in maatschap [bedrijf 5] een mvi gedraaid. De projecten voor de maatschappen [bedrijf 11] en [bedrijf 12] zijn volgens [gedaagde 3] niet van de grond gekomen. Op enig moment was het volgens [gedaagde 3] de bedoeling dat in één grote hal negen mvi’s zouden komen te staan, als één grote mestverwerkingscentrale. Toen bleek echter dat de eigenaar van het terrein waar de mvi’s voor de maatschappen [bedrijf 13] tot en met [bedrijf 10] stonden, niet verder wilde. Deze projecten zijn tot stilstand gekomen. Ook werd [bedrijf 8] op 10 april 2018 failliet verklaard.
Feiten
Voor de bouw en levering van de mvi’s had [gedaagde 3] vanaf [bedrijf 14] dus een nieuwe leverancier nodig en daarnaast moesten nieuwe locaties en investeerders gevonden worden om het investeringsmodel te kunnen (blijven) uitvoeren.
4.5.
Daarom heeft [gedaagde 3] in december 2018 zelf [gedaagde 1] en [gedaagde 2] opgericht. Met [gedaagde 1] , de advies- en investeringsmaatschappij, ging [gedaagde 3] op zoek naar investeerders en bracht hij hen bijeen in verschillende [bedrijf 9] -maatschappen. Hiertoe werd in opdracht van [gedaagde 1] het Aanbiedingsmemorandum 2018 opgesteld met diverse modelovereenkomsten als bijlagen A tot en met H. Dit memorandum is gebaseerd op oude informatiememoranda die zijn opgesteld in de periode van de samenwerking tussen [gedaagde 3] met [bedrijf 8] Ook verrichtte [gedaagde 3] met [gedaagde 1] de nodige administratieve werkzaamheden. Met [gedaagde 2] , die zich bezig houdt met de in- en verkoop van mvi’s, kocht [gedaagde 3] vervolgens mvi’s bij [bedrijf 15]
4.6.
Ten aanzien van de vraag of tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, verwijzen alle partijen naar bijlage H bij het aanbiedingsmemorandum, het deelnameformulier. In het formulier staat dat de participanten aan [gedaagde 1] (2018) dan wel [gedaagde 2] (2019) een aanbod doen tot deelname in een maatschap en dat na aanvaarding daarvan door [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] een bindende en afdwingbare overeenkomst is ontstaan die eenzijdig door [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] kan worden ontbonden als de belastingdienst geen ruling afgeeft en/of er onvoldoende extern kapitaal beschikbaar is voor de aanschaf van de mvi’s. Uit hoofde van die overeenkomst rust op de participanten de verplichting om maat te worden en op [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] de verplichting om de participanten aan een bepaalde maatschap toe te delen zodat er voldoende inleg zou ontstaan om met die maatschap een mvi te kunnen kopen. Aan deze verplichtingen is door partijen voldaan. Naast de overeenkomst tot indeling in een maatschap hebben de participanten met de ondertekening van het deelnameformulier ook een volmacht verstrekt aan [gedaagde 1] , zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook betogen.
4.7.
Echter, in hetzelfde deelnameformulier staat ook dat de participanten in de maatschap wensen deel te nemen ‘overeenkomstig de voorwaarden van het aanbiedingsmemorandum en de bijlagen daarbij’. Daarom is ook de inhoud van het aanbiedingsmemorandum van belang. In het aanbiedingsmemorandum wordt het investeringsmodel als volgt toegelicht, hieronder deels geciteerd en samengevat weergegeven:
- [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [bedrijf 15] spelen in op de ontwikkelingen in het mestbeleid en door middel van een ketenaanpak bieden zij op centrale locaties in Nederland een (totaal)oplossing voor de mestproblematiek. Varkenshouders, investeerders en het milieu profiteren daarvan.
- [gedaagde 1] realiseert samen met [gedaagde 2] op diverse locaties een innovatieve centrale mestverwerking waarbij mest op een locatie van [gedaagde 2] wordt gescheiden.
- De aankoop van de mvi’s wordt gefaciliteerd met eigen vermogen van een kleine groep particulieren.
- Daarbij verzorgt [gedaagde 1] centraal de financiering van de installatie, is [gedaagde 2] de leverancier van de door [bedrijf 15] ontwikkelde mvi en zal de 2018-serie in een mestverwerkingscentrale komen te staan.
- [gedaagde 1] en [gedaagde 2] nemen de verantwoording over zowel techniek, productie, marketing als financiering en [gedaagde 1] is de initiatiefnemer, begeleider en ook administrateur van de maatschappen.
- [gedaagde 1] kan dus samen met [gedaagde 2] en [bedrijf 15] zorgen voor de hele keten, van het aantrekken van kapitaal, de aanschaf van de installatie, het verzorgen van mestcontracten, de plaatsing en technisch onderhoud van de mvi, de verwerking van de reststromen en reststoffen, tot het verzorgen van de administratie door [gedaagde 1] . [gedaagde 1] noemt dit de ketenorganisatie.
4.8.
Een belangrijk onderdeel van de ketenorganisatie is dus het door de participanten in te brengen eigen vermogen. De participanten kunnen dit eigen vermogen onder gunstige voorwaarden beschikbaar stellen vanwege de fiscale voordelen die [gedaagde 1] verzorgt. Met het eigen vermogen worden de mvi’s (deels) gekocht en door [gedaagde 2] geleverd. Zonder die mvi’s kan geen rendement met mestverwerking worden gegenereerd. Het gaat dus om een samenstel van verbintenissen om gezamenlijk tot het doel te komen waarbij ‘geld wordt verdiend met groene investeringen’. Deze ketenorganisatie werkt ook alleen als een ieder zijn verbintenissen nakomt. Het aanbiedingsmemorandum is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een aanbod van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan de participanten om onderdeel te worden van en deel te nemen aan de ketenorganisatie. Immers, zonder het door hen te verstrekken eigen vermogen, werkt de ketenorganisatie niet. Omdat het deelnameformulier uitdrukkelijk verwijst naar het aanbiedingsmemorandum en in het aanbiedingsmemorandum staat dat de bijlagen daarmee onlosmakelijk zijn verbonden, is de rechtbank van oordeel dat de participanten met ondertekening van bijlage H (het deelnameformulier) en hun aanbod om te investeren óók mochten verwachten dat zij het aanbod van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om onderdeel te worden van, en deel te nemen aan, de ketenorganisatie, hebben aanvaard. Iedere individuele participant is met ondertekening van het deelnameformulier dan ook een overeenkomst aangegaan met [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . Uit die (meerpartijen)overeenkomsten vloeien de volgende verbintenissen voort.
4.9.
De participanten verbinden zich jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om te investeren en om (extern) kapitaal te verstrekken voor de aanschaf van de mvi’s, om maat te worden in een maatschap en om een volmacht te verlenen aan [gedaagde 1] .[gedaagde 1] verbindt zich jegens de participanten en [gedaagde 2] om haar deel in de ketenorganisatie uit te voeren, namelijk functioneren als begeleider en administrateur van het project jegens de participanten door hen te plaatsen in een maatschap, door met hun vermogen de aankoop van een mvi bij [gedaagde 2] te faciliteren, door te bewerkstelligen dat diverse overeenkomsten tot stand komen en door in verband met de fiscale voordelen de ruling met de belastingdienst te regelen. [gedaagde 2] verbindt zich jegens de participanten en [gedaagde 1] om haar deel in de ketenorganisatie uit te voeren, te weten het leveren van de mvi’s, het regelen van de locatie daarvoor en het zorgdragen voor zaken als onderhoud, huur en afzet van de reststromen. Ook verbindt [gedaagde 2] zich samen met [gedaagde 1] jegens de participanten om hun inleg op een geblokkeerde rekening te parkeren en pas aan [bedrijf 15] te betalen zodra een mvi mechanisch en elektrisch is gemonteerd, alsmede om vreemd vermogen aan de maatschappen te verstrekken voor het restant van de koopsom. Zoals [gedaagde 2] op 24 september 2021 aan het Ministerie van Financiën heeft geschreven ‘begeleidt [zij] de projecten van A tot Z’.Dat in het aanbiedingsmemorandum wellicht kleine tegenstrijdigheden staan zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen, doet er niet aan af dat de participanten op basis van het aanbiedingsmemorandum mochten verwachten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich aan bovenstaande afspraken zouden houden.
4.10.
Omdat op basis van het aanbiedingsmemorandum en de ondertekening van het bijbehorende deelnameformulier tussen iedere participant enerzijds en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] anderzijds overeenkomsten tot stand zijn gekomen, zijn de participanten ontvankelijk in hun vorderingen jegens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De rechtbank begrijpt uit de individueel door de participanten gestuurde ingebrekestellingen en ontbindingsbrieven dat de participanten hebben bedoeld de individuele overeenkomsten tot deelname aan de ketenorganisatie te ontbinden wegens tekortkomingen aan de zijde van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] .
Feiten
4.11.
Voor beantwoording van de vraag of de participanten terecht tot ontbinding van deze overeenkomsten zijn overgegaan, moet eerst worden beoordeeld of [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zijn tekortgeschoten in de nakoming van op hen rustende verplichtingen en vervolgens of zij, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, in verzuim zijn (artikel 6:265 BW).
Is [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen? Ja
4.12.
De participanten verwijten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat zij zijn tekortgeschoten in hun verplichting tot het uitrollen van de ketenorganisatie. Zo hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] volgens de participanten de specifieke overeenkomsten zoals genoemd in het deelnameformulier (het zogenaamde ‘linker rijtje’) en het aanbiedingsmemorandum niet tot stand gebracht en/of zijn zij deze niet nagekomen en zijn tot op heden, ondanks de ingebrekestellingen van de participanten en de maatschappen, geen mvi’s opgeleverd. Dit is volgens de participanten te wijten aan (i) het ontbreken van een locatie en (ii) het ontbreken van financiële middelen bij [gedaagde 2] om leverancier [bedrijf 15] te betalen.
4.13.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten niet dat de mvi’s tot op heden niet zijn opgeleverd. Zij menen echter dat zij niet zijn tekortgeschoten omdat voor het opleveren van de mvi’s geen termijn is overeengekomen. Dat de mvi’s nog niet zijn opgeleverd, is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het gevolg van veranderde marktomstandigheden die ervoor zorgden dat de mvi’s niet zomaar geplaatst konden worden en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op overmacht. Omdat de mvi’s nog niet zijn opgeleverd, was het volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook (nog) niet nodig alle modelovereenkomsten tot stand te brengen. Het door de participanten in hun brieven van april 2023 gestelde ultimatum om binnen twee weken een mvi op te leveren, is volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] onmogelijk en niet redelijk. Tot slot voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aan dat de door de participanten bijeengebrachte gelden door de maatschappen wel degelijk zijn aangewend voor de aanbetaling van de mvi’s.
(i) Ontbreken locatie
4.14.
Zoals hiervoor overwogen (rov. 4.9) rust uit hoofde van het aanbiedingsmemorandum op [gedaagde 2] de verplichting om te zorgen voor een locatie voor de door haar te leveren mvi’s. Anders dan [gedaagde 3] tijdens de mondelinge behandeling heeft betoogd, volgt uit het aanbiedingsmemorandum niet dat het vinden van een locatie een gezamenlijke verplichting (een ‘joint effort’) was van [gedaagde 2] , [gedaagde 1] en de participanten. Dat het geen gezamenlijke verplichting is, wordt bevestigd door de onweersproken verklaringen van de participanten tijdens de mondelinge behandeling dat zij noch de maatschappen op enig moment door [gedaagde 3] , [gedaagde 1] of [gedaagde 2] zijn aangesproken op een op hen rustende verplichting om (mee) te zoeken naar een geschikte locatie.
4.15.
Hoewel in het aanbiedingsmemorandum en het deelnameformulier geen termijn is opgenomen voor het tot stand (laten) brengen van enige overeenkomst, zoals [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betogen, blijkt uit het aanbiedingsmemorandum dat een tijdige oplevering van de mvi’s wel van belang was voor de fiscale voordelen. Voor toepassing van de Vamil respectievelijk de MIA is van belang dat het bedrijfsmiddel vóór 1 januari 2022 in gebruik wordt genomen. Kennelijk waren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich ook bewust van de noodzaak dat de mvi tijdig in gebruik moest worden genomen nu zij bij de belastingdienst diverse malen om uitstel voor ingebruikname hebben verzocht (zie rov. 3.9. tot en met 3.12.), conform de verbintenis die [gedaagde 1] met de participanten is aangegaan om de ruling te verzorgen. Met het verkregen uitstel werd voorkomen dat de fiscale voordelen zouden stoppen dan wel dat een desinvesteringsbijtelling bij de participanten zou plaatsvinden. Uiteindelijk is door de belastingdienst bij brief van 29 december 2022 een (laatste) uitstel verleend tot 31 december 2023. Omdat duidelijk was dat de participanten investeerden vanwege deze fiscale voordelen, mocht van [gedaagde 2] worden verwacht dat de mvi’s vóór die datum op locatie waren opgeleverd en in gebruik genomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat tijdens de mondelinge behandeling uit de verklaringen van partijen is gebleken dat bij aanvang van de investering in de ketenorganisatie [gedaagde 2] over een locatie beschikte zoals ook in het aanbiedingsmemorandum stond. De huurovereenkomst voor deze locatie is echter kort daarna geëindigd zodat op [gedaagde 2] de verplichting rustte een andere locatie te vinden. Dat een andere locatie tot eind 2022 niet kon worden gevonden door veranderende marktomstandigheden (gewijzigd mestbeleid en COVID19) en dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hierover zorgvuldig overleg hebben gevoerd met de participanten, ontslaat [gedaagde 2] niet van haar verplichting om vanwege de onderliggende fiscale constructie tijdig te zorgen voor een locatie en oplevering van de mvi’s. [gedaagde 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat er geschikte locaties te vinden waren, zoals de participanten betogen. Van overmacht is daarom geen sprake. Ook voeren [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet aan dat het sluiten van een huurovereenkomst uiterlijk 10 maart 2023 niet tot de mogelijkheden behoorden. Zij voeren alleen aan dat het in 2022 niet mogelijk was een geschikte locatie te vinden. Gelet op al deze omstandigheden en het feit dat een mvi niet zomaar is (af)gebouwd, is het niet onredelijk dat de participanten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij hun brieven van 16-26 februari 2023 in gebreke hebben gesteld en hebben gesommeerd om uiterlijk 10 maart 2023 te zorgen voor een locatie door middel van het sluiten van een huurovereenkomst. Dat het onmogelijk en niet redelijk zou zijn om in april 2023 van [gedaagde 2] te verlangen dat de mvi’s binnen twee weken zouden worden (op)geleverd, maakt deze verplichting tot het sluiten van een huurovereenkomst niet anders. De brieven van april 2023 waarin om oplevering van de mvi’s wordt gevraagd, zijn immers gestuurd door de maatschappen en die zijn geen partij in onderhavige procedure.
4.16.
Gelet op voorstaande staat vast dat [gedaagde 2] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verplichting om een locatie te vinden en is zij in beginsel in verzuim. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op schuldeisersverzuim aan de zijde van de participanten omdat de participanten, kort gezegd, de koopsom van de mvi’s nog niet volledig hebben betaald zodat [gedaagde 2] [bedrijf 15] niet kan betalen voor de (af)bouw van de mvi’s. Dit beroep op schuldeisersverzuim slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
4.17.
Uit het aanbiedingsmemorandum volgt dat na aanbetaling van 30% van de koopsom (bijna de inleg van de participanten van € 500.000,00) zal worden begonnen met de bouw van de mvi. Ook staat daarin dat het restant van de koopsom pas betaald hoeft te worden als de mvi is geïnstalleerd, getest en geleverd en aan de norm voldoet. Gelet hierop waren de participanten niet gehouden eerder dan dat moment zorg te dragen voor het restant van de financiering. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beroepen zich op de koopovereenkomst tussen de maatschap en [gedaagde 2] waar in artikel 2 lid 3 staat dat de maatschap de koopprijs voldoet aanstonds na ontvangst van de factuur. Lopende de procedure hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] twee facturen van [gedaagde 2] overgelegd van respectievelijk € 1.390.000,00 exclusief btw. Deze facturen zijn gedateerd op 31 december 2018 ( [bedrijf 1] ) en 31 december 2019 ( [bedrijf 2] ) en wijken dus af van voormelde werkwijze in het aanbiedingsmemorandum. Bovendien betwisten de participanten de ontvangst én de echtheid van deze facturen.
Feiten
Zij wijzen er onweersproken op dat de facturen zijn afgedrukt op briefpapier van [gedaagde 2] met een ander logo dan andere facturen uit diezelfde periode. Ook wordt op de facturen verwezen naar algemene leveringsvoorwaarden van [bedrijf 15] en zijn ze geadresseerd aan de maatschappen op de ‘ [adres 1] ’ waar geen van de maten woont. De broer van [gedaagde 3] , medemaat, woont op de [adres 2] . Als de maatschappen deze facturen hadden ontvangen, hadden zij naast de aanbetaling omstreeks 31 december 2018 dan wel 2019 ook het resterende deel van de koopsom al moeten verstrekken. Het is echter niet gesteld of gebleken dat de maatschappen destijds op nakoming van een dergelijke verplichting zijn aangesproken en bovendien zijn de maatschappen in deze geen schuldeisers; dat zijn de participanten. Gelet op deze omstandigheden kan de rechtbank niet uitgaan van de juistheid van de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde facturen en moet het ervoor worden gehouden dat de participanten niet gehouden waren de volledige koopsom te voldoen, alvorens tot (op)levering van de mvi’s kon worden overgegaan. Daarom slaagt het beroep op schuldeisersverzuim niet en staat vast dat [gedaagde 2] is tekortgeschoten in haar verplichting zorg te dragen voor een locatie.
4.18.
En, ook als [gedaagde 2] wel een locatie had geregeld, komt vast te staan dat de mvi’s niet geleverd kunnen worden omdat de financiële middelen bij [gedaagde 2] ontbreken om de mvi’s bij [bedrijf 15] af te nemen. Hierdoor kan de ketenorganisatie niet verder worden uitgevoerd. Dit is ook een tekortkoming van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
(ii) Ontbreken financiële middelen
4.19.
Zoals hiervoor overwogen (rov. 4.9.) moest [gedaagde 1] faciliteren dat met het eigen vermogen van de participanten mvi’s werden aangeschaft en moest [gedaagde 2] daartoe de ingebrachte gelden parkeren op een geblokkeerde rekening en mocht zij deze pas aan [bedrijf 15] betalen zodra een mvi mechanisch en elektrisch was gemonteerd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in deze verplichtingen tekortgeschoten. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 3] verklaard dat er binnen [gedaagde 2] geen aparte administratie per maatschap wordt gehouden en dat de ontvangen inleg ‘op één hoop’ is gestort, en niet op geblokkeerde rekeningen. Ook blijkt uit de verklaringen van [gedaagde 3] dat [gedaagde 2] de inleg heeft uitgegeven door aanbetalingen te doen aan [bedrijf 15] . Hoewel [gedaagde 3] , in lijn met de werkwijze zoals hiervoor in rov. 4.17 beschreven, in een Whatsappbericht van 23 september 2020 aan een participant heeft geschreven dat per mvi een bedrag van € 500.000,00 is besteed, heeft [gedaagde 3] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat per maatschap een aanbetaling aan [bedrijf 15] is voldaan van € 250.000,00, derhalve in totaal € 500.000,00. Verder is het resterende bedrag van twee keer € 250.000,00 ook deels uitgegeven. [gedaagde 3] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er nog ongeveer € 10.000,00 op de rekening van [gedaagde 2] staat. Dit zou betekenen dat [gedaagde 2] niet heeft voldaan aan de verplichting om 30% aan te betalen. Ondanks het vonnis in incident waarin aan partijen is meegedeeld dat de besteding van het geld tijdens de mondelinge behandeling aan de orde zal komen, heeft [gedaagde 3] geen verklaring kunnen geven waar het resterende bedrag van de inleg van circa € 520.000,00 aan is uitgegeven. [gedaagde 3] heeft er tijdens de mondelinge behandeling op gewezen dat kosten werden gemaakt voor ‘algehele bedrijfsvoering’, onder andere omdat GPS9 was opgehouden te betalen en [gedaagde 2] haar verplichtingen richting [bedrijf 15] en derden had. [gedaagde 2] had het geld van de participanten van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] daar echter niet voor mogen gebruiken. Dit was immers geld dat bedoeld was voor de mvi’s voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en had op een geblokkeerde rekening moeten staan en enkel daarvoor mogen worden aangewend. Ook in het nakomen van hun verplichtingen om te faciliteren dat de inleg van de participanten werd besteed aan de aanschaf van de mvi’s voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dus tekortgeschoten. Omdat betaling van het eigen vermogen van de participanten aan [bedrijf 15] voor de mvi’s voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] onmogelijk is geworden, is verzuim niet vereist.
Zijn de overeenkomsten rechtsgeldig ontbonden en zo ja, wat zijn de rechtsgevolgen daarvan? Ja, terugbetaling
4.20.
De participanten hebben de verbintenis op zich genomen inleg te betalen ter verkrijging van een daartegenover bedongen prestatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gezamenlijk. De gezamenlijke prestatie van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] was om die inleg zo aan te wenden dat daarmee fiscaal voordeel en rendement zou worden behaald voor de participanten. De participanten kunnen hun recht tot ontbinding dan ook gronden op de tekortkoming in de nakoming van de verbintenis jegens haarzelf (artikel 6:279 lid 2 BW).[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn hun verplichtingen om met de inleg van de participanten fiscaal voordeel en rendement te behalen niet nagekomen wegens het ontbreken van een locatie en het niet op bepaalde wijze besteden van de inleg van de participanten. Dit rechtvaardigt ontbinding van de overeenkomsten tot deelname aan de ketenorganisatie. In de ontbindingsbrieven wordt door de participanten als grond aangevoerd dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] geen gehoor hebben gegeven aan het verzoek om de overeenkomsten met de maatschappen tot stand te brengen die staan opgesomd in het ‘linker rijtje’ van het deelnameformulier en als model zijn gehecht aan het aanbiedingsmemorandum. De huurovereenkomst voor een locatie maakt daar geen onderdeel vanuit. Het rechtsgevolg van de ontbindingsverklaring is echter niet afhankelijk van de vraag of de gronden voor ontbinding zijn genoemd in de verklaring. Gelet hierop zal voor recht worden verklaard dat de overeenkomsten tot deelname aan de ketenorganisatie buitengerechtelijk zijn ontbonden met ingang van 15, 16 dan wel 17 maart 2023. Reeds om die reden komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van hetgeen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd omtrent gedeeltelijke ontbinding.
4.21.
Door de ontbinding van de overeenkomsten tot deelname aan de ketenorganisatie ontstaan voor partijen verbintenissen tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben als prestatie van de participanten inleg ontvangen. Zij zijn dan ook gehouden de door de participanten betaalde inleg terug te betalen, vermeerderd met de door de participanten betaalde 3% emissiekosten en de niet betwiste wettelijke rente.
4.22.
Vervolgens is de vraag of naast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook [gedaagde 3] als bestuurder van deze vennootschappen aansprakelijk is voor vergoeding van de door de participanten geleden schade.
Onrechtmatig handelen [gedaagde 3] - bestuurdersaansprakelijkheid
4.23.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden kan echter, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap worden dus hogere eisen gesteld dan in het algemeen het geval is.
Feiten
4.24.
Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en de ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.
4.25.
Ten aanzien van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon geldt het volgende. Artikel 2:11 BW bepaalt dat de aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtspersoon tevens hoofdelijk rust op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van de rechtspersoon daarvan bestuurder is. Artikel 2:11 BW is van toepassing in alle gevallen waarin een rechtspersoon in zijn hoedanigheid van bestuurder aansprakelijk is op grond van de wet. Daaronder valt ook de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder die is gebaseerd op artikel 6:162 BW. Deze aansprakelijkheid rust dan tevens hoofdelijk op ieder die ten tijde van het ontstaan van de aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder daarvan bestuurder is. Dit betekent dat voor vestiging van de aansprakelijkheid van een bestuurder van een rechtspersoon-bestuurder niet de aanvullende eis geldt dat de schuldeiser stelt, en zo nodig bewijst, dat ook die bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
4.26.
Het ligt op de weg van de participanten om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat [gedaagde 3] persoonlijk (als indirect bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) jegens de participanten onrechtmatig heeft gehandeld. De participanten voeren allereerst aan dat (a) [gedaagde 3] bij het sluiten van de overeenkomst (eind 2018 dan wel eind 2019) niet heeft verteld dat er geen locatie voor de mvi’s beschikbaar waren. Zoals hiervoor is overwogen is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat op het moment van het sluiten van de overeenkomsten tot deelname in het ketenmodel een locatie beschikbaar was en dat daar een huurovereenkomst voor was gesloten. Aan verdere beoordeling van dit verwijt komt de rechtbank dan ook niet toe.
4.27.
