Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2024-09-18
ECLI:NL:RBGEL:2024:6418
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,488 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/439965 / HA ZA 24-423
Vonnis van 18 september 2024
in de zaak van
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres,
advocaat mr. K.W.A. Wools te Elst, gemeente Overbetuwe,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] .,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de akte overlegging producties;
het tegen gedaagden verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
Eiseres heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
Het gevorderde komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor zover hierna anders wordt overwogen. Het gevorderde zal als volgt worden toegewezen.
2.3.
Eiseres heeft wettelijke handelsrente gevorderd, ex artikel 6:119a BW. De rechtbank dient ambtshalve te onderzoeken of er een rechtsgrond bestaat voor toewijzing van de wettelijke handelsrente, ook bij gebreke van verweer van gedaagden (HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:596). Genoemd artikel heeft alleen betrekking op de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten op grond van een handelsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de overeenkomst van geldlening niet kwalificeert als handelsovereenkomst, zodat de gevorderde wettelijke handelsrente niet toewijsbaar is. Gelet op de bewoordingen in het lichaam van de dagvaarding (‘wettelijke rente’), moet worden aangenomen dat eiseres tevens aanspraak maakt op de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW (vgl. HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1710). Deze vordering is wel toewijsbaar.
2.4.
Eiseres vordert gedaagden te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op:
- exploten € 1.081,41
- griffierecht € 320,00
- salaris advocaat € 1.929,00 (1,0 punt × tarief € 1.929,00)
Totaal € 3.330,41.
2.5.
Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseres worden begroot op:
- dagvaarding € 136,71
- griffierecht € 2.306,00 (€ 2.626,00 - € 320,00)
- salaris advocaat € 1.929,00 (1,0 punt × tarief € 1.929,00)
Totaal € 4.371,71.
2.6.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres tegen genoegzaam bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 114.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 13 juli 2024 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres tegen genoegzaam bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 5.246,54 aan rente,
3.3.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres tegen genoegzaam bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 1.915,00 aan buitengerechtelijke incassokosten,
3.4.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.330,41, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.5.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van eiseres tot op heden begroot op € 4.371,71, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
3.6.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat gedaagden niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 92,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
3.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.8.
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.F. van den Berg en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2024.