Rechtspraak
Rechtbank Gelderland
2023-12-14
ECLI:NL:RBGEL:2023:6795
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,733 tokens
Inleiding
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 21/3984
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brummen, het college
(gemachtigden: E. Bronsvoort en M. Harkema).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats], vergunninghouder
(gemachtigden: mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruijn).
Ook als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 25 februari 2021 waarmee aan vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van 16 huurwoningen op de voormalige schoollocatie [locatie] aan de [locatie] in [woonplaats].
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2023 en op 13 november 2023 op zitting behandeld.
Op 28 februari 2023 hebben deelgenomen: eiser, gemachtigden van het college en gemachtigde mr. J.J. Molenaar, [derde-partij] en [derde-partij] namens vergunninghouder.
De rechter die de zaak op 28 februari 2023 op zitting heeft behandeld is niet meer werkzaam bij de rechtbank. Daarom is het onderzoek in de zaak heropend en is de zaak toegewezen aan mr. D. Bruinse-Pot. Partijen zijn hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld om aan te geven of zij behoefte hebben aan een nadere zitting. Niet alle partijen hebben ondubbelzinnig aangegeven dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting. Daarom is de zaak op 13 november 2023 mondeling behandeld op een zitting door mr. D. Bruinse-Pot.
Op 13 november 2023 hebben deelgenomen: eiser, gemachtigde E. Bronsvoort van het college en gemachtigde mr. J.P.H. de Bruijn, [derde-partij] en [derde-partij] namens vergunninghouder. Na de zitting is het onderzoek gesloten.
Totstandkoming van het besluit
1. Op 23 december 2020 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het bouwen van 16 huurwoningen op de voormalige schoollocatie [locatie] (bouwlocatie) aan de [locatie] in [woonplaats].
1.1.
De bouwlocatie is gelegen binnen de grenzen van het bestemmingsplan ‘Woningbouw Sperwerstraat’ (het bestemmingsplan).
1.2.
Het college heeft met het besluit van 25 februari 2021 de aangevraagde omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de 16 huurwoningen. De omgevingsvergunning ziet op de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘handelen in strijd met het bestemmingsplan’, omdat ten behoeve van de woningen niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen op eigen terrein conform de gestelde normering van 1,6 parkeerplaats per woning.
1.3.
In de beslissing op bezwaar van 22 juli 2021 heeft het college het besluit van 25 februari 2021 onder aanvulling van een voorschrift en een aanvulling van de motivering in stand gelaten.
1.4.
Vergunninghouder heeft op 1 november 2023 verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Gelet op dit verzoek is de Staat der Nederlanden aangemerkt als derde-belanghebbende.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt de beslissing op bezwaar. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep van eiser ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsen van de nieuwe feiten en omstandigheden?
4. Eiser voert aan dat de gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan in het tijdsbestek tussen de beslissing op bezwaar en de einduitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2022 betrokken moeten worden in onderhavige procedure. Zo heeft de raad ter uitvoering van de in de tussenuitspraak gegeven opdracht, een nieuw gewijzigd bestemmingsplan vastgesteld. In dit gewijzigde bestemmingsplan heeft de raad een artikel aan het bestemmingsplan toegevoegd dat luidt: Installaties voor warmte- en koudeopwekking moeten voldoen aan artikel 3.19 van het Bouwbesluit. Waarbij de Afdeling in de einduitspraak artikel 3.19 heeft gewijzigd in artikel 3.8, tweede lid.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de omgevingsvergunning is getoetst aan het ten tijde van het primaire besluit geldende bestemmingsplan “Woningbouw Sperwerstraat”, dat op 17 december 2020 is vastgesteld. Hiertegen is beroep ingesteld bij de Afdeling. Er is geen voorlopige voorziening aangevraagd, zodat het bestemmingsplan na afloop van de beroepstermijn in werking is getreden (dit is op 3 februari 2021). Ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning was het bestemmingsplan het geldende toetsingskader.
4.2.
De rechtbank overweegt dat de hoofdregel in het bestuursrecht is dat de bestuursrechter het besluit ex tunc toetst, dit betekent dat de bestuursrechter de beslissing op bezwaar toetst aan de feiten en het recht op het moment van het nemen van het besluit. De beslissing op het bezwaar van eiser is genomen voor de tussenuitspraak van 28 juli 2021, waarin de Afdeling oordeelt dat het bestemmingsplan “Woningbouw Sperwerstraat” voor vernietiging in aanmerking komt, waarna het bestemmingsplan in de einduitspraak van 24 augustus 2022 is vernietigd. Uit de zogenoemde Tegelenjurisprudentie volgt, dat als de beslissing op het bezwaar dat is gericht tegen de vergunning wordt genomen vóór de vernietiging van het bestemmingsplan, de vergunning in stand blijft als de vergunning op basis van het van kracht zijnde bestemmingsplan verleend of in stand gelaten moet worden. De achterliggende gedachte van deze jurisprudentie is dat het rechtszekerheidsbeginsel zich er tegen verzet dat de terugwerkende kracht die normaliter wordt toegekend aan de vernietiging van een bestemmingsplan een reeds rechtsgeldig verleende omgevingsvergunning achteraf bezien onrechtmatig zou maken. Wanneer een belanghebbende wil voorkomen dat een omgevingsvergunning wordt verleend op basis van een niet onherroepelijk bestemmingsplan, kan deze belanghebbende een verzoek om schorsing van het bestemmingsplan indienen.