De participanten verwijten [gedaagde 3] verder dat (b) hun inleg is aangewend om de financiële problemen van [gedaagde 1] , [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 3] zelf op te lossen. Die financiële problemen zouden blijken uit het feit dat: - [gedaagde 3] weigert om rekening en verantwoording af te leggen;- [gedaagde 3] aan participant [eiser 9] heeft geappt dat [gedaagde 2] er ‘alles aan zal doen om te zorgen dat het geld terug komt’;- [gedaagde 1] in een andere procedure is veroordeeld om ruim € 350.000,00 aan [bedrijf 16] te betalen;- uit weer een andere procedure blijkt dat [bedrijf 17] een vordering van € 112.000,00 heeft op [gedaagde 2] ; en- [gedaagde 3] namens [gedaagde 1] tegenover maatschap [bedrijf 14] erkent dat [gedaagde 1] niet in staat is schuldeisers te voldoen.
4.28.
Ook als [gedaagde 3] als bestuurder niet aansprakelijk kan worden gehouden, heeft hij volgens de participanten onrechtmatig gehandeld door:
- het door hem opgezette investeringsmodel in [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (bewust) niet uit te voeren;
- de participanten over te halen om te investeren terwijl [gedaagde 3] niet voor een locatie zorgde.
Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat deze verwijten van de participanten er in de kern op neerkomen dat [gedaagde 3] als bestuurder van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] de van de participanten verkregen inleg heeft aangewend voor andere doelen.
4.29.
[gedaagde 3] betwist dat hij als indirect bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft bewerkstelligd of toegelaten dat die vennootschappen haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Ook betwist hij dat hem een persoonlijk ernstig verwijt treft.
4.30.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] en de man achter het investeringsmodel en de ketenorganisatie. Hij geeft de opdracht tot betalingen. Zoals hiervoor overwogen is het door de participanten betaalde inleg niet aangewend zoals partijen zijn overeengekomen. [gedaagde 3] heeft er geen verklaring voor kunnen geven dat een groot deel van die inleg niet is besteed aan de mvi’s voor [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . Het had, zeker gelet op het vonnis in incident, wel op zijn weg als bestuurder van de vennootschappen gelegen hierover duidelijkheid te verschaffen. Door toedoen van [gedaagde 3] is de inleg van de participanten op andere wijze besteed dan de participanten op basis van het aanbiedingsmemorandum mochten verwachten. Hierdoor raakten de participanten en de maatschappen de controle en het zicht op de gelden kwijt. Als [gedaagde 3] de inleg eerst in de maatschappen had ingebracht, hadden de maatschappen facturen van [gedaagde 2] gekregen voor een aanbetaling van € 500.000,00 per mvi. Dit is echter niet gebeurd. [gedaagde 3] maakte als bestuurder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de keuze hoe de gelden van [gedaagde 2] werden gealloceerd, terwijl hij die vrijheid op grond van de overeenkomsten niet had. [gedaagde 3] heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd en hij heeft geen verklaring kunnen geven waar de inleg van de participanten wel aan is uitgegeven. Daarom valt [gedaagde 3] een persoonlijk ernstig verwijt te maken en is de rechtbank van oordeel dat hij onrechtmatig heeft gehandeld.
4.31.
[gedaagde 3] is naast [gedaagde 1] en [gedaagde 2] aansprakelijk voor de door de participanten geleden schade. De participanten vorderen de veroordeling van [gedaagde 3] om een concreet schadebedrag aan hen te betalen op grond van artikel 6:162 BW. De participanten hebben de omvang van hun schade beperkt toegelicht maar de rechtbank begrijpt dat zij (thans) terugbetaling van hun inleg vorderen. De door de participanten betaalde inleg is echter geen schade die het gevolg is van het door [gedaagde 3] onrechtmatig beheren hiervan. Voor zover de participanten hebben beoogd te stellen dat hun schade eruit bestaat dat zij hun inleg niet hebben terugontvangen, geldt dat zij in dit kader een vordering hebben op de vennootschappen van [gedaagde 3] . Pas als die vennootschappen de inleg niet (volledig) terugbetalen, zullen de participanten ter zake schade lijden. Mogelijk moet [gedaagde 3] die schade dan (deels) vergoeden aan de participanten. Aangezien die schade nu nog niet bestaat, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of [gedaagde 3] die schade dan zal moeten vergoeden en zo ja, voor welk deel. Omdat de participanten op dit moment geen andere schade dan de inleg hebben gevorderd, worden hun vorderingen jegens [gedaagde 3] afgewezen.
Proceskosten
in de hoofdzaak
4.32.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.