4.3.
De rechtbank oordeelt dat het de gewijzigde omstandigheden die zich hebben voorgedaan in het tijdsbestek tussen de beslissing op bezwaar en de einduitspraak van de Afdeling, zoals de toevoeging van het voorschrift aan het bestemmingsplan dat de warmptepompen moeten voldoen aan de eis van artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit niet meeneemt. Gelet op de hierboven beschreven rechtspraak toetst de rechtbank of de omgevingsvergunning in overeenstemming was met het bestemmingsplan dat op het moment van het nemen van de beslissing op bezwaar gold. De beroepsgrond slaagt niet.
Voldoen de warmtepompen aan de geluidsvereisten uit het Bouwbesluit 2012 dan wel het vergunningvoorschrift?
5. Eiser voert aan dat het duidelijk is dat het beoogde type warmptepompen aanzienlijk meer geluidsdruk, namelijk 68 dB(A), veroorzaken dan de in de omgevingsvergunning en het Bouwbesluit 2012 (Bouwbesluit) vereiste norm van 40 dB(A). Verder voert eiser aan dat het rapport van Peutz, dat sinds 16 december 2021 onderdeel is geworden van het bestemmingsplan, niet kan dienen als bewijs dat de omgevingsvergunning voldoet aan de eisen van het bestemmingsplan op het gebied van geluid.
5.1.
In de beslissing op bezwaar van 22 juli 2021 is het volgende voorschrift opgenomen: ‘(…) Het primaire besluit wordt hieromtrent aangevuld met een voorschrift dat als volgt luidt: Voor een installatie voor warmte- of koudeopwekking (zoals warmtepompen of airco’s) die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, geldt een maximale geluidsnorm van 40 dB op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie.’
5.2.
Artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 luidt: ‘Een installatie voor warmte- of koudeopwekking, die is opgesteld buiten de uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk, veroorzaakt op de perceelgrens met een perceel voor een andere woonfunctie een geluidsniveau van ten hoogste 40 dB, bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai.’
5.3.
In de Nota van toelichting bij de invoering van het bovengenoemde artikel in het Bouwbesluit is het volgende opgenomen: Er is naar verwachting voldoende tijd voor de relevante sectoren om zich op de wijzigingen voor te bereiden. Bij het opstellen van de inhoudelijke wijzigingen is rekening gehouden met de positie van verschillende sectoren, door bijvoorbeeld bepaalde eisen alleen te laten gelden voor nieuwbouw. Er is om die reden ook niet voorzien in specifiek overgangsrecht in dit besluit. Voor procedures zoals vergunningaanvragen, die reeds in gang zijn gezet op het moment dat de nieuwe voorschriften in werking treden, geldt het overgangsrecht uit hoofdstuk 9 van het Bouwbesluit 2012.
5.4.
In de einduitspraak heeft de Afdeling het volgende overwogen over de locatie en de geluidsbelasting van de warmptepompen: ‘Uitgaande van een juiste verwijzing naar artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, oordeelt de Afdeling dat de raad er van uit mocht gaan dat deze planregels in voldoende mate borgen dat de enkelvoudige geluidbelasting van een warmtepomp beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau (namelijk het niveau uit het Bouwbesluit 2012). In het plan is voorts geborgd dat de installatie voor warmte- of koudeopwekking uitsluitend voor het eigen gebruik van de woningen is toegestaan. Het gaat in dit geval om 16 grondgebonden woningen. In het voormelde onderzoek wordt geconcludeerd dat aan de enkelvoudige norm opgenomen in het Bouwbesluit 2012 kan worden voldaan en in het door [appellant] en anderen aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit onderzoek onjuist dan wel onvolledig is geweest. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de warmtepompen zijn aangevraagd op een andere locatie, te weten tegen de achtergevel van de te realiseren woningen, laat dat onverlet dat de installatie ook dan dient te voldoen aan de voormelde enkelvoudige norm. De raad mag er in beginsel van uitgaan dat het voldoen aan de enkelvoudige norm zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 ook betekent dat zich geen onaanvaardbare cumulatieve geluidhinder zal voordoen. Dat kan anders zijn wanneer zich bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan in een concreet geval reden bestaat om aan dat uitgangspunt te twijfelen. In dit geval doet zich niet zo’n bijzondere omstandigheid voor.’
5.5.
De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen beslissen dat de warmptepompen niet in strijd waren met artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit of met het toegevoegde vergunningvoorschrift als hierboven beschreven in 5.1. Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning voorzag het Bouwbesluit nog niet in geluidsnormen voor warmtepompen. Hierdoor kan een aanvraag, gelet op het overgangsrecht, daarom ook niet in strijd zijn met artikel 3.8, tweede lid, van het Bouwbesluit.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een schadevergoeding aan vergunninghouder tot een bedrag van €. 1.000,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse-Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wabo in samenhang met artikel 12.1.3, van de planregels.
Uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2445
Uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1671, r.o. 12.
Uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2445.
Uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1671.
Uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2445.
Uitspraak van de Afdeling van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296. Dit is later bevestigd in onder andere de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:92, r.o. 6.2.
Stb. 2020/189, p. 23.
Uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2445, r.o. 4.1.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, r.o. 9.1.
Uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:704, r.o. 3.1.
Artikel 1, eerste lid, in samenhang met artikel 1, tweede lid, aanhef onder a, van de Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935 over het voeren van verweer in procedures bij een bestuursrechtelijk college waarin verzocht wordt om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter.